Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat in Hasselt. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie van vrije beroepen. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie. Iedere week verschijnt zijn column “LAMON op woensdag” op Jubel.be .

Er is al enige tijd veel te doen over de vraag hoe het ereloon van een advocaat moet worden berekend en op welke wijze hierover met de cliënt moet worden gecommuniceerd. Het Hof van Cassatie heeft zich in drie arresten van 9 september 2022 al uitgesproken over de rol die de raad van de orde kan spelen in de beoordeling van de hoogte van het ereloon.

In een van die arresten werd ook geoordeeld dat de bepaling van artikel 446ter Ger.W. (dat toelaat dat het ereloon wordt begroot door de advocaat zelf via de zogenaamde ‘partijbeslissing’) niet strijdig is met de informatieverplichting van de advocaat zoals die voortvloeit uit artikel 5.1 c) van de Richtlijn Consumentenrechten 2011/83/EU (zoals omgezet in art. VI.2,3° WER). Een inbreuk op die informatieverplichting zou enkel leiden tot precontractuele aansprakelijkheid (in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek) en “als dusdanig” worden gesanctioneerd. Sommigen hebben hier, nogal voorbarig, uit afgeleid dat de regeling van de partijbeslissing bij advocatenerelonen de toets van het Europees recht kon doorstaan.

Een beding in een ereloonovereenkomst dat zich beperkt tot het vermelden van het uurtarief voldoet niet aan de vereiste dat bedingen “duidelijk en begrijpelijk” moeten worden geformuleerd

Het debat kan nu worden heropend in het licht van een belangrijk arrest dat het Hof van Justitie vandaag (12 januari) velde en waarin het antwoordde op prejudiciële vragen van een Litouwse rechter (HvJ 12 januari 2023, C-395/21, DV t MA). In het arrest wordt de vraag onderzocht of een advocaat die in een relatie met een particuliere cliënt een ereloonafspraak maakt waarin hij meldt welk uurtarief zal worden gehanteerd (en zich daartoe beperkt) wel in overeenstemming is met het Europees recht. Het antwoord is duidelijk: neen.

Het Hof van Justitie onderzoekt of een dergelijke afspraak voldoet aan de vereiste uit de Richtlijn Consumentenbescherming dat het “eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” op een transparante wijze moet worden uiteengezet, zodat de consument (cliënt) op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die voor hem uit dat beding voortvloeien kan inschatten. Een beding in een ereloonovereenkomst dat zich beperkt tot het vermelden van het uurtarief “zonder dat de consument vooraf informatie ontvangt die hem in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid een beslissing te nemen op basis van volledige informatie over de economische consequenties die deze overeenkomst met zich brengt” voldoet niet aan de vereiste dat bedingen “duidelijk en begrijpelijk” moeten worden geformuleerd.

Het Hof van Justitie doet ook uitspraak over de gevolgen van een dergelijke schending van het Europees recht. De nationale rechter is verplicht het beding buiten toepassing te verklaren “tenzij de consument zich daartegen verzet”, wat in geval van mangelende ereloonafspraken natuurlijk niet aan de orde is. Het Hof zegt wel duidelijk dat de toepassing van het Europees recht ertoe kan leiden dat de advocaat geen vergoeding voor zijn diensten ontvangt. Het Hof zegt ook wel dat het Europees recht er zich niet tegen verzet dat de nationale rechter het nietige beding “verhelpt” door het te vervangen door een nationale regeling van aanvullend recht, maar dat het de rechter niet toegestaan is de nietige ereloonafspraak te vervangen door een eigen begroting van het ereloon.

Het arrest vergt nog verdere grondige studie om precies de gevolgen ervan in te schatten voor de Belgische regeling zoals voorzien in artikel 446ter Ger.W. In eerste reactie lijkt het alvast zo te zijn dat indien het Hof van Justitie een ereloonafspraak die een uurtarief vermeldt een onduidelijk en nietig beding vindt, dit zeker geldt voor een ereloonafspraak waarin zou verwezen worden naar artikel 446ter Ger.W. en waarin dan gezegd wordt dat de advocaat op het einde van de rit zelf “met billijke gematigdheid” het ereloon zal bepalen. Dat geldt nog meer wanneer er in het geheel geen ereloonafspraak wordt gemaakt.

Het arrest van het Hof van Justitie moet de Belgische wetgever aanzetten om die aftandse regeling in artikel 446ter Ger.W. af te schaffen. Het is ook duidelijk dat advocaten ten aanzien van een particuliere cliënt voldoende informatie moeten verschaffen zodat die bij aanvang van de zaak kan inschatten wat de tussenkomst van de advocaat zal kosten. Het is dus niet voldoende om louter ereloontarieven te melden.

