De juridische wereld geraakt in de ban van artificiële intelligentie. AI kan goed overweg met taal en laat dat nu precies een cruciale rol spelen in het recht. Wie als advocaat te lang wacht, lijkt hulpeloos achterop te geraken en zichzelf uit te markt te laten verdringen. Op allerlei studiedagen wordt gepredikt dat tegen 2030 ongeveer tachtig procent van het klassieke kantoorwerk op een advocatenkantoor sneller, beter en vooral goedkoper zal gebeuren door AI.
De advocaat zal zich bovendien niet meer onderscheiden door de juridische kennis, maar wel door zijn strategisch inzicht door het recht op de juiste wijze in te zetten. Die boodschap verdient wel enige nuancering. Twee voorbeelden uit de juridische actualiteit van deze week tonen aan dat juridische kennis er wél toe doet en de verheldering niet echt via AI komt maar wel via gedegen – menselijke – kennis en toelichting.
Het klinkt wat als oude-mannen-praat, maar er was een tijd dat een gewone gemiddelde jurist nog enig overzicht kon bewaren over alle takken van het recht. De toenemende complexiteit maakt dit allerminst eenvoudig. Zelfs beschouwende stukjes zonder veel diepgang schrijven over de juridische actualiteit is soms een huzarenstuk.
Wie niet over de gespecialiseerde kennis beschikt, zou de indruk kunnen krijgen dat de rechtbank graag terugkeert naar het papieren tijdperk
Deze week werd via LinkedIn het tussenvonnis van 22 april van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren-Borgloon verspreid. De rechtbank stelt daarin ambtshalve een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof over het gebruik van het digitaal platform JustRestart (de digitale tool voor de afhandeling van collectieve schuldenregelingen). De wet verplicht rechtspersonen om op dat platform een account te hebben en uitsluitend digitaal te communiceren met de schuldbemiddelaar en de rechtbank. Die verplichting geldt echter niet voor natuurlijke personen en in het buitenland gevestigde rechtspersonen, die nog via de klassieke (papieren) weg kunnen communiceren. In het concrete dossier waarover de rechtbank moest oordelen beschikten een aantal rechtspersonen niet over een dergelijk (nochtans wettelijke verplicht) digitaal account en laat de wet niet toe dat via de papieren weg met hen contact wordt opgenomen. De rechtbank stelt zich de vraag of dat geen schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank denkt dat voor deze verschillende behandeling “geen redelijke en objectieve verantwoording (lijkt) te bestaan”, alhoewel de rechtspersonen manifest in strijd met de wet handelen. Wie niet over de gespecialiseerde kennis beschikt, zou de indruk kunnen krijgen dat de rechtbank graag terugkeert naar het papieren tijdperk en die digitale hocus pocus toch maar niets vindt. Zelfs onwetenden voelen dat dit allicht niet de bedoeling is, maar waar blijven de specialisten om die kwestie voor een bredere kring van geïnteresseerden helder te duiden en uit te leggen dat het niet een beloning is voor wie de wet niet wil naleven?
Eenzelfde gevoel bekruipt de geïnteresseerde burger (inclusief de niet in het strafrecht gespecialiseerde jurist) bij het vernemen van de beslissing van de raadkamer die de advocate naar de correctionele rechtbank verwees voor hacking. Zij was het die de fraude bij het magistratenexamen bij de Hoge Raad voor de Justitie aan het licht bracht. De feiten kwamen reeds eerder breedvoerig in de media aan bod en werden nooit tegengesproken. De betrokkene ontdekte de fraude door in de mailbox van haar stagiair te snuffelen en bezorgde die informatie aan een hoge magistraat, die op zijn beurt de Hoge Raad voor de Justitie informeerde. De frauderende magistraat nam ontslag uit de Hoge Raad en later volgden tucht- en strafprocedures tegen verschillende magistraten die bij de fraude betrokken waren.
De zaak geeft in bepaalde media aanleiding tot allerhande speculaties en complottheorieën, wat niet goed is voor het vertrouwen in justitie
Volgens bepaalde media dient nu ook de advocate die de fraude ontdekte – en de samenleving voor erger onheil behoedde – zich strafrechtelijk te verantwoorden. Dat zorgde in bepaalde media voor de zure oprisping dat “men enthousiaster is om een klokkenluidster te vervolgen dan frauderende magistraten”. Het zou interessant zijn indien specialisten in het strafrecht dit verhaal nader zouden duiden. Er is natuurlijk het vermoeden van onschuld en de strafrechter dient zich nog over de zaak uit te spreken, maar waar blijft de duiding van gezaghebbende stemmen? De zaak geeft in bepaalde media aanleiding tot allerhande speculaties en complottheorieën, wat niet goed is voor het vertrouwen in justitie.
In die twee voorbeelden past het om, in afwachting van de beslechting van het geschil door de bevoegde rechtbank, enige terughoudendheid aan de dag te leggen. Maar in deze hectische samenleving wordt er nu reeds om een reactie gevraagd. Dat ligt uiteraard moeilijk voor de betrokken rechtscolleges, maar waar blijft de juridische gemeenschap om dit te duiden? Deze efemere kroniekschrijver heeft geen pasklaar antwoord en kijkt zelf reikhalzend uit naar de verhelderende commentaar van de specialisten.
De toepassing van het recht mag onbegrijpelijk zijn, als het maar met de nodige nuance gekaderd en geduid wordt.
Hugo Lamon
Lees hier de wekelijkse column van meester Hugo Lamon over Justitie.
Op de hoogte blijven van alle nieuwigheden binnen justitie, advocatuur en de juridische en fiscale wereld? Volg Jubel.be op LinkedIn.




0 reacties