Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat in Hasselt. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie van vrije beroepen. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie. Iedere week verschijnt zijn column “LAMON op woensdag” op Jubel.be .

Advocaten die wijzen op procedurefouten worden vaak met de vinger gewezen. Het lijkt er volgens de goegemeente op alsof ze daarmee de aandacht van de zaak zelf willen afhouden door over formaliteiten te beginnen. In strafzaken worden ze als “procedurepleiters” omschreven. Het trollenleger van de sociale media geeft hen zelden een warm onthaal. Ook in het burgerlijk procesrecht wordt het opwerpen van een proceduremiddel vaak als een misplaatste bananenschil beschouwd. Het zou ervoor zorgen dat de zaken niet vooruitgaan. Die discussie is soms niet vies van enig populisme, zodat wat nuancering niet misplaatst is.

De vroegere regeling in het burgerlijk proces was vrij eenvoudig: er zijn een aantal vormvereisten en wanneer die niet worden nageleefd is de proceshandeling nietig. Er werd in het burgerlijk proces daarbij en onderscheid gemaakt tussen absolute nietigheid en relatieve nietigheid. Wanneer een in de wet opgesomde essentiële vormvereiste niet werd nageleefd was er sprake van absolute nietigheid, wat betekende dat ook de rechter dit ambtshalve (en dus zonder dat een partij erom vroeg) moest onderzoeken. Voor de door de wetgever minder essentieel geachte procedureregels was er sprake van relatieve nietigheid, wat betekende dat de benadeelde partij dit moest opwerpen voor alle andere verweer en ook (belangen)schade moest aantonen.

In 2015 werd met de eerste Potpourri-wet dit onderscheid afgeschaft, omdat de wetgever vond dat al die procedureregels de rechtbank nodeloos van hun échte werk afhielden. Voortaan zou de rechter het niet naleven van de procedure niet meer spontaan onderzoeken en moest de benadeelde partij altijd belangenschade bewijzen. In 2018 werd daaraan toegevoegd dat de rechter dan meteen ook een herstelmaatregel moest bevelen om zo de schade te herstellen en de gevolgen van de nietigheid tot een minimum te beperken.

Omdat in de wet op het taalgebruik in gerechtszaken ook een absolute nietigheid was voorzien (een processtuk waarin passages in een andere taal dan de proceduretaal voorkomen is nietig en dat moet de rechter ambtshalve onderzoeken) werd ook daar die absolute nietigheid opgeheven. De wetswijziging werd later echter door het Grondwettelijk Hof vernietigd , zodat de oude regeling terug in voege trad.

In die drang om het belang van de procedureregels te relativeren, of ze zelfs gewoon af te schaffen, wordt vaak vergeten dat een procedureregel er is om de voorspelbaarheid en gelijke behandeling van de zaken te garanderen en dat is dus van belang voor een eerlijk proces.

In het licht daarvan is het verheugend vast te stellen dat het Hof van Cassatie in een arrest van 23 juni (dat op 5 september op juportal.be werd geplaatst) de wetgever tot de orde roept. De wet voorziet dat er pas sprake is van nietigheid wanneer er belangenschade wordt aangetoond door de benadeelde partij, wat natuurlijk veronderstelt dat die partij ook verschijnt. Wanneer de miskenning van de procedureregel “er de reden van kan zijn dat deze partij niet verschijnt of afwezig blijft” (bijvoorbeeld omdat de dagvaarding niet of niet tijdig werd ter kennis gebracht) dan moet de rechter “ambtshalve” de exceptie van nietigheid opwerpen. Het Hof van Cassatie voegt daar aan toe: “Deze verplichting voor de rechter vindt zijn grondslag in het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, krachtens hetwelk een partij de mogelijkheid moet krijgen om zijn standpunt voor de rechter uiteen te zetten en zijn belangen te verdedigen”.

Waakhond

Het principe van de door de benadeelde partij op te werpen belangenschade is dus niet absoluut. In sommige gevallen moet de rechter zelf nagaan of er geen nietigheid is. De relatieve nietigheid is dus in sommige gevallen toch absoluut. De wetgever kan wel snoeien in de procedure, maar de algemene rechtsbeginselen blijven overeind. De rechter is de waakhond van het eerlijk verloop van de procedure en kan dus niet passief blijven wachten tot hem op die fouten wordt gewezen.

De toevoeging in het gerechtelijk wetboek uit 2018 blijft overeind. De rechter kan maatregelen bevelen om de fout recht te zetten. In het geval van de niet betekende dagvaarding zal dit betekenen dat de gerechtsdeurwaarder opnieuw aan het werk zal moeten gaan.

Het Hof van Cassatie heeft eerder al via de Antigoonleer (eerst in strafzaken, daarna in burgerlijke zaken) de gevolgen van nietige proceshandelingen sterk willen terugschroeven. Door het arrest van 23 juni wordt eraan herinnerd dat een eerlijk proces toch vereist dat een aantal regels worden nageleefd. Voor de burger die wordt geconfronteerd met een procedure zou dit een geruststellende gedachte moeten zijn.

Hugo LAMON

***

Lees hier eerdere columns van Hugo Lamon

Van Hugo Lamon verscheen recent het boek Hoe vrij is het vrij beroep nog? U kunt het hier bestellen.

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat in Hasselt. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie van vrije beroepen. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie. Iedere week verschijnt zijn column “LAMON op woensdag” op Jubel.be .

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.