Het is niet betwist dat bij eenzijdige beëindiging van zijn opdracht, de advocaat gehouden is het dossier op eerste verzoek over te maken aan de cliënt of aan de opvolgende advocaat.
Geldt dit echter voor alle stukken van het dossier? Een recent arrest van het Hof van Cassatie verduidelijkt.
Vooreerst moet er worden aan herinnerd dat een cliënt te allen tijde de overeenkomst met zijn advocaat en zonder vergoeding voor de gederfde inkomsten voor latere diensten kan beëindigen, onder voorbehoud van rechtsmisbruik en van het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd.
Deze regel is gesteund op de vrijheid van keuze van advocaat voor de cliënt, vrijheid van keuze die wordt beschouwd als van openbare orde, omdat zij behoort tot de uitoefening van het recht van verdediging (Cass. 11 februari 2011, AR F.10.0018.F).
Dit gezegd zijnde, wordt van de advocaat wiens opdracht beëindigd is, verondersteld dat hij het dossier op eerste verzoek overmaakt aan de cliënt zelf, dan wel aan de advocaat die zich meldt als opvolger.
Wat de opvolgende advocaat aangaat, is dit geregeld in artikel 120, derde lid van de Codex Deontologie, dat luidt als volgt: “De opgevolgde advocaat maakt het dossier zo spoedig mogelijk over aan de opvolgende advocaat, samen met alle gegevens die voor de voortzetting ervan noodzakelijk zijn. Hij bezorgt zijn staat van kosten en ereloon zo spoedig mogelijk aan de cliënt en brengt de opvolgende advocaat daarvan op de hoogte. De opvolgende advocaat verzoekt de cliënt zorg te dragen voor de betaling van de staat van kosten en ereloon voor zover die niet wordt betwist”.
Het overmaken van het dossier aan de cliënt, wanneer deze geen opvolger aanduidt, werd niet door de Codex Deontologie geregeld, maar wordt geacht deel uit te maken van de plichten van toewijding en diligentie, die de voornaamste plichten van de advocaat zijn tegenover zijn cliënt (STEVENS J., Advocatuur – Regels & Deontologie, Orde van Advocaten Antwerpen, Wolters Kluwer, 2015, nr. 1251).
Zowel ten aanzien van de opvolger als ten aanzien van de cliënt zelf rijst dan de vraag welke stukken uit het dossier moeten worden overgemaakt.
Vaak wordt er zonder enige nuancering gesteld dat de advocaat geen retentierecht heeft op het dossier, zelfs indien zijn ereloon niet of slechts gedeeltelijk werd betaald.
Deze interpretatie lijkt prima facie ook in overeenstemming te zijn met de hogervermelde bepaling van de Codex, volgens dewelke van de opgevolgde advocaat blijkbaar wordt verwacht dat hij het hele dossier, “samen met alle gegevens die voor de voortzetting ervan noodzakelijk zijn”, zou overmaken aan zijn opvolger, zelfs indien hij niet werd betaald.
Is één en ander echter wel zo evident?
Het retentierecht, dat in ons recht lange tijd geen algemeen wettelijke grondslag kende, maar inmiddels als een zakelijke zekerheid en zakelijk recht werd opgenomen in Boek 3 van ons nieuw Burgerlijk Wetboek, houdt het recht in van de schuldeiser om de teruggave van een goed dat hem door zijn schuldenaar werd overhandigd of bestemd is voor zijn schuldenaar, op te schorten zolang zijn schuldvordering, die verband houdt met dat goed, niet is voldaan.
Het weze duidelijk dat het hier om een teruggave gaat en niet om de afgifte van goederen, die niet afkomstig zijn van de schuldenaar.
In een arrest van 4 april 2025 stelde het Hof van Cassatie met betrekking tot accountants en belastingadviseurs dat, wat het dossier aangaat, een onderscheid moet worden gemaakt al naargelang over welke stukken het gaat (Cass. 4 april 2025, RW 2024-25, 1559).
Het Hof van Cassatie oordeelde meer bepaald dat:
“Krachtens artikel 43 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur is de beroepsbeoefenaar ertoe gehouden om alle boeken, documenten en elektronische of andere gegevens die toebehoren aan de cliënt onverwijld uit handen te geven, wanneer deze erom verzoekt.
Uit deze bepaling volgt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de stukken die toebehoren aan de cliënt en anderzijds de stukken die de vrucht zijn van de werkzaamheid van de beroepsbeoefenaar en die slechts na betaling toekomen aan de cliënt.
De beroepsbeoefenaar is enkel ertoe gehouden de stukken die toebehoren aan de cliënt op diens eerste verzoek onverwijld over te maken. Hij is niet ertoe gehouden de stukken die de vrucht zijn van zijn beroepswerkzaamheid en waarvoor hij nog niet werd vergoed, aan de cliënt op diens eerste verzoek onverwijld over te maken.”
Het Hof van Cassatie oordeelde hier specifiek over de toepassing van artikel 43 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur.
Krachtens deze tekst is de beroepsbeoefenaar ertoe gehouden om alle boeken, documenten en elektronische of andere gegevens die toebehoren aan de cliënt, onverwijld uit handen te geven, wanneer deze erom verzoekt.
