Repliek op de kritiek door de Orde van Vlaamse Balies op de komende anti-SLAPP wetgeving
In zijn meest recente tweewekelijkse column onder de titel “Voor je het goed doorhebt nagelen de media je aan het kruis” veegt de voorzitter van de Vlaamse balies, Mr. Peter Callens, de vloer aan met het anti-SLAPP wetsontwerp van justitieminister Verlinden. Dat wetsontwerp wil meer bescherming bieden aan kritische stemmen in het publiek debat en beoogt de omzetting van de EU-richtlijn 2024/1069. In België zijn meerdere journalisten, media, ngo’s, activisten en academici de voorbije jaren voor de rechter gedaagd en, vaak na lang en duur procederen, werd de vordering van de eiser afgewezen of leidde dit tot de vrijspraak. Het gaat om een vorm van “oorlogsvoering” via rechtsprocedures tegen personen die deelnemen aan het publiek debat.
Deze Strategic Lawsuits Against Public Participation, SLAPP’s dus, wil het wetsontwerp ontmoedigen via een aantal drempels en sancties of remedies. Daarmee wordt niet enkel de expressievrijheid van verweerders beter gewaarborgd, ook het maatschappelijk debat en de democratie worden ermee ondersteund. Belangrijk is ook dat dit project ervoor moet zorgen dat een einde komt aan het misbruik van justitie met dit soort SLAPP-procedures.
De timing van de column waarin de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies scherp uithaalt naar het wetsontwerp van minister Verlinden, is allicht geen toeval, een paar dagen voor de Commissie Justitie in het parlement het wetsontwerp verder behandelt en daarover ook de stemming al agendeerde.
Sneeuwwitje of ‘trial by media’
Mr. Callens lijkt wat laat wakker te schieten, want hij drukt zijn verwondering uit dat de Richtlijn van 2024 niet kiest voor slachtofferhulp bij trial by media, maar extra bescherming wil bieden aan journalisten, mediaorganisaties, mensenrechtenverdedigers, milieuorganisaties en andere ngo’s, activisten, kunstenaars, academici en wie weet zelfs advocaten die deelnemen aan het publiek debat. Volgens Mr. Callens gaat dit compleet de verkeerde kant op, want de Richtlijn gaat uit van “het gammele, sneeuwwitjesachtige postulaat dat wie met zijn visie van de feiten deelneemt aan het openbare debat, dat ook te goeder trouw, competent en waarheidsgetrouw doet”.
De Richtlijn gaat echter helemaal niet uit van dat sneeuwwitjesachtige postulaat. De Richtlijn is gebaseerd op overdonderend bewijs dat in vele Europese landen, overigens ook in België, justitie al te vaak wordt misbruikt door vooral economische en politieke actoren die rechtsvorderingen aanspannen om kritische stemmen te intimideren, het zwijgen op te leggen, op kosten te jagen of te bedreigen met forse schadevergoedingen. De belangrijkste waarborgen van de Richtlijn en dus straks ook van de nieuwe Belgische wetgeving zullen juist niet gelden voor bijvoorbeeld journalisten die te kwader trouw, incompetent, zonder betrouwbaar bronnenmateriaal of met miskenning van de basisregels van de journalistieke ethiek een (zwakke) persoon “aan het kruis nagelen” of diens privacy ongepast te grabbel gooien. In dergelijke gevallen blijven de basisregels en procedures onverminderd van kracht waar de advocatuur namens hun gedupeerde cliënten-eisers beroep op kunnen doen. Want vorderingen tegen dit soort journalistiek zullen door de rechter niet beoordeeld worden als misbruik van procesrecht.
Sterke en zwakke partijen
Mr. Callens zit ook fout waar hij stelt dat volgens de Richtlijn “per definitie” iemand die iets in de media publiceert de zwakke partij is. De correcte lectuur van de Richtlijn en de Europese Aanbevelingen, – zoals ook nog eens benadrukt in het wetsontwerp – maakt duidelijk dat voor het identificeren of iets misbruik van procesrecht is tegen personen betrokken in het publiek debat, een ongelijke financiële, economische of politieke machtspositie één van de criteria of één van de indicatoren is die de rechter in aanmerking kan nemen om iets als een SLAPP te beoordelen en daar dan vervolgens de mogelijke procedurele consequenties of remedies kan aan verbinden. Een SLAPP hoeft dus niet per definitie uit te gaan van een sterke partij tegen een zwakke partij. Maar niet zelden zal een machtsongelijkheid, met de eiser als kapitaalkrachtige en de verweerder als zwakkere partij, wel één van de kenmerken zijn.
