Zelfstandigen en bedrijfsleiders worden door de overheid aangemoedigd om hun wettelijk pensioen aan te vullen via de opbouw van een aanvullend pensioen. Eén van de meest gekende manieren om een aanvullend pensioen op te bouwen is via een individuele pensioentoezegging (IPT) waarbij vennootschappen (fiscaal aftrekbare) premies storten ten voordele van hun bedrijfsleiders.
Tegelijk merken we in de praktijk dat voor de fiscale administratie de IPT-premies vaak een doorn in het oog zijn. Zij betwist steeds vaker de aftrekbaarheid van de IPT-premies. Daarbij gaat zij driester en recent ook creatiever te werk om de aftrek van deze premies te verwerpen.
De aftrekbaarheid van IPT-premies: steeds meer in het vizier van de fiscus
Een belangrijke voorwaarde voor de aftrekbaarheid van de gestorte IPT-premies is het voldoen aan de zogenaamde 80%-regel. Deze regel houdt in dat het aanvullend pensioen niet hoger mag zijn dan 80% van de laatste normale brutojaarbezoldiging minus het geschatte wettelijk pensioen, rekening houdend met de reeds gepresteerde loopbaan en de nog te presteren jaren tot de wettelijke pensioenleeftijd. Bovendien mag voor de 80%-regel enkel rekening gehouden worden met de bezoldigingen die regelmatig worden toegekend.
In het verleden viel de fiscus de aftrekbaarheid van de IPT-premies klassiek aan op 2 manieren.
Regelmatig betaald loon.
Vooreerst viseerde zij de regelmatigheid van de bezoldiging waarbij zij argumenteerde dat enkel de bezoldigingen die strikt maandelijks werden toegekend, meetelden voor de toepassing van de 80%-regel. Op basis van de geldende rechtspraak wordt algemeen aangenomen dat een strikte maandelijkse toekenning niet is vereist maar dat het voldoende is de bezoldigingen regelmatig (in de zin dat ze gelijkmatig gespreid zijn over het jaar) en periodiek (in de zin dat ze aansluiten bij de periodiciteit van bezoldigingen van werknemers) zijn betaald of toegekend. Het loutere feit dat bepaalde maanden geen bezoldiging werd toegekend is dan ook geen reden om de overige toegekende bezoldigingen uit te sluiten voor de toepassing van de 80%-regel.
Stopzetting activiteit in het verschiet
Bovendien viseerde zij de (volledig legale) backservice die werd toegekend op het moment dat de bedrijfsleider zijn pensioengerechtigde leeftijd naderde en de stopzetting van de activiteit niet lang erna volgde. Deze backservice, die een aanvullende bezoldiging betreft, zou immers niet gedaan zijn met het oog op het behouden of verkrijgen van belastbare inkomsten. Volgens de fiscus is het niet normaal om aan een persoon “fin de carrière” nog een uitzonderlijke verloning toe te kennen.
Recentelijk hebben wij vastgesteld dat de fiscus nu twee versnellingen hoger schakelt in haar strijd tegen de IPT-premies.
Terminaal zieke bedrijfsleider? Geen recht op aftrek!
Een bedrijfsleider, geconfronteerd met een zware en terminale ziekte, probeerde het handelsfonds van zijn vennootschap te verkopen zonder dat daarbij de vennootschap werd vereffend. In het jaar van de verkoop van het handelsfonds, waarbij een uitzonderlijke opbrengst werd gerealiseerd, betaalde de vennootschap een backservice voor de uitzonderlijke prestatie van de bedrijfsleider. Bovendien leverde de vennootschap – door middel van haar bedrijfsleider – nog gedurende meer dan twee jaar na de overname prestaties aan de overnemer van het handelsfonds, waarvoor deze vergoedingen kreeg en werd een earn out betaald op het handelsfonds in functie van de effectief behouden omzet binnen de overnemende vennootschap.
Ondanks het duidelijke oogmerk van de vennootschap om belastbare inkomsten te verkrijgen met de backservice, verwierp de fiscus de aftrekbaarheid. Heel bijzonder is dat de fiscale administratie nu stelt – en dit op basis van een interne instructie – dat zij geen rekening kan houden met het uitzonderlijke resultaat dat de vennootschap behaalde in het jaar van de toekenning van de IPT via backservice. Opdat een IPT aftrekbaar zou zijn mag ingevolge een interne instructie enkel nog gekeken worden naar opbrengsten gehaald in jaren na de uitbetaling van de IPT.
