Naar aanleiding van een beslissing van de Nederlandstalige tuchtraad van beroep voor advocaten van 14 januari 2026 over een Limburgse advocate die als gastvrouw bijsprong in het restaurant van haar echtgenoot, is er recent heel wat aandacht besteed aan het zogenaamde ‘reglement perimeter’ dat bepaalt onder welke voorwaarden een advocaat een ‘nevenactiviteit’ mag uitoefenen.
Deze bijdrage is geen analyse van deze beslissing en pretendeert evenmin een volledige historiek te geven van het ontstaan en de toepassing van het reglement inzake onverenigbaarheden.[1] Zij wil enkel een knuppel in het hoenderhok gooien en een of meerdere kapstokken aanreiken om te vermijden dat het kind met het badwater wordt weggesmeten.
Het is geen publiek geheim meer dat ondergetekende een koele minnaar is van het reglement perimeter.[2] Het reglement is op 19 december 2018 unaniem goedgekeurd door de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse balies door twee groepen die mogelijk elk een eigen bedoeling hadden. Er was enerzijds de groep die het ‘Spaans model’ genegen was en die het advocaten, die moeite hadden om rond te komen,[3] wilde mogelijk maken elders iets bij te verdienen. Anderzijds was er de groep die de perimeter van de advocaat wilde verruimen door het mogelijk te maken ook andere dan louter ‘advocatuurlijke’ diensten aan te bieden. Deze strekking verwees graag naar het rapport aan de minister van Justitie over de toekomst van het advocatenberoep van ‘de twee Patrick’s’.[4]
Uit de eerste toepassingen van het nieuwe reglement bleek dat de ‘Spaanse strekking’ de overhand had. Zo werd het aan advocaten toegelaten nevenactiviteiten te ontwikkelen zoals de invoer en verkoop van textiel uit Pakistan in de vorm van een vennootschap onder firma,[5] het uitbaten van een reisbureau,[6] het werken als tuinaannemer[7] enz.
De bocht van de balie
Na enkele jaren maakten de balies echter een bocht. Reeds in het advies nr. 687 van 10 december 2020 maakte bestuurder deontologie Jan Meerts allusie op een grondige bespreking van de problematiek in de commissie deontologie. In het nummer 2021/3 van Today’s Lawyer verscheen zijn tekst “Grenzen aan de perimeter van het beroep van advocaat?”.[8]
Hieruit bleek dat de algemene vergadering van de OVB bij het uitvaardigen van het reglement van 19 december 2018 mogelijk iets te voortvarend te werk was gegaan. De afgevaardigden gingen er namelijk van uit dat, na de wijzigingen aan het ondernemingsrecht[9] en de schrapping van de begrippen “handelaar” en “koopman” door de wet van 15 april 2018, artikel 437, eerste lid, 3° Ger.W., dat het drijven van handel en nijverheid onvoorwaardelijk onverenigbaar verklaart met het beroep van advocaat, snel op de schopstoel zou gaan.
Bovendien (her-) ontdekte de balie het belang van de (overgangs-)regeling vervat in artikel 254 van de wet van 15 april 2018. Deze bepaling stelt dat de nieuwe wet geen wijziging aanbrengt aan de wettelijke, reglementaire of deontologische bepalingen die, met verwijzing naar de begrippen handelaar, koopman of afgeleide begrippen, beperkingen opleggen aan de toegelaten activiteiten van gereglementeerde beroepen. De oude termen en hun invulling bleven, met andere woorden, relevant voor de toepassing van de onverenigbaarheidsregel vervat in artikel 437 Ger.W.
Ook het reglement perimeter leek hier een slag om de arm te hebben gehouden. Staat er in artikel 11bis van de Codex immers niet “Onverminderd de toepassing van artikel 437 Ger.W.”?
Minstens de Nederlandse Orde bij de balie van Brussel communiceerde openlijk dat een en ander voor gevolg heeft dat voortaan geen activiteiten meer zouden worden gefiatteerd, die als het “drijven van handel en nijverheid” kunnen worden aangemerkt.[10] Met het oog op het bekomen van enige uniformiteit bij de toepassing van deze onverenigbaarheidsregels werden de stafhouders ook verzocht om periodiek de lijst van toegelaten en ‘verboden’ activiteiten mee te delen aan de OVB, die, na anonimisering, zou instaan voor de verspreiding hiervan.
Over wat er moest gebeuren met de confraters die voorheen een “commerciële” nevenactiviteit hadden aangevat na een positief advies van hun stafhouder en/of de OVB-bestuurder deontologie, bestond de grootste onduidelijkheid. Minstens de stafhouder van de balie van Antwerpen heeft de betrokken confraters van zijn rechtsgebied ondervraagd om na te gaan of de voorgestelde en voorheen ‘goedgekeurde’ activiteit nog steeds werd uitgeoefend. Welk verder gevolg hieraan gegeven werd, is mij niet bekend.