Grensoverschrijdend of ook zuiver binnenlandse rechtszaken
Mr. Callens ergert zich vooral aan het feit dat het wetsontwerp “ongevraagd” de anti-SLAPP garanties van toepassing maakt op zuiver nationale procedures, terwijl de Richtlijn enkel grensoverschrijdende SLAPP’s viseert. Dat laatste is correct, het eerste is een verkeerde voorstelling van zaken. Die uitbreiding naar zuiver nationale procedures is niet enkel gevraagd, sterker: ze is aanbevolen en er is op aangedrongen door de Europese Commissie zelf, door het Comité van Ministers van de Raad van Europa én door het Federaal Instituut voor de Mensenrechten. Ook door de Hoge Raad voor de Justitie (HRJ) is aangedrongen op de uitbreiding die Mr. Callens met allerlei foute argumenten afwijst. Een citaat uit het advies van de HRJ: “De essentiële regels van de richtlijn staan in het voorontwerp en de HRJ staat positief tegenover het feit dat de Belgische wetgever het toepassingsgebied van de beschermingsmaatregelen wil uitbreiden tot de interne procedures. Die optie moet worden toegejuicht”.
Trouwens ook de journalistenverenigingen in dit land (VVJ en AJP) hebben omstandig gemotiveerd en erop aangedrongen om van de omzetting van de EU Richtlijn geen dode mus te maken en de nieuwe procedureregels dus niet te beperken tot zaken die in België nauwelijks bestaan in de praktijk, terwijl die nieuwe procedureregels juist nodig zijn waar de problemen zich wel stellen in zuiver binnenlandse procedures. Meer dan 90% van de als SLAPP-gesignaleerde zaken in Europa zijn immers “zuiver binnenlandse rechtszaken” en voor België ligt de verhouding zeker ook in die orde van grootte. Een wetswijziging die geen of nauwelijks impact zou hebben op de praktijk en zijn doel compleet zou missen, waar Mr. Callens dus op aandringt, is niet echt een voorbeeld van efficiënte wetgeving.
Het invoeren van anti-SLAPP waarborgen enkel voor zaken met grensoverschrijdende impact zou overigens in de praktijk aanleiding geven tot heel wat discussies. Advocaten voor eisers zouden zich ongetwijfeld kunnen uitsloven om het concept in uitgebreide conclusies te minimaliseren, terwijl de advocaten van verweerders flink wat Europeesrechtelijke bronnen uit de kast zouden moeten halen om aanspraak te kunnen maken op de anti-SLAPP waarborgen.
De optie die Mr. Callens bepleit impliceert dat een Nederlandse journalist die iets in België publiceert en die vervolgens in België gedagvaard wordt door een politicus, bedrijfsleider of onderneming, aanspraak kan maken op de anti-SLAPP waarborgen. Maar voor een Belgische journalist die analoge kritiek publiceerde of rapporteerde zouden de anti-SLAPP waarborgen niet gelden. Dat is allicht niet waar de Orde van Vlaamse Balies op aanstuurt. Ook de memorie van toelichting van het wetsontwerp van minister Verlinden haalt terecht dit argument aan: “Er bestaat immers geen enkele objectief verantwoorde reden om de slachtoffers van SLAPP in het kader van grensoverschrijdende procedures beter te beschermen dan de slachtoffers die het onderwerp van dergelijke procedures zijn in het kader van een louter nationale zaak”.
Het “wapen” tegen het tergend en roekeloos geding
Mr. Callens benadrukt nog dat het Belgisch procesrecht “sinds mensenheugenis wapens hééft om procesmisbruik te beteugelen en daarvoor niet moet wachten op de SLAPP-regeling”. De “wapens” waar Mr. Callens naar verwijst, namelijk het vorderen van tergend en roekeloos geding of procesmisbruik hebben evenwel al ruim en lang bewezen ontoereikend te zijn. Advocaten durven die procesregels amper in te roepen, en als dat al eens uitzonderlijk gebeurt blijken de rechters bijzonder terughoudend om iets als procesmisbruik te kwalificeren, laat staan daar een substantiële schadevergoeding of maximale rechtsplegingsvergoeding aan te verbinden. Dat is ook de reden waarom de Europese instellingen van de lidstaten bijkomende inspanningen vragen, omdat de praktijk leert dat de bestaande remedies tegen procesmisbruik in zaken van SLAPP’s niet functioneel of in de praktijk ontoereikend zijn. Het “wapen” waar Mr. Callens naar verwijst heeft niet eens de kracht van een speelgoedwaterpistool.
Immuniteit voor onrechtmatige journalistiek?
Mr. Callens vindt dat met de nieuwe regeling “een zekere immuniteit” wordt gecreëerd “voor wie meningen spuit ten koste van personen die ten onrechte aangevallen worden”. De SLAPP-regeling leidt in de verste verte niet tot enige immuniteit, het biedt enkel aan verweerders die zich in rechte moeten verantwoorden voor hun deelname aan het publiek debat de mogelijkheid om de rechter te verzoeken de zaak met voorrang te behandelen of de eiser die zich schuldig maakt aan procesmisbruik te veroordelen tot een boete, mogelijks een schadevergoeding of de betaling van de advocatenkosten van de verweerder, althans voor zover die kosten niet buitensporig zijn. Het getuigt van een misplaatst misprijzen voor de verweerders in SLAPP-zaken om te beweren dat zij “ten onrechte” de eisers hebben “aangevallen”. In werkelijkheid gaat het in SLAPP-zaken om verweerders die fraude, corruptie, belangenvermenging, onwettige praktijken of onethisch handelen van publieke personen of ondernemingen onder de aandacht brengen, telkens op basis van voldoende feitenmateriaal, vaak na grondig onderzoek en zich beroepend op betrouwbare bronnen. Bovendien: wie op onrechtmatige wijze via deelname aan het publiek debat schade toebrengt aan personen, zal finaal zelf veroordeeld worden. Van enige vorm van immuniteit kan dus geen sprake zijn.