80%-regel in het licht van de antimisbruikbepaling: Ambtenaren voeren vergeldingsacties voor de pensioenhervorming van de regering De Wever!
In een ander recent dossier ging de fiscus nog een stap verder. Voor het berekenen van de “normale brutojaarbezoldiging” was de fiscus van oordeel dat het gemiddelde loon van de bedrijfsleider over zijn gehele loopbaan van meer dan 40 jaar in rekening moest worden genomen. Op basis hiervan berekende zij een “loonplafond” dat zes keer lager lag dan de normale brutojaarbezoldiging die was toegekend aan de bedrijfsleider in dat jaar waardoor de aftrek van alle IPT-premies werd verworpen.
Het spreekt voor zich dat de bedrijfsleider, meer dan 40 jaar geleden, bij de opstart van zijn activiteiten slechts een zeer beperkte winst realiseerde en zich dus ook nagenoeg geen loon kon uitkeren, waardoor het gemiddelde loon over die 40 jaar beduidend lager lag. De fiscus beweerde dat de vennootschap overdreven bedrijfsleidersbezoldigingen had toegekend aan haar bedrijfsleider (die nochtans zeer zwaar belast worden in de personenbelasting) met als uitsluitende bedoeling om de toepassing van de 80%-regel te omzeilen, hetgeen fiscaal misbruik zou uitmaken. Het feit dat de vennootschap – dankzij de prestaties van haar bedrijfsleider – haar omzet de laatste tien jaar zag stijgen met meer dan 1000%, was volgens de fiscus niet relevant.
Zoete wraak…
De fiscus durfde zelfs te beweren dat deze verwerping ook gerechtvaardigd was omdat de regering De Wever de intentie heeft om het referentieloon voor de pensioenberekening van ambtenaren(!) op te schuiven van de laatste 10 jaar naar de volledige loopbaan. Op basis van artikel 59, §1, 2° WIB (specifieke antimisbruikbepaling tav loonsverhogingen op korte termijn om IPT-premies te kunnen verhogen) meent zij dat de 80%-regel nu moet worden beoordeeld tav de verloning over de gehele loopbaan van de belastingplichtige….
“Het gemiddeld geherwaardeerd loon over de gehele loopbaan bedraagt 39.000 euro. Dit is inclusief loon van andere vennootschappen (vennootschappen waar ook IPT contracten zijn afgesloten) gedurende de periode 1985-2013. Deze periode is relevant omdat uit circulaire 243/336.365 dd. 31.01.1983 duidelijk blijkt dat het de intentie is van de wetgever om het pensioen van werknemers/zelfstandigen te laten aansluiten bij het ambtenarenpensioen. In het regeerakkoord van de huidige regering staat de intentie van de huidige regering: voor ambtenaren zal het referentieloon voor de pensioenberekening geleidelijk verschuiven van de laatste 10 jaar naar de volledige loopbaan.”
Hierin lezen wij toch enige (persoonlijke) rancune tegen de beleidsplannen van de regering De Wever. De enigszins absurde uitbreiding van de 80%-regel naar de HELE LOOPBAAN voor bedrijfsleiders wordt immers uitdrukkelijk gemotiveerd in verwijzing naar de pensioenhervorming voor ambtenaren. Met andere woorden: wat voor ons ambtenaren geldt, zullen wij nu ook toepassen ten aanzien van bedrijfsleiders. Bij gebreke aan wettelijke basis maakt dit argument uiteraard geen enkele kans, maar de betreffende ambtenaren maken wel even duidelijk (op kosten van de belastingbetaler en met aanzienlijke schade voor de geviseerde belastingplichtigen) wat zij menen over de pensioenhervorming van de regering De Wever…
Het is duidelijk dat de fiscus steeds vaker probeert op allerhande (onwettige) manieren de aftrekbaarheid van IPT-premies te verwerpen. Hiervoor steunt ze op zelf opgestelde formules, die nergens wettelijk verankerd zijn.
Indien de aftrekbaarheid van uw premies wordt betwist door de fiscus, is het cruciaal om uw mogelijkheden zorgvuldig te onderzoeken om de kans op behoud van deze aftrek te maximaliseren. Voorkom problemen ook door het moment van de uitbetaling van een backservice goed te timen en de uitbetaling ervan aan de bedrijfsleider te documenteren en onderbouwen.
Cazimir



0 reacties