Een ‘uitbreiding’ van de onverenigbaarheden?
Een en ander zou voor gevolg kunnen hebben dat ook activiteiten die vóór het reglement perimeter van 19 december 2018 waren toegelaten, al dan niet na voorafgaande melding aan de stafhouder, plots voor advocaten ook verboden waren.
Het spreekt echter voor zich dat de balie de draagwijdte van artikel 437 Ger.W. niet kan uitbreiden. Dat kan enkel de wetgever. Het is even vanzelfsprekend dat bepaalde activiteiten, die niet geviseerd zijn door dit artikel, wel in strijd kunnen worden geacht met de beginselen van kiesheid, waardigheid en rechtschapenheid noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van advocaat, maar dit is dan materie voor de ‘echte tucht’,[11] waarvoor de beslissingsbevoegdheid ligt bij de tuchtraad en de tuchtraad van beroep, en niet voor een procedure ‘zoals in tucht’ bij de lokale Raad van de Orde.
Anderzijds kan bezwaarlijk worden voorgehouden dat een activiteit die vóór 2018 werd toegelaten, na de wijziging van het “ondernemersbegrip” plots niet meer mogelijk zou zijn voor advocaten wegens strijdigheid met de regels van kiesheid, waardigheid en rechtschapenheid, waar dat voorheen niet het geval werd geacht.
Om welke activiteiten zou het dan kunnen gaan?
In de huidige stand van de toepassing van het reglement perimeter lijkt het uitgesloten dat een advocaat de toelating zou krijgen om gedelegeerd bestuurder te worden van een vennootschap waarvan het voorwerp bestaat uit wat kan worden aangemerkt als “het drijven van handel en nijverheid”. Het leiden van dergelijke vennootschap wordt door artikel 11 van de Codex immers gelijkgesteld met een persoonlijke activiteit van de advocaat zelf:
“De activiteit van de onderneming die niet het beroep van advocaat uitoefent en waarover een advocaat de bevoegdheden van dagelijks bestuur uitoefent of waarin de advocaat uitvoerend bestuurder is of de effectieve leiding uitoefent, onder welke titel ook, wordt voor de toepassing van deze afdeling gelijkgesteld met een andere activiteit die de advocaat persoonlijk uitoefent.”
In de huidige stand van de rechtspraak lijkt het dan ook uitgesloten dat een advocaat van zijn stafhouder de toelating zou kunnen bekomen om actief te zijn als gedelegeerd bestuurder (of zaakvoerder) van een besloten vennootschap waarvan het voorwerp bestaat uit het uitbaten van, pakweg, een restaurant.
Maar ook het – tegen vergoeding – verhuren, leasen, verkopen van bureelmateriaal, kantooruitrusting, kantoorgebouwen, het aanbieden van administratieve diensten, het onderhoud en beheer van lokalen, het opslaan van archieven, het ontwikkelen en in licentie geven van software enz. zijn commerciële activiteiten die, onder het vroegere recht, werden aangemerkt als het “drijven van handel en nijverheid”.
En laat dit nu ook net het voorwerp zijn van talloze dienstverlenende vennootschappen of zogenaamde “middelenvennootschappen” …
Tot 27 februari 2007, de datum van de inwerkingtreding van het OVB-reglement samenwerkingsverbanden van 8 november 2006, werden dergelijke dienstverlenende vennootschappen uitdrukkelijk geregeld in de Brusselse Codex, de zogenaamde Deontologische Regels en Huishoudelijk Reglement.[12]
Vooral het artikel 296 en de daarbij horende toelichting zijn, in het kader van de huidige problematiek, relevant:
“Art. 296 De leden van een samenwerkingsverband, zoals bedoeld in de artikelen 302, 2° en 302, 3°, mogen onderling een rechtspersoon oprichten, zelfs in de vorm van een handelsvennootschap en zonder beperking van aard, voor zover die rechtspersoon daadwerkelijk tot enig doel heeft in rechtstreeks en uitsluitend verband met het beroep roerende of onroerende investeringen te doen of middelen te creëren om de uitoefening van het beroep van advocaat door zijn vennoten of leden te vergemakkelijken.
Toelichting: Een regeling van dienstverlenende vennootschap is nog nodig omdat een advocaat in dergelijke vennootschap, zonder voorafgaande toelichting, een mandaat van dagelijks bestuur mag aanvaarden.”
In het OVB-reglement samenwerkingsverbanden van 8 november 2006 vindt men echter geen enkele verwijzing terug naar het begrip “middelenvennootschap” of “dienstverlenende vennootschap”. Deze vorm van organisatie werd bewust niet gereglementeerd. De toelichting bij dit reglement vermeldt ook de redenen hiervoor:
“Het reglement bevat bijgevolg geen voorschriften betreffende zogenaamde dienstverlenende vennootschappen. Het gemeenrecht behoeft hiervoor geen aanpassing. De Orde heeft op dit segment van de markt trouwens geen vat.
