De maanden juli en augustus ademen vakantie uit. Dat geldt overal in de samenleving, maar niet in het minst bij justitie. Stuur nu een mail naar vijf advocaten en je krijgt opvallend snel (maar helaas via een automatisch antwoordsysteem gegenereerd) antwoord, want zo laten afwezigen dan van zich horen. De ene houdt het bescheiden bij de mededeling dat hij/zij enkele dagen met vakantie is (of omfloerster “niet bereikbaar is wegens een verblijf in het buitenland”) en de respondent terecht kan bij de medewerk(st)er of de kantoorgenoot en zij zelf de mails pas bij hun terugkeer zullen lezen. Anderen preciseren dat ze hun mails slechts sporadisch zullen lezen, waarmee ze zichzelf al bij voorbaat lijken te willen exonereren voor het geval de cliënt toch een termijngebonden dringend verzoek zou sturen. Dit jaar ontving ik zelfs een reply van een confrater met de kurkdroge mededeling dat hij tijdens zijn vakantie in het geheel geen mails zou lezen en dat wie daarna een snel antwoord verwacht toch maar best na het aangegeven einde van de vakantieperiode opnieuw een mail stuurt. De betrokken confrater is curator en voelt niet echt de hete adem van hopeloze cliënten.

Nog anderen hebben een zodanig internationaal cliënteel dat het automatisch antwoord enkel in het Engels is opgesteld. Dat is in dit complexe land natuurlijk best begrijpelijk, maar het geeft inhoudelijk geen aanleiding tot wezenlijk verschillende boodschappen.

Het is in deze vakantietijden voor gerechtsdeskundigen dan ook geen sinecure om installatievergaderingen te organiseren en de resultaten van de doodles komen steevast uit op begin september, al lijken nu ook steeds meer advocaten dat de geschikte periode te vinden voor een tijdelijke break.

De balie leeft dus twee maanden in slow motion, al wil niemand dat graag gezegd hebben. De meest terughoudende ‘automatic reply’s’ lijken overigens door al even snelle reacties te worden gevolgd wanneer de inhoud van de mail de respondent zint of goed uitkomt. Niets is dus wat het lijkt en vakantie is een rekbaar begrip. Het zal het gevolg zijn van louter toeval dat precies die mails sporadisch razendsnel worden gelezen én beantwoord.

De advocatuur leeft dus in een periode van stille chaos. Dat was vroeger niet anders bij de rechtbanken en hoven. Gedurende twee maanden viel alles er stil. Die maanden werden zelfs als onbestaande beschouwd. Een magistraat kon toen nog eind juni doodleuk orakelen dat er over een maand een vonnis zou worden uitgesproken, waarmee dan eind september bedoeld werd. Die gekke toestanden zijn overigens nog altijd niet echt uitgeroeid.

Er zijn nu wel steeds magistraten die voor hun eigen mentale welzijn hun vonnissen en arresten willen uitspreken vooraleer ze zelf met vakantie vertrekken. Wanneer dit niet lukt, blijft het een raadsel wanneer die uitspraak er komt. Alleen een onverlaat waagt het om in die vakantieperiode de griffie te contacteren en krijgt dan zelden een betrouwbaar antwoord, maar in ieder geval de zekerheid dat de telefonische vraag in de periode niet echt welgekomen is.

De juridische wereld zet zichzelf dus gedurende twee maanden “on hold”. Er zijn natuurlijk vakantiezittingen, waar jonge en onervaren medewerkers van de topadvocaten gaan pleiten bij gelegenheidsrechters die niet vertrouwd zijn met de materie die ze tijdelijk moeten behandelen. Dat zorgt soms voor verrassende rechtspraak, als is het maar zeer de vraag of dat gebricoleer bijdraagt tot de rechtsstaat.

Natuurlijk heeft iedereen recht op vakantie en uiteraard is het fenomeen niet uitsluitend iets van de juridische wereld, maar de perceptie is toch dat in bijvoorbeeld ziekenhuizen de continuïteit van de dienst een iets performantere invulling krijgt.

Het moet misschien alle actoren van justitie aanzetten tot collectieve reflectie. Het kan niet zijn dat enerzijds de rechtsbedeling een essentiële dienst is, maar anderzijds die dienstverlening maar tien maanden per jaar wordt gegarandeerd. Rechters hebben recht op vakantie, maar de vraag is of het absoluut nodig is dat ze dat allemaal gelijktijdig doen. En advocaten moeten zich misschien de vraag stellen hoe hun attitude en communicatie door de rechtzoekende (de burger) wordt gepercipieerd.

Of misschien zal de conclusie zijn dat justitie dan toch niet zo van levensbelang is, het niet op enkele maanden steekt en er geen enkele nood is om de actuele tendensen te volgen van grote beschikbaarheid voor de cliënten. Justitie is natuurlijk geen supermarkt met lange openingsuren en ook geen onderneming die continu bereikbaar wil zijn. Toch past het om bij de huidige dienstverlening wat vragen te stellen.

Hugo LAMON

***

Meer blogposts lezen van Hugo Lamon? Dat kan hier!

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.