In het door het Hof gecasseerde arrest van het hof van beroep te Gent, oordeelden de appelrechters dat dit voorschrift een algemene draagwijdte heeft en geen enkele uitzondering kent en dat als enig criterium geldt dat de stukken verbonden zijn aan het dossier van de cliënt omwille van de contractuele dienstverlening en om die reden aan de cliënt toebehoren.
De appelrechters verwierpen de stelling dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen de stukken die toebehoren aan de cliënt en een ander deel dat toebehoort aan de beroepsbeoefenaar.
Het Hof van Cassatie heeft er anders over geoordeeld en beslist dat uit de wettelijke bepaling volgt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de stukken die toebehoren aan de cliënt en anderzijds de stukken die de vrucht zijn van de werkzaamheid van de beroepsbeoefenaar en die slechts na betaling toekomen aan de cliënt.
Kunnen uit dit arrest van het Hof van Cassatie conclusies worden getrokken voor de advocaat?
Vooreerst dient aangestipt te worden dat er zich doorgaans in een advocatendossier diverse stukken bevinden, die verschillend van aard zijn.
Er zijn overtuigingsstukken bezorgd door de cliënt, gespreksnota’s die de advocaat heeft opgesteld, aantekeningen of samenvattingen van opzoekingen, ontwerpen van nota’s met structuren en argumenten, die later al dan niet in conclusies worden gebruikt, officiële briefwisseling en vertrouwelijke briefwisseling met de cliënt en met de tegenstrever en de rechter en dan natuurlijk de procedurestukken zelf, waarvan dient aangenomen dat de dagvaarding, conclusies en verzoekschriften de vrucht zijn van de werkzaamheid van de advocaat.
Volgens de traditionele visie, die wordt vertolkt door Stevens (STEVENS J., o.c.; nr. 1037; advies Departement Deontologie VVB, nr. 92 (2000), auteur Stevens) houdt de teruggaveplicht in dat de advocaat aan de cliënt alle ter beschikking gestelde akten, documenten, stukken en voorwerpen, evenals alle procedurestukken, inbegrepen de door de advocaat reeds genomen conclusies moet overmaken, zelfs indien deze niet gedekt zijn door betaalde provisies of erelonen.
De afgifteplicht zou volgens dezelfde auteur niet gelden voor de vruchten van de arbeid van de advocaat waarvoor hij niet werd betaald, en als voorbeeld worden hier geciteerd, de persoonlijke nota’s, memories, doch in de algemene gangbare zin van samenvattingen van de zaak of van rechtsproblemen in verband met de zaak, aantekeningen over rechtspraak en rechtsleer.
Hier geldt dus geen verplichting tot afgifte, maar dat zou volgens Stevens dus niet gelden voor procedurestukken die evenwel op dezelfde wijze de vrucht van de arbeid zijn van de advocaat.
Op basis waarvan dit onderscheid kan worden gemaakt, is niet duidelijk.
Wat de vertrouwelijke briefwisseling aangaat, bestaat er geen discussie over dat deze niet aan de cliënt zelf kan worden overgemaakt. Doch de reden hiervoor is vreemd aan het retentierecht en gestoeld op de bescherming van de confidentialiteit en het beroepsgeheim.
Is er een opvolgende advocaat, dan rijst deze vraag wel, nu deze vertrouwelijke briefwisseling geacht kan worden deel uit te maken van de vruchten van de beroepsarbeid van de advocaat.
Evenwel schrijft artikel 120 van de Codex Deontologie voor dat de opgevolgde advocaat aan de opvolgende advocaat alle gegevens moet bezorgen die voor de voortzetting van de zaak noodzakelijk zijn, ongeacht of hij betaald is.
Dit geldt natuurlijk voor alle procedurestukken, maar meestal ook voor de relevante officiële en confidentiële briefwisseling, gespreksnota’s, opzoekingen, enz.
Eén en ander betekent dus dat het retentierecht en de afgifteplicht anders worden ingevuld wanneer een cliënt na zijn advocaat te hebben bedankt voor zijn diensten, een andere advocaat onder de arm neemt, dan wanneer hij dat niet doet maar zijn stukken terugeist, zonder de eerste advocaat te hebben betaald.
Deze verschillende behandeling kan niet redelijk worden verklaard, behoudens wat de vertrouwelijke briefwisseling betreft, die beschermd wordt door de confidentialiteit en het beroepsgeheim en dus om een reden vreemd aan het retentierecht.
Er zijn natuurlijk andere beoordelingselementen die in deze context kunnen spelen, zoals de urgentie en de schadebeperking, de al dan niet gegrondheid van de opdrachtbeëindiging, de al dan niet gegrondheid van een mogelijke ereloonbetwisting, die zowel door de cliënt als door de opgevolgde advocaat kunnen ingeroepen worden om de afgifteplicht of het retentierecht te rechtvaardigen.
In elk geval lijkt het hoger vermelde recente arrest van het Hof van Cassatie een al te extensieve interpretatie van de afgifteplicht te verwerpen en oog te hebben voor het belang van de niet-betaalde beroepsbeoefenaar.
Wellicht zal de advocatuur moeten wachten tot het Hof zich zal buigen over deze problematiek bij een advocatendossier en de verschillende invulling daarvan door de deontologie ten aanzien van de cliënt zelf en ten aanzien van de opvolgende advocaat.
Herman Buyssens, advocaat, Buyssens Advocaten Sociaal Recht



0 reacties