Algemeen

De bloedproef in het strafrecht: een grote naald voor een klein prikje?

Iemand die weigert zich te onderwerpen aan een ademtest, ademanalyse of bloedproef, wordt overeenkomstig de verkeerswetgeving gestraft met geldboete van 200 tot 2 000 euro[1]. Die bloedproef moet gebeuren door een ‘opgevorderd geneesheer’[2]. De regels van het strafprocesrecht bepalen dan weer dat bij een bloedafname voor een DNA-staal in het vooronderzoek alleen een arts kan worden gevorderd[3]. De wettekst lijkt daarin formeel: enkel de arts kan de bloedproef afnemen.

Dat een arts de bloedproef moet afnemen, doet vragen rijzen: waarom zijn enkel artsen gemachtigd om bloedafnames te doen? Bloedafnames zijn geen kernfysica en deze bepaling schiet met een kanon op de spreekwoordelijke mug. Ten eerste hebben artsen betere dingen te doen dan bloedafnames. Ten tweede vereist bloedafname enige ervaring. Het is denkbaar dat artsen met een hoge mate van specialisatie dermate (over)gespecialiseerd zijn in hun vakgebied, dat zij al jaren geen spuit meer hebben aangeraakt en hun bloedafname – doordat er (heel veel) roest zit op die vaardigheid – niet zo goed zal lukken. Toch kunnen ook zij opgevorderd worden. Vandaar is het eigenaardig dat er voor bloedafname geen beroep gedaan wordt een andere groep van medisch personeel, die dagelijks bloedafnames doet: het verplegend personeel. In dit artikel wordt dan ook onderzocht wat ten eerste het gevolg is van een bloedafname die door deze groep mensen gedaan wordt en ten tweede wat de wetgever ertoe genoopt heeft enkel artsen toe te laten een bloedproef te laten afnemen.

Gevolgen van een bloedproef afgenomen door verplegend personeel

Een eerste, al te impulsieve reactie kan ‘nietigheid van de handeling’ zijn, met alle gevolgen die deze nietige handeling met zich mee brengt. Een wat meer beredeneerde reactie die deze eerste actie zou moeten aanvullen, is: “tenzij dit gemoduleerd is door de Antigoonrechtspraak”. De Antigoonrechtspraak is vandaag geconsolideerd in artikel 32 V.T.Sv.[4] en stelt dat “tot nietigheid van onregelmatig verkregen bewijselement wordt […] besloten indien de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.”[5]. Mijn inziens is aan geen enkel criterium voldaan: noch in het Wetboek van Strafvordering, noch in de verkeerswetgeving is een bloedafname voorgeschreven op straffe van nietigheid. Evenmin lijkt het zo dat, wanneer een verpleegkundige een bloedafname doet in plaats van een geneesheer, de betrouwbaarheid van het bewijs aangetast wordt, evenmin dat dit een eerlijk proces kan beïnvloeden. De conclusie lijkt dus te zijn dat het niet uitmaakt of een verpleegkundige dan wel een arts het bloed afneemt. Er is weliswaar rechtspraak te vinden die tot nietigheid heeft besloten[6], maar deze dateert van voor de Antigoonrechtspraak, toen automatisch tot nietigheid van onrechtmatig verkregen bewijs werd besloten[7]. Aldus kan men deze rechtspraak vandaag niet meer bijtreden.

Wat indien echter de arts zich laat bijstaan door een verpleegkundige bij een bloedafname? Oorspronkelijk werden deze activiteiten geregeld bij een bijzonderemachtenbesluit[8]. Na bijna 50 jaar werd dit KB ten gevolge een coördinatieopdracht opgeheven[9] en geïncorporeerd in de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen[10]. Wel werden een aantal koninklijke besluiten die het bijzonderemachtenbesluit uitvoerden, in afwachting van een nieuw koninklijk besluit nog niet opgeheven[11]. Hieronder ressorteert ook een koninklijk besluit waarin bepaald wordt welke handelingen een verpleegkundige mag stellen[12]. Dit koninklijk besluit bepaalt dat verpleegkundigen zelfstandig[13] “bloedafneming door veneuze en capillaire punctie[14]” mogen nemen, wat in mensentaal ‘bloedafname’ betekent[15]. Aldus kan een verpleegkundige in alle gevallen een bloedafname uitvoeren, met dien verstande dat deze verpleegkundige geen initiatiefrecht heeft.

Waarom enkel artsen?

