Aviniti

Er was de afgelopen dagen weer behoorlijk wat maatschappelijke commotie rond de (islamitische) hoofddoek. Het is een beladen debat, met uitgesproken en tegengestelde meningen. Er werd gediscussieerd over de vraag of een regeringscommissaris bij het instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen een hoofddoek mag dragen. Er is ook het 50 pagina’s tellend vonnis (voorzien van, toch enigszins ongebruikelijk, 196 voetnoten!) van de arbeidsrechtbank van Brussel, waarbij de Brusselse vervoersmaatschappij werd veroordeeld voor discriminatie omdat een vrouw omwille van haar hoofddoek niet werd aangenomen. Er volgden talloze tweets, opiniestukken en niet altijd even hoogstaande debatten. De discussie draait daarbij rond de neutraliteit van de overheid. Sommigen vinden dat het moet gedaan zijn met ‘negatieve neutraliteit’ (die hoofddoeken verbiedt) en het tijd is voor ‘inclusieve neutraliteit’ (die kijkt naar de wijze waarop de functie wordt uitgeoefend en niet naar de wijze waarop de betrokkene gekleed is). Af en toe wordt daarbij ook verwezen naar de situatie bij justitie.

Vooraf: de neutraliteit die van sommigen in de samenleving wordt verwacht gaat om meer dan enkel het dragen van religieuze tekens. Een scheidsrechter met een zichtbare tattoo van zijn geliefkoosde voetbalclub maakt zichzelf ongeschikt om te arbitreren in voetbalwedstrijden van de concurrenten van zijn club. Dat is elders niet anders.

Op sommige enkelingen na lijkt iedereen het er wel over eens te zijn dat er ook religieuze neutraliteit wordt verlangd van gezagsfuncties. Wie kiest voor een loopbaan in de magistratuur, moet dan ook aanvaarden dat dit een aantal beperkingen tot gevolg heeft. Neutraliteit en onpartijdigheid hebben een prijs.

In de deontologische code van de Franse magistraten (die in 2019 nog werd versoepeld) staat het krachtig omschreven: Een magistraat “s’abstient, dans l’exercice de ses fonctions, de tout prosélytisme de nature à porter atteinte à l’image d’impartialité nécessaire à l’exercise de ses fonctions”. In de Nederlandse rechtercode wordt het als volgt geformuleerd: “De rechter draagt er zorg voor dat zijn gedrag binnen en buiten de rechtszaal het publieke beeld van onpartijdigheid niet in gevaar brengt” en voegt daar ook een cruciale verantwoordelijkheid aan toe: “De rechter behandelt partijen gelijk met inachtneming van de eigenheid van elk individu. De rechter is zich bewust van het bestaan van andere culturen, normen en opvattingen dan de zijne en weegt deze zo nodig mee bij zijn oordeelsvorming”. In ons land, waar de kruisbeelden pas bij een ministeriële omzendbrief van 2001 uit de rechtbanken werden gebannen, is er de “gids voor de magistraten”, die minder expliciet is. Toch is ook in ons land iedereen ervan overtuigd dat een rechter niet met een hoofddoek op de zitting kan verschijnen.

Hetzelfde geldt trouwens ook voor de griffiers. Ook zij hebben een gezagsfunctie en zijn gehouden tot de neutraliteit, als onderdeel van hun verplichte onpartijdigheid.

Advocaten zijn dan weer niet onpartijdig. Hun deontologie verplicht hen trouwens tot partijdigheid, met name het opkomen voor de rechtmatige belangen van de cliënt. Ze kunnen dus m.i. zelf in eer en geweten beslissen welke religieuze symbolen ze al dan niet wensen te dragen. Het is uiteindelijk aan de cliënt om te oordelen of die door een bepaalde advocaat wil worden verdedigd. Dat betekent misschien wel dat in de gevallen waarin de cliënt een advocaat toegewezen krijgt (bijvoorbeeld in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand) een zekere neutraliteit kan worden gerechtvaardigd.

De kwestie heeft al bij herhaling voor beroering gezorgd aan de balie. Er wordt daarbij soms verwezen naar het Koninklijk Besluit van 30 september 1968 dat de “ambtskledij” omschrijft die advocaten “tijdens hun ambtsverrichtingen” moet dragen. Naast een omschrijving van de toga staat er ook: “de advocaten mogen bovendien een zwart wollen baret dragen die met een fluwelen boordsel van dezelfde kleur is omzet”. Het minste wat men kan zeggen is dat het dragen van die baret in onbruik is geraakt, maar sommigen putten er een argument uit om het dragen van ieder ander hoofdbedekkend kledingstuk zou verboden zijn. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft al geoordeeld dat een burger de toegang tot de zittingszaal niet mag worden verboden wanneer die een hoofddoek draagt (terwijl art. 759 van het Gerechtelijk Wetboek nochtans stelt dat “de toehoorders (…) de zittingen bij(wonen) met ongedekten hoofde”). Er valt vanuit mensenrechtenperspectief dan ook niet langer te verantwoorden waarom een advocate geen hoofddoek zou mogen dragen. Vanuit datzelfde perspectief kan een rechter de advocate het dragen van die hoofddoek dan ook niet verbieden.

Hugo LAMON

***

Meer blogposts lezen van Hugo Lamon? Dat kan hier!

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Bekijk alle artikelen

1 reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  • Meester Lamon,

    Toen ik in de jaren ’80 als eerste de ouders van Moslimmeisjes van Molenbeek verdedigde toen ze van school werden gestuurd omwille van een hoofddoek, hebt u mij staande in de lift van het Justitepaleis smalend toegeroepen ‘… en waar is uwen hoofddoek’.
    Dat was kwetsend en vernederend.
    Ik ben geen fanatieke hoofddoekverdediger, maar had toen wel serieuze argumenten om die meisjes te verdedigen.
    Dat was nog iets anders dan een advocaat die eventueel een hoofddoek zou dragen.

    Ik heb dat nooit vergeten.

    Mevrouw J-M HAUSPIE