Opiniemakers

Op deze pagina komen diverse eminente juristen aan het woord. Vanuit hun professionele ervaring, als magistraat, advocaat, academicus, ... kijken ze met een eigenzinnige blik naar de juridische actualiteit.

De standpunten en opinies vertolkt in de bijdragen die onder de naam 'Opiniemakers' verschijnen, binden enkel de auteur van de bijdrage zelf en vertegenwoordigen niet noodzakelijk de mening van Jubel, de Jubel-redactie of KnopsPublishing.

Bent u geïnteresseerd om opiniestukken te publiceren via Jubel.be? Contacteer de Jubel-redactie

Oud-rechter Walter De Smedt hekelt het niet loyaal uitvoeren van de wet-Franchimont, want sindsdien heerst er een machtsstrijd om uit te maken wie het in justitie voor het zeggen heeft. Iets wat tot uiting komt in het terrorismeproces over de aanslagen van 22 maart 2016.

Meester Hugo Lamon heeft groot gelijk door te stellen dat de burger de moeilijkheden op het terrorismeproces niet meer begrijpt. Hij geeft zelf aan waar de problemen zitten: “Voor ons rechtssysteem is de zaak blijkbaar te omvangrijk, te complex, te gelaagd en dus ongrijpbaar.”

Er is inderdaad onduidelijkheid zowel over de rol van de betrokken actoren als over de spelregels. Dat was ook de reden waarom na het eerste parlementair onderzoek op de bende van Nijvel de commissie-Franchimont werd aangesteld om de knelpunten in de procedure weg te nemen. De voorstellen van die commissie werden wet. Maar de wet werd niet loyaal uitgevoerd. Er kwam bovendien nog een andere: deze op het politieambt. En die maakte er wat anders van. Sindsdien is er een machtsstrijd om uit te maken wie het in justitie voor het zeggen heeft. Is het de rechter, de procureur, de advocaten of zelfs de politie en de minister van Justitie?

Het eerste parlementair onderzoek op de bende stelde meerdere ‘disfuncties’ in de werking van justitie en politie vast. Er was vooreerst de vaststelling dat de procureur een overmatige invloed had op de onderzoekspistes en op de onderzoeksstrategie. De procureur van Nijvel stuurde het onderzoek in de richting van de gewone criminelen en ontkende de piste van extreemrechts. Ook de onderzoeksstrategie waarbij alles op één hoop werd gelegd zorgde voor verwarring en onduidelijkheid. Daarbij kwam nog de toenmalige politieoorlog tussen de Rijkswacht en de Gerechtelijke politie bij de parketten over wie wat moest doen en hoe dat best kon gebeuren.

Commissie-Franchimont verduidelijkt rol procureur en onderzoeksrechter

De commissie-Franchimont verduidelijkte daarom de rol van zowel de procureur als van de onderzoeksrechter. Zo bevestigt de commissie de opdracht van de procureur: opsporen en vervolgen. De gewoonterechtelijke werkwijze van het parket om vroegtijdig over de verjaring van de vordering te beslissen, niet te vervolgen en te seponeren, werd in de wet opgenomen. De onderzoeksrechter kreeg de opdracht alle maatregelen te nemen die de rechtscolleges toelaten met kennis van zaken te oordelen. De verdediging kreeg meer rechten, onder meer bijstand bij het verhoor door de onderzoeksrechter en vroeger inzagerecht in het dossier.

Om de spanning tussen de geheimhouding van het vooronderzoek en de maatschappelijke vraag tot uitleg te verzoenen, kregen de procureur en de advocaat de mogelijkheid om wanneer het maatschappelijk belang het vereist, zelfs lopende het vooronderzoek, mededelingen te doen.

Wat is er van deze hervormingen terecht gekomen? Het opsporingsonderzoek heeft steeds verder het gerechtelijk onderzoek door de onderzoeksrechter vervangen. Het sepot evolueerde van het opzij leggen van een dossier tot een quasi eindbeslissing over de vervolging. Het Federaal Parket kreeg de bevoegdheid dossiers naar zich toe te trekken. De rol van het Openbaar Ministerie als vervolgingsambtenaar onder het gezag van de justitieminister werd versterkt, doordat enkel de justitieminister de bevoegdheid kreeg om het strafrechtelijk beleid te bepalen. Anderzijds werd de tussenkomst van de strafrechter ontweken door aan de procureur de mogelijkheid te geven om bij eindbeslissing een afkoopsom te onderhandelen.

