Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat in Hasselt. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie van vrije beroepen. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie. Iedere week verschijnt zijn column “LAMON op woensdag” op Jubel.be .

Wie wil gelezen worden, moet om te beginnen een blitse titel boven zijn stuk zetten en verder iedereen een beetje uit zijn comfortzone halen. Nu u de weg naar dit stuk heeft gevonden, leest u misschien toch verder, hoewel het onderwerp van deze week taaie materie is waarvan u allicht hoopt dat een rechtenstudent ze niet als examenvraag voorgeschoteld krijgt.

Het Hof van Cassatie sprak op 18 maart een arrest uit, dat enkele dagen later plots via sociale media circuleerde. De verspreiders wilden natuurlijk laten zien: “ik weet het al, jij ook?” (In een deze week verschenen opiniestuk in De Standaard werd erop gewezen dat “u” achterhaald taalgebruik is). Natuurlijk heeft u (enige afstand tot de lezer mag hier) dat arrest al gelezen en heeft u er een mening over, of minstens doet u alsof.

Het cassatiearrest gaat over een zaakvoerder van een immovennootschap, waarover een bewindvoerder werd aangesteld. Die doet aangifte van het faillissement van zowel de vennootschap als de zaakvoerder. De ondernemingsrechtbank van Henegouwen en later het hof van beroep te Bergen weigeren de zaakvoerder echter failliet te verklaren omdat hij zelf geen onderneming zou zijn. Blijkbaar speelden daarbij een aantal overwegingen mee, zoals het feit dat de gezondheidstoestand van de bestuurder al lang niet meer toeliet dat hij actief was, hij daarvoor ook maar een minimale vergoeding ontving en alles erop wees dat het eigenlijk om een slapende vennootschap ging.

Er is al veel gepubliceerd over de vraag of een bestuurder van een vennootschap ook zelf als een onderneming moet worden beschouwd en in het kader van de afhandeling van een faillissement ook zelf failliet kan worden verklaard. In artikel XX.1.1° eerste alinea WER staat wat “een onderneming” is en onder meer “iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent”. In het cassatiearrest van 18 maart wordt geoordeeld dat die beroepsactiviteit moet bestaan uit “de inrichting van materiële, financiële of menselijke middelen met het oog op het uitoefenen van een professionele activiteit als zelfstandige”. Prof. Joeri Vananroye (KUL) liet er op LinkedIn geen twijfel over bestaan dat volgens hem die interpretatie “contra legem” is. Wat juridisch hoofs taalgebruik is om te zeggen dat het hoogste hof de bal misslaat of, nog anders gezegd, dat het Hof van Cassatie zich in de plaats van de wetgever wil stellen. Wanneer een juridische autoriteit van dat kaliber dat zegt mogen de wenkbrauwen worden gefronst. De wetgever mag best nu in actie schieten.

De zeer lezenswaardige en hoogstaande blog Corporate Finance Lab stelt intussen pertinente vragen. Wat betekent dat eigenlijk om “een eigen organisatie” te hebben? Wat is bijvoorbeeld de eigen organisatie van een advocaat die zijn of haar beroep uitoefent binnen een managementvennootschap die op haar beurt diensten levert aan een associatie”? “Is er daar nog een “een eigen organisatie”? Uitspraak wellicht binnenkort in een arrondissementsrechtbank in uw buurt?”, merkt de blog ironisch op.

Maar dat is natuurlijk niet alles. De advocatenvennootschap kan dus failliet worden verklaard, terwijl de advocaat zelf dan geen ondernemer (meer) is? Maar enkel de advocaat is ingeschreven op het tableau van de balie. Betekent dat dan dat enkel de advocaat die zijn activiteiten niet binnen een vennootschap uitoefent nog failliet kan gaan en zich daarvoor deontologisch zal moeten verantwoorden, maar niet de advocaat die hetzelfde werk doet maar factureert vanuit een vennootschap? En zou dat dan geen schending van het gelijkheidsbeginsel kunnen zijn, nu blijkbaar de ene advocaat de andere niet is?

En hoe zit het eigenlijk met de rol van het Hof van Cassatie bij de interpretatie van wetten? Enige tijd geleden was er wat commotie omdat het Hof een anticipatieve interpretatiemethode toepaste en dus de wet beoordeelde in het licht van nog niet door het parlement goedgekeurde en dus toekomstige wetteksten. Hoe zit het dan met een interpretatie die ingaat tegen de wil van de wetgever? Dit zou nog te verantwoorden zijn wanneer het Hof van Cassatie van mening zou zijn dat de wetgever ingaat tegen hogere normen, maar wat als dat soort discussies niet aan de orde zijn? Het zou allicht voor meer draagvlak zorgen indien het Hof van Cassatie die eigenzinnige keuze uitgebreid motiveert, zoals bijvoorbeeld het Europees Hof van Justitie doet. Nu blijft de gemiddelde rechtzoekende jurist toch wat op zijn honger zitten. De rechtsonzekerheid die door die merkwaardige interpretatie ontstaat zet de deur ook open voor allerhande wilde interpretaties en kan aanleiding geven tot misbruiken. Daar is niemand mee gediend.

Hugo LAMON

***

Meer blogposts lezen van Hugo Lamon? Dat kan hier!

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat in Hasselt. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie van vrije beroepen. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie. Iedere week verschijnt zijn column “LAMON op woensdag” op Jubel.be .

Bekijk alle artikelen

2 reacties

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  • Een advocaat heeft een schuld aan een gewezen cliënt. De zaak hangt voor de rechtbank. Intussen richt de advocaat een eenmansvennootschap op en herneemt het geding. Dat loopt niet goed af en in beroep wordt de vordering van de gewezen cliënt grotendeels gegrond verklaard ten aanzien van die vennootschap. Nadat voorstellen werden gedaan tot aanzuivering van een deel van de vordering en daarover nog geen akkoord werd bereikt, legt te vennootschap de boeken neer. De gewezen cliënt krijgt helemaal niets meer, want er is geen actief….
    Dan kan dus nu. De advocaat verlaat de balie na het faillissement. Ook deontologisch zal er niets meer gebeuren, als dit al de bedoeling was. Waardigheid en kiesheid, quo vadis ?

    • Ik heb de indruk dat de hervorming van de Insolventiewetgeving ervoor heeft gezorgd dat men naar hartelust kan foefelen en dat de schuldeisers / leveranciers nog meer in kou achterblijven dan voorheen al het geval was.
      Ondertussen ben ik blij dat ik het allemaal vanop een afstand kan bekijken maar vrolijk wordt men daar niet meer van