Hij is twaalf jaar. Ergens in dit land zit hij vanavond op zijn bed, zijn duim bewegend over een scherm in een ritme dat hij zelf niet bepaalt. Het algoritme heeft hem al geanalyseerd voordat hij zichzelf begrijpt. Hij is geen dossiernummer, hij is een kind dat morgen gewoon naar school gaat, lacht met vrienden en probeert te leven in een wereld die sneller draait dan het jeugdrecht dat hem moet beschermen.
De fundamenten van ons jeugdrecht zijn gebouwd op de gedachte dat wie de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, bijgestuurd moet worden. In de praktijk spreken we over een jeugddelict of een “als misdrijf omschreven feit” (MOF) wanneer het gaat om een strafbaar feit gepleegd door een minderjarige. De wet hanteert een onweerlegbaar vermoeden van niet-verantwoordelijkheid voor wie jonger is dan twaalf jaar. Jongeren tussen twaalf en achttien jaar krijgen in principe geen straffen opgelegd maar herstelgerichte maatregelen, waarbij vanaf zestien jaar een uithandengeving een optie blijft. Maar deze fundamenten rusten op een wereld die niet langer bestaat. Het was een wereld waarin invloed stopte bij de rand van de straat, niet in een wereld waarin een groepschat 24/7 in je broekzak trilt. Het huidige systeem is echter niet berekend op deze constante, oncontroleerbare, digitale groepsdruk. De wereld van vandaag is fundamenteel anders dan de wereld van gisteren.
Jeugdgeweld kan dan ook niet gereduceerd worden tot een louter individuele keuze. Voor een jongere is een bende of een groep vaak geen bewuste keuze voor het kwaad, maar een zoektocht naar wat elders ontbreekt: loyaliteit, structuur en erkenning. In die dynamiek waar de samenhorigheid de bovenhand neemt, vervaagt de individuele stem. Misschien niet volledig, maar voldoende om feiten te plegen die men anders niet zou durven, zelfs wanneer elke vezel in het lichaam zegt dat het moet stoppen. De digitalisering versterkt dit, de druk van de groep slaapt nooit en wordt om twee uur ’s nachts niet meer bijgestuurd door volwassenen, maar enkel bevestigd door de groepschat.
De publieke opinie wijst in dergelijke dossiers steevast met een beschuldigende vinger richting het gezin. Hoewel de wet de verantwoordelijkheid van ouders erkent en de rechter kan bevelen dat met hen delictgericht wordt gewerkt, zien we in de praktijk vaak geen slechte mensen, maar wel overbelaste gezinnen. Het gaat om gestresseerde milieus waar bijvoorbeeld armoede niet enkel een gebrek aan middelen is, maar een chronisch gebrek aan mentale ruimte, tijd en energie om aanwezig te zijn. Wanneer het systeem deze diepgewortelde maatschappelijke problemen, zoals slechte huisvesting en financiële precariteit, reduceert tot een louter “opvoedingsprobleem”, faalt het in zijn fundamenten. Men probeert dan gedrag te corrigeren terwijl de wortels onaangeroerd blijven. Het is als het plakken van een pleister op een houten been.
Bovendien is het jeugdrecht vaak pas aan zet wanneer het kalf al verdronken is. Als we de media moeten geloven, word het jeugdgeweld steeds bruter en couranter. Dit voedt een schreeuw vanuit de maatschappij die pleit om strengere straffen en lagere leeftijdsgrenzen. Toch nuanceren de cijfers dit beeld. MOF-dossiers vormen immers de minderheid binnen het totale aanbod, en de instroom van dossiers rond “verontrustende situaties” (VOS) stijgt met 26% veel sterker dan die van de delicten zelf, die slechts met 3% toenemen. De focus ligt daarbij sterk op uitzonderlijke brute feiten, zoals de zaak waarbij een jongere door leeftijdsgenoten in brand werd gestoken. Hoewel dergelijke feiten afschuwelijk zijn, blijven ze volgens de rechtbanken uitzonderlijk en niet representatief voor het merendeel van de jeugddelicten. We zien een systeem dat onder druk staat. Onze jeugdinstellingen kampen met enorme capaciteitsproblemen. In 2024 werden meer dan 2.000 jongeren opgenomen in een gesloten instelling, een stijging van maar liefst 12%. Voor het eerst zien we meer dan 100 jongeren onder de 14 jaar in deze setting. De echte uitdaging in het jeugdrecht ligt dus niet in harder straffen, maar wel in de preventie die vandaag botst op administratieve kluwens en uitzichtloze wachtlijsten.
Ook onze maatschappelijke structuren zoals het onderwijs tonen zich vaak te rigide. Jongeren die niet in het klassieke keurslijf passen, worden te snel uitgesloten, wat hen rechtstreeks in de armen van de groepslogica drijft. Jongeren zijn biologisch vroeger rijp, maar nemen later deel aan de maatschappij. De zogenaamde maturity gap werkt heel wat frustratie en grensoverschrijdend gedrag in de hand. Om deze frustratie te kanaliseren en hun verlangen naar onafhankelijkheid te benadrukken, gaan jongeren vaak experimenteren met gedrag dat de grenzen van de wet opzoekt. Het overtreden van regels wordt dan een krachtig symbool van autonomie en een manier om aandacht van de volwassen wereld op te eisen. In deze zoektocht naar een eigen identiteit kiezen zij vaak ‘stoere’ of delinquente leeftijdsgenoten als rolmodel, omdat zij de indruk wekken al buiten de ouderlijke macht te staan. Pas wanneer de jongvolwassenheid echt aanbreekt en er nieuwe dingen op hun pad komen zoals een vaste baan of een stabiele relatie, verdwijnt bij de meeste jongeren de noodzaak voor deze rebelse identiteit en dooft het delinquente gedrag weer uit. Helaas komt dat voor sommige jongeren pas wanneer het al te laat is.
Het is inmiddels drie uur ’s nachts. Hij scrolt nog steeds verder. De groepschat heeft beslist om morgen samen te komen. Hij weet niet of hij een keuze heeft. Als hij morgen feiten pleegt, zal het systeem in actie schieten, een rechter zal zijn context afwegen en een maatregel opleggen. Maar vanavond, in de stilte van zijn kamer, is er geen vangnet. De wereld draait sneller dan het jeugdrecht dat hem moet beschermen. Dat is waar het misloopt.
En dat is waar wij falen, niet het systeem, maar ieder van ons.
Laly Vanuxem en Thibault Dirickx – Brussels Law School Consultancy



0 reacties