Inzagerecht én misbruik van inzagerecht

Naast het inzagerecht, creëerde men een nieuw misdrijf dat grotendeels het nut van het recht weg nam. Door ‘misbruik’ van inzagerecht te vervolgen, belet men slachtoffers of benadeelden ‘disfuncties’ openbaar te maken. In het dossier over de operatie Kelk, de huiszoekingen en inbeslagnames bij de Kerk, werden de in beslag genomen overtuigingsstukken die moesten toelaten met kennis van zaken te oordelen, op onregelmatige wijze, terug gegeven. In het veertig jaar oude dossier over de verdwijning van een kloosterzuster bleek hoe het kan mis lopen indien er op het opsporingsonderzoek door een procureur geen toezicht mogelijk is als er geen onderzoeksrechter wordt aangesteld. Het Openbaar Ministerie weigerde ook voor parlementaire commissies gebruik te maken van de bevoegdheid om mededelingen te doen over maatschappelijk erg belangrijke dossiers.

Waarom bleven meerdere door de wet-Franchimont voorziene hervormingen dode letter?

De generaal-korpsoverste van de Rijkswacht gaf het antwoord op een op cassatie gehouden studiedag. Generaal De Ridder verklaarde:

“De procureur des Konings is niet bij machte om de leiding van de opsporing als dusdanig op zich te nemen : hij is daar niet geschikt voor. Hij kan, benevens op de wettelijkheid, alleen maar toezicht uitoefenen op de volledigheid en de degelijkheid van de opsporingen. (…) Welke richting men hier ook uitgaat, het principe volgens hetwelk de onderzoeksrechter het onderzoek leidt en controleert, heeft in de praktijk niet alleen onvoldoende uitwerking, maar vernauwt ook het onderzoekspotentieel van een politiedienst in die mate dat de onderzoeksrechter slechts met bepaalde onderzoekers wenst te werken. Als zou blijken dat er na de geschetste ingrepen die alle te realiseren zijn binnen de vigerende wetgeving, er toch geen beterschap komt inzake de opsporing en vervolging, dan zal naar meer radicale ingrepen moeten worden uitgezien.”

Om de radicale maatregelen te kunnen uitvoeren, werd door de Rijkswacht en het kabinet van Binnenlandse zaken de wet op het politieambt gemaakt. Die wet snijdt het vooronderzoek in twee delen, enerzijds het onderzoek door de procureur of door de onderzoeksrechter, anderzijds de politieoperatie. Het eerste deel bleef onder het gezag en de leiding van de onderzoeksmagistratuur. De politieoperatie kwam onder de enkele leiding van de politiemeerdere. In de schoot van de Rijkswacht kwam er ook een eigen inlichtingendienst. Deze geheim gehouden Gerechtelijke Informatie Dienst (GID), deed niet alleen aan het verwerven en verwerken van gerechtelijke informatie maar deed ook even geheime operaties. Hoe het één en het ander volkomen misliep kwam tot uiting in het parlementair onderzoek Dutroux. Daaruit bleek dat de geheime operaties Othello en Décimes, de bewaking van de huizen van Dutroux, niet aan de onderzoeksrechter ter kennis werden gebracht. De Rijkswacht had immers een andere onderzoekspiste en een andere onderzoeksstrategie. Hun onderzoek volgde het spoor van een netwerk en bewaakte de huizen om te zien wie er tijdens de opsluiting van Dutroux zou langs komen om er voor de daarin opgesloten kinderen te zorgen.

Ministers met tegenstrijdige opvattingen

De pogingen van de commissie-Franchimont om de knelpunten uit de procedure weg te nemen zijn niet geslaagd. Dat komt doordat er tussen de toenmalige minister van Justitie Melchior Wathelet sr. en deze van Binnenlandse zaken Johan Vande Lanotte twee tegenstrijdige opvattingen bestonden zowel over de rol van het Openbaar Ministerie als van de politie.

Volgens de wet Franchimont bleef het gezag en de leiding van het vooronderzoek bij de magistratuur en werd de opdracht van zowel de procureur als van de onderzoeksrechter verduidelijkt. Vanuit de samenwerking tussen de Rijkswacht en het kabinet van Binnenlandse Zaken werd door de wet op het politieambt de rol van de verzelfstandigde Rijkswacht versterkt. De politiehervorming heeft aan deze machtsstrijd niets gewijzigd.