Het arrest van het Hof van Justitie moet de Belgische wetgever aanzetten om die aftandse regeling in artikel 446ter Ger.W. af te schaffen

Dat is niet echt wereldschokkend nieuws, maar het nieuwste arrest van het Hof van Justitie geeft duidelijk aan dat die Europeesrechtelijke verplichtingen best door iedereen ernstig worden genomen. Het miskennen van de regels van consumentenbescherming kan immers verstrekkende gevolgen hebben.

Iedereen weze dus nogmaals gewaarschuwd.

Hugo Lamon – Lees hier eerdere columns van Hugo Lamon

Lees meer artikels over het ereloon van de advocaat:


Op de hoogte blijven van alle nieuwigheden binnen de juridische en fiscale wereld?
Volg Jubel.be op LinkedIn

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat in Hasselt. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie van vrije beroepen. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie. Iedere week verschijnt zijn column “LAMON op woensdag” op Jubel.be .

Bekijk alle artikelen

2 reacties

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  • Beste Hugo,

    Persoonlijk vind ik dit arrest van 12 januari 2023 niet echt wereldschokkend, en zie ik evenmin enige reden om de partijbeslissing zoals voorzien in 446ter de schop op te jagen. Zoals het Hof uiteenzet in dit arrest – waarin door de Litouwse cassatierechter een prejudiciële vraag werd gesteld – moet het voorwerp van de (advocaten)overeenkomst met de cliënt een duidelijk en begrijpelijk voorwerp hebben. Om te begrijpen wat men precies bedoelt met ‘duidelijk en begrijpelijk’ stelt het Hof dat men dit ruim moet opvatten. Men kan van de ondernemer (advocaat) niet eisen dat hij de consument informeert over de uiteindelijke financiële consequenties van zijn verbintenis, die afhangen van onvoorzienbare toekomstige gebeurtenissen waarover hij geen controle heeft. Maar de informatie die moet verstrekt worden voor het sluiten van de overeenkomst, moet de consument wel in staat stellen om met de nodige voorzichtigheid een beslissing te nemen. Die informatie kan variëren naargelang de aard van de prestaties, maar ook naargelang de toepasselijke beroeps- en gedragsregels. Zo kan de advocaat – nog steeds volgens het Europees Hof in dit arrest – een raming geven van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is, of met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen bezorgen waarin het aantal reeds gepresteerde uren wordt vermeld.

    Ik lees geen argument om de partijbeslissing te bannen. Overigens, dat het voorwerp van de verbintenis tot het betalen van het ereloon bepaald of bepaalbaar moet zijn – met of zonder partijbeslissing – was bij ons reeds van toepassing voor het WER, en het nieuw verbintenissenrecht heeft daar ook niets aan gewijzigd.

    Bovendien ontsnapt mij telkens weer waarom men de partijbeslissing wil afschaffen; dat de zogenaamde billijke gematigdheid en de inhoud ervan aan vernieuwing toe is zal ik niet ontkennen, maar daarom ook de partijbeslissing afschaffen zonder meer lijkt men onnodig. In ieder geval zal het niet bijdragen tot wat advocaten en cliënten wensen: transparantie, voorspelbaarheid.

    Op 16 februari wordt er nog eens een studienamiddag over advocatenerelonen gehouden. We kunnen dan verder discussiëren.

    • Hoe het zelf en eenzijdig bepalen door een advocaat van zijn ereloon – wat dat is de partijbeslissing – kan voldoen aan de voorwaarden van transparantie voor de cliënt zoals gevraagd door het hof van justitie ontgaat mij.
      Het hangt er natuurlijk van af welke definitie men geeft aan de ‘partijbeslissing’. Dat lijkt toch te betekenen dat de advocaat eenzijdig na het verstrekken van zijn diensten de prijs van prestaties kan bepalen.
      uw stelling dat “de advocaat – nog steeds volgens het Europees Hof in dit arrest – een raming geven van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is, of met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen bezorgen waarin het aantal reeds gepresteerde uren wordt vermeld” is juist, maar in ons land geen deontologische verplichting heeft inzake communicatie over erelonen (er kan in dat misschien wel inspiratie gevonden worden in Nederland).
      Die verplichting tot tussentijdse informatie opent ook een ander interessant debat, nu de informatieverplichting dan niet enkel betrekking heeft op de precontractuele fase.