Overbodig en nefast
Mr. Callens sluit zijn column af met de stelling dat de anti-SLAPP regeling “overbodig en nefast” is. Nog erger: de nieuwe regeling brengt volgens Mr. Callens “ons procesrecht uit evenwicht”. Laat het nu juist het hele opzet zijn om iets meer evenwicht te brengen in het procesrecht door de verweerders in dit soort zaken meer ondersteuning te geven en het voor de eisers in dit soort zaken juist iets moeilijker te maken, tenminste als de rechter die de zaak behandelt daartoe beslist. Dat Mr. Callens het anti-SLAPP beleid stigmatiseert als de versterking “van de schreeuwers op sociale media” is een flagrante miskenning van de ernst van de problematiek en van de negatieve impact die SLAPP-procedures hebben gehad en hebben op de verweerders. Het is ook een flauw argument ten opzichte van de jarenlange voorbereiding van dit beleid door expertengroepen met advocaten, rechters en academici. Het misprijzen dat Mr. Callens uitdrukt is ook een miskenning van de vele stappen die gezet zijn eerst door de Europese Commissie, dan via onderhandelingen tussen de lidstaten in de Raad én tenslotte in het Europees Parlement waar de teksten in verschillende commissies zijn behandeld en geamendeerd, om finaal de goedkeuring te krijgen van het Europees Parlement. Ook de minister van justitie heeft er met haar medewerkers bijna twee jaar over gedaan, rekening houdend met twee grondige adviezen van de Raad van State, om dit wetsontwerp uit te werken. Dit sluit uiteraard niet uit dat er kritiek mag zijn op Europese wetgeving of op een wetsontwerp van de regering, maar dan liefst met ernstige en pertinente argumenten. Niet zoals de schreeuwers op sociale media.
De rol van rechters en advocaten
Beter is de omzetting van de anti-SLAPP richtlijn aan te grijpen om het fenomeen van SLAPP’s effectief te bestrijden. Aan de rechters komt het straks toe om omzichtig, maar waar nodig, de anti-SLAPP waarborgen effectief toe te passen. Van de advocaten van de verweerders mag verwacht worden dat zij enkel om de anti-SLAPP waarborgen verzoeken in zaken die duidelijke SLAPP-kenmerken vertonen. Aan de advocaten van eisers wordt met de nieuwe wettelijke bepalingen duidelijk gemaakt dat het initiëren van een SLAPP en het vorderen van onevenredige of intimiderende maatregelen, voortaan voor hun cliënten negatieve gevolgen kunnen hebben. Dat mag hen er niet van weerhouden om personen betrokken in het publiek debat te dagvaarden in geval van onrechtmatige of strafbare uitingen. Maar niet elke reputatieschade is onterecht en bovendien geniet de expressievrijheid in het maatschappelijk debat een hoog beschermingsniveau in toepassing van artikel 19 en 25 van de Grondwet en van de rechtspraak van het EHRM in verband met artikel 10 EVRM. Dat is zo, en dat blijft zo.
Zowel de eisers als de verweerders hebben er tenslotte alle belang bij dat hun advocaten en de rechters een inspanning doen om in dit soort zaken zo vlug mogelijk tot een eindbeslissing te komen. Ook van de advocatuur mag dus enige positieve inbreng worden verwacht. Gehoopt mag worden dat de krampachtige oppositie die tot nu toe werd vertolkt vanuit de Orde van Vlaamse Balies, plaats maakt voor sensibilisering en dat dit tot meer alertheid of omzichtigheid leidt vanwege (sommige) advocaten alvorens te dreigen met rechtsprocedures met SLAPP-kenmerken of zulke procedures op te starten. Hoe dan ook moet de ethische code voor advocaten meer aandacht krijgen en kan de naleving ervan ongetwijfeld aangescherpt worden.
Dat de Voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies misbruik vreest van de nieuwe procedureregels, is niet enkel een miskenning of onderschatting van de beoordelingscapaciteit door de magistratuur, maar drukt ook een wantrouwen uit naar de eigen beroepsgroep. Immers, als er al pogingen zouden komen tot misbruik van de anti-SLAPP regels, dan zijn het wel de advocaten van verweerders die een defensief schild als een aanvalswapen proberen te hanteren.
Kortom, van de advocatuur mogen we meer verwachten dan een verkrampt achterhoedegevecht. Het is immers de taak en opdracht van de advocatuur om een cruciale bijdrage te leveren aan de verdediging van de democratische rechtstaat.
Dirk Voorhoof, namens de Belgische anti-SLAPP werkgroep, www.slapp.be




0 reacties