De Rijkswacht kreeg een opvolger door de oprichting van de Federale Politie die tegelijk aan de onderzoeksmagistratuur de eigen politiedienst, de Gerechtelijke Politie bij de Parketten, ontnam. In plaats van de noodzakelijke integratie van de politie in de gerechtelijke actie werd de politie er uit ‘gedesintegreerd’. Deze verzelfstandiging werd nog sterker door de strijd tegen het terrorisme waardoor zowel de politiediensten als de inlichtingendiensten gingen samenwerken op hetzelfde terrein, dat van de enkele bedreiging, met dezelfde, afgeschermde bijzondere methoden.

Het hoeft dus niet te verwonderen dat de niet weggenomen ‘knelpunten’ nu ook in het terrorismeproces zichtbaar zijn

Knelpunten ook zichtbaar in terrorismeproces

Het hoeft dus niet te verwonderen dat de niet weggenomen ‘knelpunten’ nu ook in het terrorismeproces zichtbaar zijn. Wie bepaalt er wat er moet gebeuren? Wie vergat bij het maken van de boxen dat de advocaten met de verdachten moeten kunnen spreken? Wie beslist er over de naaktfouilles? Gaat het over een overbrenging van verdachten of is het een militaire operatie met speciale voertuigen, een pantserwagen incluis? Waarom moeten de documenten over de noodzaak tot naaktfouilles ‘geheim’ blijven? Waarom eist een door de assisenvoorzitter opgeroepen getuige de bijstand van een advocaat? Wordt ook de discretionaire macht van de voorzitter waardoor deze bijkomend onderzoek kan bevelen betwist? Het zijn allemaal uiterlijke tekens van een onderliggende machtsstrijd tussen twee verschillende opvattingen over de rol en de opdracht van de in de gerechtelijke actie betrokken actoren.

Vraag is overigens hoe deze spanningen zullen worden opgelost wanneer het in het proces over de bewijsvoering zal gaan. Zal het daarbij vergaan zoals in de zaak Erdal, de vervolging van een Turkse militante voor terroristische misdrijven, die door het hof werd vrijgesproken? In een honderd bladzijden tellend arrest maakte het Antwerpse hof van beroep het onderscheid tussen door inlichtingendiensten aangeleverde inlichtingen waarop geen rechterlijk toezicht mogelijk is en door de politie aangebrachte bewijzen die wél in een openbaar en tegensprekelijk debat kunnen beoordeeld worden. Hoe kan de spanning tussen de vereisten van het eerlijk proces en de verzelfstandigde en zelfs geheime werking van door zowel politie- als inlichtingendiensten gevoerde ‘operaties’ door een rechterlijke toetsing worden weggenomen?

Dat de burger die geen weet heeft van de achterliggende machtsstrijd er niet meer uit geraakt is evident. De parlementairen die moeten beslissen over het nieuwe wetboek van strafvordering zullen hopelijk wél met meer kennis van zaken kunnen oordelen over de rol en de opdracht van de procureur, de rechter van het onderzoek, en de bevoegdheden en werkwijzen van de politie. Daarom zijn de moeilijkheden van het terrorismeproces geen voorbijgaande incidenten. Zij vormen een aanzet om een hervorming van het strafprocesrecht in goede banen te leiden.

Walter De Smedt
strafrechter op rust en gewezen lid van de Comités I en P.


Op de hoogte blijven van alle nieuwigheden binnen de juridische en fiscale wereld?
Volg Jubel.be op LinkedIn

Opiniemakers

Op deze pagina komen diverse eminente juristen aan het woord. Vanuit hun professionele ervaring, als magistraat, advocaat, academicus, ... kijken ze met een eigenzinnige blik naar de juridische actualiteit.

De standpunten en opinies vertolkt in de bijdragen die onder de naam 'Opiniemakers' verschijnen, binden enkel de auteur van de bijdrage zelf en vertegenwoordigen niet noodzakelijk de mening van Jubel, de Jubel-redactie of KnopsPublishing.

Bent u geïnteresseerd om opiniestukken te publiceren via Jubel.be? Contacteer de Jubel-redactie

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.