Aviniti

Vorige week raakte bekend dat door de rechtbank van eerste aanleg in Limburg een aantal voor behandeling vastgestelde strafzaken “sine die” (en dus voor onbepaalde tijd) werden uitgesteld omdat er daar te weinig rechters zijn. Dat gaf aanleiding tot pittige krantenkoppen en vragen in het parlement. Op 11 mei liet de minister van Justitie in de Kamercommissie justitie weten dat die zaken hoegenaamd niet voor onbepaalde tijd zijn uitgesteld en op specifieke zittingen in november zullen worden behandeld door de correctionele rechtbank in Limburg.

Op 27 april had de voorzitter van de rechtbank nochtans een beschikking uitgesproken waarin hij overwoog dat die zaken “sine die (…) worden uitgesteld tot er wel capaciteit is in zittingen en magistraten” en besliste hij: “om deze redenen, gezien de noodwendigheden van de dienst en de personeelstekorten, schaffen de behandeling af van zaken met notitienummer (….) en zeggen dat zij sine die zullen worden uitgesteld”. In de Kamercommissie justitie wist de minister van Justitie te melden dat de zaken toch in november 2021 zouden worden behandeld, wat dus iets anders is dan wat te lezen valt in de beschikking van de voorzitter van de rechtbank in Limburg. De partijen in die zaken zijn dus blijkbaar verplicht om de debatten in de Kamercommissie justitie te volgen om te weten wanneer hun zaak zal worden gepleit.

De voorzitter van de rechtbank verwijst voor zijn beslissing onder meer naar de wet van 1 december 2013, waarbij het kader van de zetel van de rechtbank van eerste aanleg Limburg is vastgesteld op 40 rechters (de rechtbank telt er nu maar 35). De regeling van de kaders gaat echter terug op wetgeving uit 1953 en werd toen bepaald op grond van criteria die nu niet meer relevant zijn om als enig beoordelingscriterium te kunnen hanteren.

De voorzitter van de rechtbank van Limburg maakt nog een ander punt: “Elke rechter van eerste aanleg Limburg bedient 21.927 burgers (KB van 17 december 2020 tot de bepaling van de bevolking van de gerechtelijke kantons – BS 11 januari 2021) hetgeen een absoluut nationaal record is en ongeveer het dubbele inhoudt van de arrondissementen Brussel (één rechter op eerste aanleg voor 10.238 inwoners) en Luxemburg (één rechter op eerste aanleg voor 10.156 inwoners)”. In zijn antwoord op de vragen in de commissie justitie gaf de minister toe dat de allocatie van mensen en middelen beter kan (en overigens niet alleen in Limburg), maar dat er gewacht wordt op de resultaten van de werklastmeting die door het College van Hoven en Rechtbanken zou moet worden aangeleverd. De minister stelde verder dat dit college ook de prioriteiten bepaalt bij het lanceren van vacatures. Daarmee legt hij de bal voor een deel terug in het kamp van de magistratuur.

Even tussendoor, een korte quizvraag: hoelang zou er nu al debat worden gevoerd over de werklastmeting? Reeds in 2004 (nauwelijks zestien jaar geleden) verscheen in Ad Rem, het toenmalige tijdschrift van de Orde van Vlaamse Balies, een artikel onder de titel: “Meten is weten: hoever staat het met de werklastmeting van magistraten?”. In 2012 (nauwelijks negen jaar geleden) stelde het toenmalige Vast Bureau voor Statistiek en Werklastmeting een draaiboek op van de werklastmeting en toen viel daar al te lezen dat “het werklastmetingsinstrument te zien is als een model, een systeem dat een (bestaande of virtuele) realiteit nabootst of tracht te beschrijven. Voortdurend zal men daarbij schipperen tussen enerzijds de realiteit (of de na te bootsen situatie) zo goed mogelijk te benaderen en anderzijds het instrument werkbaar en beheersbaar te houden”. De minister kijkt nu naar de magistraten om dat werkbaar instrument aan te leveren. Is het wachten op Godot?

Wanneer er te weinig middelen zijn moeten er keuzes worden gemaakt. Voor wat de correctionele kamers betreft geeft de voorzitter in Limburg voorrang “aan de zaken waarin beklaagden in voorlopige hechtenis zitten alsmede in zedenzaken, dit laatste gezien de aanbevelingen (….) van de Hoge Raad voor de Justitie op 19 december 2019”. Dat verslag was dan weer een reactie op de maatschappelijke commotie naar aanleiding van de zaak Steve Bakelmans.

Natuurlijk is het in het belang van iedereen dat alle zaken tijdig en binnen een redelijke termijn worden afgehandeld door de rechter. De minister merkte gelukkig in de Kamercommissie terecht op dat in een rechtsstaat het wel de rechter – en alleen de rechter – is die zich moet uitspreken of er strafbare feiten zijn gepleegd.

Hugo LAMON

***

Meer blogposts lezen van Hugo Lamon? Dat kan hier!

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.