Initiatieven van privaatrechtelijke marktspelers die zich exclusief, hoofdzakelijk, regelmatig of louter occasioneel op de advocatuur richten (genre Regus, juridische secretariaten, IT ondersteuning, administratieve services, …) bestaan sowieso.”
Er was, op dat ogenblik, met andere woorden, geen nood meer aan de regeling van de tussenkomst van advocaten bij de oprichting en het bestuur van dienstverlenende vennootschappen. Deze tussenkomst werd geregeld door het gemeenrecht, de algemene deontologische regels van kiesheid, waardigheid en rechtschapenheid en de algemene regels inzake het uitoefenen van bestuursmandaten.
Geen haar op het hoofd van de OVB-regelgevers dacht er op dat ogenblik aan om de advocaten die (met vroegere toelating) gedelegeerd bestuurder waren van dergelijke dienstverlenende vennootschappen, te verplichten hun mandaat neer te leggen.
Zal dat nu wel het geval zijn?
Back to the future
Waarom kon vroeger, wat nu uitgesloten lijkt? Was het vroeger dan toch beter?
De reden waarom een advocaat vroeger gedelegeerd bestuurder kon zijn van een “handelsvennootschap”, is gelegen in een correcte toepassing van de regels ter zake. Een correcte toepassing die, met enige juridische creativiteit, ook een oplossing kan bieden voor de huidige problematiek van de nevenactiviteiten en artikel 437 Ger.W.
De vroegere deontologische regelgevers gingen er – terecht – van uit dat een (gedelegeerd) bestuurder van een “handelsvennootschap” zelf geen “handelaar” was.[13] De bestuurder treedt, binnen de perken van zijn mandaat, op als orgaan van de vennootschap. Het is de vennootschap die “handel of nijverheid” drijft.
De situatie van de bestuurder van een vennootschap viel dan ook niet onder artikel 437, eerste lid, 3 ° van het Gerechtelijk Wetboek, maar wel onder artikel 437, eerste lid, 4°:
“alle bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden, openbare of particuliere, tenzij ze noch de onafhankelijkheid van de advocaat, noch de waardigheid van de balie in gevaar brengen.”
In tegenstelling tot artikel 437, eerste lid, 3°, houdt het 4° dus geen onvoorwaardelijke onverenigbaarheid in. Een activiteit als bestuurder, zelfs gelast met het dagelijks bestuur, kan worden toegelaten zolang ze niet strijdig is met de onafhankelijkheid van de advocaat en de waardigheid van de balie niet in gevaar brengt.
Dit geeft ook volle gelding aan de mogelijkheid geboden door artikel 11ter van de Codex:
“De raad van de Orde mag het voeren van een andere activiteit onderwerpen aan voorwaarden, onder meer dat die ondergebracht wordt in een afzonderlijke vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.”
Deze voorwaarde kan worden opgelegd, niet alleen voor de beperking van de aansprakelijkheid en de afscherming van de advocatenpraktijk, maar ook omwille van het feit dat het zou gaan om een activiteit van “handel en nijverheid” die een advocaat niet ten persoonlijke titel mag uitoefenen, gelet op artikel 437, 3°.
Besluit
Het is niet omdat de wet van 15 april 2018 de begrippen “handelaar” en “koopman” heeft behouden voor toepassing van de deontologische regels en de onverenigbaarheden, dat de balie deze begrippen mag of moet verruimen. Iemand die vroeger geen handelaar was, is het in 2018 niet geworden.
De beoordeling van een uitvoerend bestuursmandaat onder artikel 437, eerste lid, 4° Ger.W. laat de balie, én de tuchtraad van beroep, wel een appreciatiemarge. Het aanvoelen welke activiteiten de onafhankelijkheid van de advocaat aantasten en/of de waardigheid van de balie in het gedrang brengen, kan evolueren in de tijd.
Het lijkt mij alleszins vanzelfsprekend dat dienstverlenende vennootschappen, die in het verleden werden toegelaten, vandaag niet anders moeten behandeld worden. Daarvoor bestaat geen enkele verantwoording. Sinds 2007 werd hierover zelfs een soepeler standpunt ingenomen dan voorheen, standpunt dat ook vandaag nog een juridische basis kan vormen voor het toelaten aan advocaten tot het opnemen van mandaten van dagelijks bestuur in, bijvoorbeeld, vennootschappen actief op het vlak van Legal Tech en andere, moderne, dienstverlening aan de advocatenpraktijk.
Luc Vanheeswijck, gewezen kabinetschef van de stafhouder van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel



0 reacties