Expertise

Geen mogelijkheid tot hoger beroep voor het OM bij de regeling van de rechtspleging inzake Elektronisch Toezicht

Avatar
Geschreven door Jubel

Bij arrest van 29 oktober 2019 oordeelde het Hof van Cassatie dat het Openbaar Ministerie geen hoger beroep kan instellen tegen de beschikking van de raadkamer om bij de regeling van de rechtspleging te beslissen dat de voorlopige hechtenis die tot dan in een gevangenis werd uitgevoerd, verder zal worden uitgevoerd onder elektronisch toezicht (hierna ET). Deze mogelijkheid werd immers niet voorzien bij wet. De oorzaak van deze leemte kan wellicht gevonden worden in het aanvankelijke toepassingsgebied van het ET. Deze tekst is een korte  samenvatting van een noot die zal verschijnen in het augustus-nummer van het Tijdschrift voor Strafrecht.

Het aanvankelijke toepassingsgebied van het ET

Het ET werd bij wet van 27 december 2012 ingevoerd als modaliteit van de voorlopige hechtenis. Het ET is bijgevolg een vorm van hechtenis, en geen vorm van invrijheidstelling. Daarnaast opteerde de wetgever er uitdrukkelijk voor om het ET voor te behouden voor de onderzoeksfase. Na de regeling van de rechtspleging kon er dus geen sprake meer zijn van een voorlopige hechtenis uitgevoerd onder ET.

In de praktijk werd een lopend ET echter vaak over de regeling van de rechtspleging heen verdergezet. Bij arrest van 11 februari 2015 stelde het Hof van Cassatie terecht paal en perk aan deze onwettige praktijk, met tal van ongewenste vrijlatingen voor gevolg. Er kan van de raadkamer immers niet worden verwacht dat zij beslissingen treft die niet in de wet zijn voorzien.

De wetgever greep in bij wet van 5 februari 2016 waarbij de raadkamer de mogelijkheid kreeg om een lopend ET te verlengen, doch zonder mogelijkheid voor de raadkamer om zelf een ET te creëren. Deze ongelijkheid werd op haar beurt teniet gedaan door het Grondwettelijk Hof bij arrest dd. 21 december 2017. Thans kan de raadkamer bij de regeling van de rechtspleging bijgevolg zowel een ET handhaven als opleggen. Op deze manier werd het ET dan toch – tegen de aanvankelijke wil van de wetgever in – geïntroduceerd in de vonnisfase.

Het hierboven geschetste hobbelige parcours kan wellicht verklaren waarom de wetgever niet expliciet voorzien had in een beroepsmogelijkheid voor het Openbaar Ministerie tegen deze beschikking van de raadkamer waarbij tot een ET werd beslist: aanvankelijk was het niet de bedoeling om een ET verder te zetten na de regeling van de rechtspleging, later – na de wet van 5 februari 2016 – kon de raadkamer uitsluitend een reeds lopend ET handhaven, en niet opleggen.

De libellering van artikel 26, § 4 VHW

Artikel 26 VHW regelt de weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen. Hierbij werd het (in de praktijk vaak vergeten) beginsel gehanteerd dat eenmaal het gerechtelijk onderzoek formeel een einde neemt, de verdachte in principe zijn vrijheid herwint. Indien het onderzoeksgerecht oordeelt dat de voorlopige hechtenis niet gehandhaafd moet worden, is er dus geen aparte beschikking ter zake nodig. De invrijheidstelling vloeit immers voort uit de wet zelf. Wanneer het onderzoeksgerecht integendeel van oordeel is dat de voorlopige hechtenis gehandhaafd moet worden, moet dit gebeuren bij een afzonderlijke beschikking, gemotiveerd als een bevel tot aanhouding (art. 26, § 3 VHW).

Bij de regeling van de rechtspleging wordt dus niet per definitie een beschikking tot invrijheidstelling uitgesproken. Wanneer het Openbaar Ministerie het oneens is met de invrijheidstelling van de verdachte, is er dan ook niet steeds een beschikking voorhanden waartegen hoger beroep kan ingesteld worden. Het is om die reden dat de betreffende paragraaf 4 van artikel 26 VHW als volgt werd opgesteld: “Ingeval uit de beschikking van de raadkamer de in vrijheidstelling van de verdachte volgt, kan de procureur des Konings hiertegen, wat de voorlopige hechtenis betreft, hoger beroep aantekenen binnen vierentwintig uren […]”. Op deze manier werd een mogelijkheid tot hoger beroep voor het Openbaar Ministerie gecreëerd, ook ingeval er geen afzonderlijke beschikking werd genomen aangaande de invrijheidstelling van de verdachte.

Deze libellering heeft evenwel verregaande gevolgen voor de hier besproken materie. Gelet op het feit dat het ET geconcipieerd werd als een vorm van hechtenis op een bepaald adres, lijkt niet voldaan aan de in de wet bepaalde vereiste voor het Openbaar Ministerie om hoger beroep te kunnen aantekenen. Uit een beschikking tot toekenning van ET volgt immers geen invrijheidstelling van de verdachte.

Evenmin voorziet artikel 30 VHW – dat het hoger beroep regelt inzake voorlopige hechtenis – in de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen tegen de beschikking van de raadkamer conform artikel 26 VHW, nu daarin uitsluitend verwezen wordt naar de artikelen 21, 22 en 28 VHW.

Er is bijgevolg geen wettelijke basis voorhanden voor het Openbaar Ministerie om hoger beroep aan te tekenen tegen de afzonderlijke beschikking van de raadkamer om bij de regeling van de rechtspleging te beslissen dat de voorlopige hechtenis verder zal worden uitgevoerd onder ET.

Conclusie

Met dit arrest legt het Hof van Cassatie de bal opnieuw in het kamp van de wetgever. Het lijkt immers niet de bedoeling om het Openbaar Ministerie bij de regeling van de rechtspleging een rechtsmiddel te ontzeggen, louter inzake ET. Het is evenwel aangewezen om ditmaal doordacht en omvattend te werk te gaan. De regelgeving inzake ET in het kader van de voorlopige hechtenis ligt immers geregeld onder vuur. Meer in het algemeen lijkt een doordachte herziening van de Voorlopige Hechteniswet, na 11 wetwijzigingen en een reeks vernietigingen door het Grondwettelijk Hof in vijf jaar tijd, dringend op zijn plaats.

 

Philip Daeninck, Advocaat-Vennoot,

Delbrouck & Daeninck advocaten

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.