De vraag die echter nog rest, is waarom specifiek voor artsen werd gekozen voor bloedproeven. Natuurlijk, uit het voorgaande blijkt dat verplegend personeel de arts wel mag bijstaan, maar dat houdt geenszins een eigen initiatiefrecht in. De wettekst is daar formeel in: “onder uitoefening van de verpleegkunde wordt verstaan: de handelingen die door een arts kunnen worden toevertrouwd”[16]. De voorbereidende werken van artikelen 44quinquies, § 2, lid 2 en 90undecies, § 2, lid 2 Sv. bieden geen houvast[17]. Rest vervolgens te kijken naar de Wegverkeerswet voor een verklaring waarom er precies voor een arts wordt geopteerd. Blijkt dat de wetgever van oordeel was dat de bloedproef moest worden uitgevoerd door “een man van het vak” (lees: een geneesheer)[18]. Door een geneesheer aan te stellen, zou de bloedproef met de meeste waarborgen omringd worden[19]. In die voorbereiding is echter nergens een motivering te vinden waarom verplegend personeel daarvoor niet geschikt zou zijn.

Conclusie

Indien iemand een bloedproef aflegt, kon hij vroeger de nietigheid van de onderzoekshandeling inroepen indien deze bloedproef afgenomen werd door een lid van het verplegend personeel. Sinds de Antigoonrechtspraak en de invoering van art. 32 V.T.Sv., is dit quasi onmogelijk geworden. Dit houdt echter geenszins een eigen initiatiefrecht in voor het verplegend personeel om een bloedproef af te nemen, ook in 2020 moet deze nog altijd worden afgenomen worden onder verantwoordelijkheid van een arts. De reden hiervoor is te vinden in een oude wet, waarvoor (wegens de tijdsgeest?) nooit een motivering is uitgewerkt en nooit is deze motivering herdacht.

Xavier Van Belleghem

Consultant – Brussels Law School Consultancy vzw

 

[1] Art. 34, § 2, 3° wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, BS 27 maart 1968 (hierna: Wegverkeerwet).

[2] Art. 63, lid 1 Wegverkeerswet.

[3] Art. 44quinquies, § 2, lid 2 en 90undecies, § 2, lid 2 Sv.

[4] Kritisch: L. DELBROUCK en K. TRUYEN,  “Artikel 32 V.T.Sv.: meer dan een loutere facelift”, T.Strafr. 2015, afl. 4-5, 229-230.

[5] Art. 32 V.T.Sv.

[6] Pol. Antwerpen 26 juni 1981, RW 1982-83, k. 2003, noot A. VANDEPLAS; Pol. Hasselt 5 februari 1982, Limb. Rechtsl. 1982, 38; A. VANDEPLAS, “Betreffende de alcoholintoxicatie” (noot onder Pol. Antwerpen 26 juni 1981), RW 1982-83, k. 2003; F. GOOSSENS en F. HUTSEBAUT “Ademtest, ademanalyse, afname van een urinemonster en bloedproef in verkeerszaken”, Comm.Strafr. 2000, losbl., 18, nr. 31.

[7] L. DELBROUCK en K. TRUYEN,  “Artikel 32 V.T.Sv.: meer dan een loutere facelift”, T.Strafr. 2015, afl. 4-5, 228.

[8] KB nr. 78.

[9] Art. 1 koninklijk besluit 10 mei 2015 houdende coördinatie van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, BS 18 juni 2015. Helaas is de opheffing van dit besluit nog niet bijgewerkt op in de databank met geconsolideerde wetgeving van de FOD Justitie

[10] BS 18 juni 2015. Zie: X., “Eén wet voor gezondheidszorgberoepen”, NJW 2015, afl. 326, 536-537.

[11] Art. 148 § 1, eerste lid wet 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, BS 18 juni 2015.

[12] Koninklijk besluit 18 juni 1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts of een tandarts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen, BS 26 juli 1990.

[13] Art. 23, § 1, eerste lid wet 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, BS 18 juni 2015.

[14] Punt 6 Bijlage I bij Koninklijk besluit 18 juni 1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts of een tandarts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen, BS 26 juli 1990.

[15] Zie ook A. VANDEPLAS, “Betreffende de alcoholintoxicatie” (noot onder Pol. Antwerpen 26 juni 1981), RW 1982-83, k. 2006.

[16] Art. 46, § 1, 3° wet 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, BS 18 juni 2015.

[17] Wetsontwerp houdende wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken, Parl.St. Kamer, 2010-2011, nr. 1504/1.

[18] Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer en van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap, Parl.St. Kamer, 1955-56, nr. 397/1, 8.

[19] Verslag van de Commissie van Justitie, belast met het onderzoek van het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer en van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap, Parl.St. Senaat, 1957-58, nr. 245, 9.

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.