Deontologie & Juridische Beroepen

Vertrouwensrelatie met cliënt en meldingsplicht: een onmogelijk huwelijk?

Avatar
Geschreven door Today's Lawyer

Onderstaand artikel is een samenvatting van een eerder gepubliceerde bijdrage van mr. Alain Claes in Today’s Lawyer. Geïnteresseerd in het volledige artikel?

Raadpleeg de abonnementsvoorwaarden


De preventieve antiwitwaswetgeving (wet van 18 september 2017) voorziet in de verplichting voor de advocaat om, in het kader van limitatief opgesomde activiteiten, verdachte handelingen die wijzen op witwassen van geld of de financiering van terrorisme te melden aan zijn stafhouder. Kan een advocaat dan nog langer optreden in dit dossier of voor zijn cliënt? Er dient hierbij niet enkel rekening te worden gehouden met het wettelijk en deontologisch kader, maar de vraag gaat vooral naar het belang van vertrouwen in relatie tot de cliënt.

Wettelijk kader laat ruimte

In de strijd tegen het witwassen van geld en van de financiering van terrorisme (wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (vervangen door de wet van 18 september 2017)) wordt een meldingsplichtige entiteit verplicht om potentiële witwasverrichtingen te melden aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI). Indien de entiteit een verrichting meldt, dient zij in voorkomend geval ook te melden binnen welke termijn de verrichting moet uitgevoerd worden. Indien de CFI het door het ernstig of dringend karakter van de zaak nodig acht, kan zij zich binnen die uitvoeringstermijn verzetten tegen de uitvoering van de verrichting. Dit verzet verhindert de uitvoering van de verrichting tijdens maximaal 5 werkdagen (oorspronkelijk was dit maar 24 uur). Indien er binnen deze termijn geen verlenging wordt gemeld (waartoe het initiatief zal genomen worden door de procureur des Konings), mogen de ondernemingen of de personen de verrichting uitvoeren.

Nergens wordt in de wet bepaald dat na een melding er geen verrichting meer mag uitgevoerd worden of dat er geen relatie met de cliënt meer mag aangeknoopt of in stand gehouden worden.

Meldingsplicht en beroepsgeheim

Door de wetswijziging van 12 januari 2004 werd de meldplicht ook van toepassing op advocaten in het kader van limitatief opgesomde activiteiten. Van bij aanvang was het evenwel duidelijk dat er terdege zou moeten rekening worden gehouden met de eigenheid van het beroep van advocaat, in het bijzonder het beroepsgeheim.

Daarom werd voorzien dat er toch geen informatie moet gedeeld worden door de advocaat indien hij deze informatie van één van zijn cliënten ontvangt of over één van zijn cliënten verkrijgt wanneer hij de rechtspositie van zijn cliënt bepaalt, dan wel die cliënt in of in verband met een rechtsgeding verdedigt of vertegenwoordigt, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen. Indien deze uitzondering niet aanwezig is, wordt in de limitatief opgesomde gevallen het beroepsgeheim dus wel degelijk doorbroken door de advocaat. In die gevallen dient er dus melding te gebeuren aan de stafhouder, maar behoudens bij verzet, werd er nergens door de wet bepaald dat de relatie met de cliënt diende beëindigd te worden.

Het oude OVB-reglement liet geen ruimte

Het OVB-reglement in toepassing van artikel 38 en 39 van de wet van 11 januari 1993 (goedgekeurd op de algemene vergadering van 21 december 2011 (BS 30 december 2011, ed. 5)) bevatte niettemin wel een zeer duidelijke richtlijn.

Artikel 5.3 van het reglement bepaalde dat, indien de stafhouder de melding overmaakte aan de CFI, de advocaat verplicht was een einde te stellen aan zijn tussenkomst.

Laat het nieuwe OVB-reglement ruimte toe?

In het nieuwe OVB-reglement van 27 juni 2018 (BS 19 juli 2018) dat thans artikel 67 tot en met artikel 73 van de Codex Deontologie voor advocaten uitmaakt, werd deze verplichting tot stopzetting van de relatie aanvankelijk niet meer expliciet opgenomen.

Op 19 februari 2020 voerde de algemene vergadering van de OVB een verbod onder bepaalde voorwaarden toch terug in. Het gewijzigde art. 70, §4 van de Codex bepaalt dat “zodra de stafhouder de verklaring van het vermoeden van witwassen van geld of de financiering van terrorisme aan de Cel voor Financiële informatieverwerking overmaakt, licht hij de betrokken advocaat hierover in. De advocaat stopt onmiddellijk zijn tussenkomst zonder mededeling van die reden, tenzij hij toelating heeft van de stafhouder om verder op te treden.” Het principiële algemene verbod wordt dus terug ingevoerd, maar de stafhouder kan hier een uitzondering op toestaan.

Eigen verantwoordelijkheid primeert (na overleg met de stafhouder)

De mogelijkheid tot uitzondering op het verbod en de wettelijke mogelijkheid om de verrichting alsnog uit te voeren, hoeft uiteraard geenszins te impliceren dat elke advocaat ongestoord zijn relatie kan verderzetten met de cliënt nadat zijn melding door de stafhouder werd doorgemeld aan de CFI. Los van enig risico op mededaderschap aan een potentieel witwasmisdrijf als men bewust zou helpen bij een betwistbare handeling, dient men immers ook rekening te houden met de behoorlijke beroepsuitoefening als advocaat.

Essentieel voor een goede beroepsuitoefening is immers het bestaan van een vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt. Kan men nog stellen dat er vertrouwen bestaat als men zijn eigen cliënt of een verrichting die mogelijks wijst op laakbare handelingen meldt waarbij de cliënt betrokken is?

Overleg en bezint, eer je opnieuw begint (te werken in een dossier na een melding)!

Alain Claes – advocaat-vennoot Sherpa Law

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.