In het Belgisch Staatsblad van 2 juni verscheen het reglement van de Orde van Vlaamse Balies waarbij een aantal artikels uit de Codex deontologie werden gewijzigd. Deze hebben voornamelijk betrekking op de regeling van de belangenconflicten van advocaten.
De advocatendeontologie voorziet een aantal principes (kernwaarden) die een advocaat moet respecteren wanneer hij ‘kerntaken’ uitoefent (eenvoudig gezegd: wanneer hij een cliënt voor een rechtbank bijstaat of juridisch advies verstrekt). Niemand betwist dat de advocaat altijd onafhankelijk moet handelen (ten aanzien van de tegenpartij en de overheid, maar ook ten aanzien van de cliënt en zelfs ten aanzien van zichzelf). Dat is de échte kern van het beroep en het onderzoek naar die onafhankelijkheid zou kunnen volstaan om na te gaan of een advocaat op het deontologisch rechte pad blijft.
Die goede praktijken zijn er bijvoorbeeld wel bij het gebruik van artificiële intelligentie en het had ook gekund bij het regelen van belangenconflicten
Traditioneel worden daar echter andere verplichtingen aan toegevoegd. Zo moet hij ook ‘belangenconflicten’ vermijden. Deze regels werden onlangs ‘gemoderniseerd’. Dat betekent in de praktijk dat ze wat ingewikkelder werden gemaakt en het imago willen versterken van een onbevlekte advocatuur. Het blijven normen (zelfs materiële wetten) die, wanneer ze door de advocaat niet worden nageleefd, aanleiding kunnen geven tot tuchtvervolging en tuchtstraffen. Er is dus sprake van gevolgethiek, want de niet-naleving kan gevolgen hebben. Er werd bij de aanpassing niet geopteerd voor ‘deugdethiek’. Dat zijn dan ‘good practices’ en dus een set van ethische regels met informatie die een advocaat helpen bij zijn problemen in de beroepsuitoefening. Die goede praktijken zijn er bijvoorbeeld wel bij het gebruik van artificiële intelligentie en het had ook gekund bij het regelen van belangenconflicten.
Artikel 5 zegt uitdrukkelijk dat een advocaat niet mag optreden voor een cliënt “wanneer een belangenconflict bestaat of dreigt te ontstaan tussen de advocaat en zijn cliënt”. Daarop volgen een aantal preciseringen, die de onwrikbaarheid van het principe wat op de helling zetten. Zo mag een advocaat optreden bij samenlopende belangen (en dus voor meerdere cliënten in eenzelfde zaak optreden zolang de belangen “gemeenschappelijk of verenigbaar” zijn) en het vereist een geïnformeerde en schriftelijke toestemming van de cliënt. Artikel 6 bepaalt verder: “het belangenconflict of de dreiging daartoe verhindert de advocaat niet om in alle onafhankelijkheid op te treden en de belangen van elke betrokken cliënt gelijkwaardig te behartigen”. De deontologische wetgever wilde alles zo gedetailleerd regelen dat de regel dreigt te verzanden. Het toont wel aan dat het bewaren van de onafhankelijkheid de maatstaf is en de belangenconflictenregeling daar slechts een modaliteit van is. Deregulering en het aanscherpen van goede praktijken zou allicht meer helderheid gebracht hebben.
Het nieuwe reglement bepaalt nu ook uitdrukkelijk in artikel 9 dat een advocaat niet tegelijk kan optreden “voor een cliënt in een bepaalde zaak en voor de tegenpartij van deze cliënt in een andere zaak”. Vloeit dat beginsel niet al voort uit de plicht om onafhankelijk op te treden, wat hoe kan de advocaat onafhankelijk zijn wanneer hij voor een partij en een tegenpartij optreedt?
De herziening van de codex deontologie laat dan weer andere regels verder bestaan. Zo voorziet artikel 17bis van de Codex dat de “verboden” uit hoofdstuk I.2 niet alleen de advocaten “betreffen”, maar ook “de advocaten die in een groepering of associatie met hem werken, de medewerkers en de stagiairs van het kantoor”. Het betekent dus dat een eerstejaars stagiair op een groot kantoor (met pakweg meer dan honderd advocaten) die pro Deo een afbetaling vraagt in een incassodossier van een telecomoperator ervoor zorgt dat het ganse kantoor nooit nog zaken voor die telecomoperator mag verrichten. Zijn we wel zo zeker dat die regel overal onverkort zo wordt toegepast?
Te veel regels zorgen ervoor dat ze minder worden toegepast en hoe groter het risico dat de deontologie wordt uitgehold. Dat komt de burger niet ten goede
In datzelfde hoofdstuk staat ook het (ongewijzigd) artikel 3 dat stelt: “de advocaat behandelt geen zaken van of tegen naaste familieleden of treedt niet op voor personen die met hem samenwonen of nauw verbonden zijn die met hem samenwonenden”. Dat klinkt helder, maar heeft in combinatie met artikel 17bis tot gevolg dat wanneer dezelfde eerstejaars op datzelfde groot kantoor gaat samenwonen met haar/zijn vriend(in) het ganse kantoor geen zaken mag doen tegen de vriend(in) of tegen de vader, moeder of naaste verwanten van die vriend(in). Nog los van de vraag of het kantoor wel weet met wie de stagiair het bed deelt en wie diens naaste familieleden zijn, moet toch de vraag worden gesteld of in tijden van schaalvergroting van kantoren deze deontologische plicht nog wel realistisch is. Hier kan een concrete toetsing aan de vraag of er in die omstandigheid een gevaar is op het onafhankelijk optreden soelaas bieden.
Te veel regels zorgen ervoor dat ze minder worden toegepast en hoe groter het risico dat de deontologie wordt uitgehold. Dat komt de burger niet ten goede.
Hugo Lamon
Lees hier de wekelijkse column van meester Hugo Lamon over Justitie.
Op de hoogte blijven van alle nieuwigheden binnen justitie, advocatuur en de juridische en fiscale wereld? Volg Jubel.be op LinkedIn.





0 reacties