Expertise Rechtuit

Eindelijk een alternatief voor ‘spookcommissie’ voor de gerechtskosten

Avatar
Geschreven door Jubel

In het Staatsblad van 7 augustus 2020 verscheen de wet van 31 juli 2020 houdende diverse dringende bepalingen inzake justitie[1]. In die zogenaamde ‘coronapotpourri’ staan onder meer wijzigingen aan de wet van 23 maart betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten[2].

In laatstgenoemde wet wordt een overgangsbepaling ingevoerd, luidende:

“Art. 17/1. De beroepen die bij de Commissie voor de Gerechtskosten zijn ingesteld tegen de beslissingen van de taxerende magistraat en de minister van Justitie inzake het bedrag van de gerechtskosten, en waarin nog geen uitspraak is gedaan bij de inwerkingtreding van deze wet, worden aanhangig gemaakt bij de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie bij de Federale Overheidsdienst Justitie, die uiterlijk op 31 december 2020 een met redenen omklede beslissing neemt overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 6, § 3”.

Commissie voor de gerechtskosten niet meer operationeel sinds 2016

Sinds de inwerkingtreding van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten begroot het bevoegde taxatiebureau de gerechtskosten. Artikel 17 van voormelde wet heeft de artikelen 2 tot 6 van de programmawet (II) van 27 december 2006 opgeheven. De Commissie voor de gerechtskosten is bijgevolg opgeheven met ingang van 1 januari 2020.

De Commissie voor de gerechtskosten was tot en met 31 december 2019 een administratief rechtscollege dat de bevoegdheid had kennis te nemen van de beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de taxerende magistraat en de minister van Justitie inzake het bedrag van de gerechtskosten. Met gerechtskosten in strafzaken worden de prestaties van vertalers en tolken, gerechtsdeskundigen en andere dienstverleners vergoed. Het gaat om prestaties waartoe de dienstverleners zijn gevorderd door politiediensten, de onderzoeksrechter, het openbaar ministerie, de rechtbanken en hoven.

In september 2016 is aan het mandaat van de volledige Commissie Gerechtskosten een einde gekomen. Koen Geens heeft als minister van Justitie besloten deze commissie niet opnieuw samen te stellen. Hierdoor konden bepaalde hangende beroepen niet meer behandeld worden.

In 2017-2018 kregen tolken bericht van het hoofd van de Dienst gerechtskosten, optredend namens de minister van Justitie, dat ze met hun klachten omtrent verminderde facturen naar de Commissie voor de Gerechtskosten konden stappen. Terwijl het toen al duidelijk was dat de tolken en andere dienstverleners gewoon naar een ‘spookcommissie’ werden gestuurd[3].

Raad van State van oordeel dat rechtsstaatbeginsel is geschonden

In een arrest van 28 februari 2019[4] heeft de Raad van State evenwel geoordeeld:

“In een rechtsstaat is het optreden van elk overheidsorgaan onderworpen aan het recht, waarvan het de toepassing moet verzekeren en dat zijn optreden bepaalt. Eén van de essentiële kenmerken van de rechtsstaat bestaat erin dat de bestuurders aan de rechtsregels onderworpen zijn.

Ook de minister van Justitie is onderworpen aan de grondwettelijke beginselen; hij moet zijn machten uitoefenen “op de wijze bij de Grondwet bepaald” (artikel 33, tweede lid, van de Grondwet) en mag, als orgaan van de uitvoerende macht, net zo min als de Koning de wetten schorsen of vrijstelling van hun uitvoering verlenen (artikel 108 van de Grondwet).

Luidens artikel 5, § 2, derde lid, van de Programmawet (II) van 27 december 2006 worden de leden van de Commissie voor de Gerechtskosten benoemd door de minister van Justitie. Deze uitvoeringsbevoegdheid houdt ook een uitvoeringsverplichting in.

De minister van Justitie heeft niet de bevoegdheid noch de rechtsgrond om de Commissie voor de Gerechtskosten en het door de wet ingestelde rechtsmiddel op te heffen. De intentie om de wet te wijzigen laat de minister niet toe om nog geldende wetten naast zich neer te leggen en belet niet dat artikel 5, § 2, derde lid, nog altijd uitwerking heeft. Het verzuim om uitvoering te geven aan artikel 5, § 2, derde lid, van de Programmawet (II) van 27 december 2006 schendt het in het middel aangevoerde rechtsbeginsel.”

De Raad van State was bijgevolg van oordeel dat het rechtsstaatbeginsel is geschonden doordat de wettelijk bepaalde beroepsmogelijkheden niet kunnen worden uitgeoefend[5].

Rechtsherstel aan de prestatieverleners

Om rechtsherstel te bieden aan de prestatieverleners die gedurende deze periode bij de Commissie een beroep hadden ingesteld dat niet meer kon worden behandeld, en die er geen afstand van hebben gedaan, kan het beroep nu aanhangig gemaakt worden bij de Directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie van de Federale Overheidsdienst Justitie, conform de beroepsprocedure in de nieuwe wetgeving. De directeur-generaal Rechterlijke Organisatie zal uiterlijk 31 december 2020 een gemotiveerde beslissing moeten nemen overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 6, § 3 van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten.

Bij de behandeling van deze wetswijziging in de Kamer verduidelijkte de vertegenwoordiger van de minister dat het enkel gaat over een heel beperkt aantal hangende beroepen. Met de wetswijziging kunnen die beroepen alsnog  worden behandeld en wordt aan de betrokkenen rechtsherstel verleend.  De wetswijziging treedt in werking op 17 augustus 2020.

Nieuwe beroepsprocedure voor dienstverleners

De beroepen die zijn ingesteld na 1 januari 2020 worden via de nieuwe procedure behandeld, voorzien in artikelen 25-27 van het koninklijk besluit van 15 december 2019[6].

Het gaat om een nieuwe beroepsprocedure tegen beslissingen over kostenstaten, ingeval de door een prestatieverlener gevraagde bedragen door het taxatiebureau worden geweigerd, gewijzigd of verminderd. Het beroep moet binnen de dertig dagen worden ingediend bij de directeur-generaal Rechterlijke Organisatie van de FOD Justitie, die een bestuurlijke, gemotiveerde beslissing neemt nadat de prestatieverlener en de vertegenwoordiger van het taxatiebureau hun standpunt hebben uiteengezet.

Beslissingen van de directeur-generaal of zijn gedelegeerde zijn alleen vatbaar voor het gewone bestuursrechtelijk vernietigingsberoep bij de Raad van State.

Henri Boghe, beëdigd vertaler-tolk, zaakvoerder Translatica VOF

[1] https://www.rechtbanken-tribunaux.be/sites/default/files/nieuwe_wetgeving/paginas-van-07_1.pdf.

[2]https://www.rechtbanken-tribunaux.be/nl/nieuwe-wetgeving/23-maart-2019-wet-betreffende-de-gerechtskosten-strafzaken-en-gelijkgestelde.

[3] https://www.jubel.be/het-recht-van-gerechtstolken-op-effectieve-beroepsmogelijkheid-voor-onpartijdig-orgaan/.

[4] http://www.raadvanstate.be/arr.php?nr=243847.

[5] https://www.jubel.be/schending-van-rechtsstaatprincipe-bij-weigering-tot-samenstellen-commissie-voor-gerechtskosten/.

[6] https://www.rechtbanken-tribunaux.be/sites/default/files/nieuwe_wetgeving/gerechtskosten2020.pdf.

 

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.