Geen mening maar misdrijf: waarom het discours van Cofnas strafbaar is cover

20 mrt 2026 | Criminal Law

Geen mening maar misdrijf: waarom het discours van Cofnas strafbaar is

Recente Jobs

Advocaat Advocaat-stagiair
Ondernemingsrecht
0-5 jaar
Brussel
Accounting officer
Accountancy
5 - 10 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Accountant
Accountancy
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Belastingadviseur
Accountancy Fiscaal recht
0 - 3 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Notarieel jurist
Notariaat
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant

​Het discours van de Amerikaanse filosoof Nathan Cofnas wordt in het publieke debat vaak verdedigd onder de vlag van academische vrijheid en vrije meningsuiting. Die framing is juridisch misleidend. Wanneer men zijn concrete uitspraken en geschriften nauwgezet analyseert in het licht van het Belgische strafrecht en meer bepaald de antiracismewet van 30 juli 1981, komt men tot een andere conclusie. Het gaat hier niet om het grensgeval van beschermde meningsuiting, maar om een samenhangend discours dat onder de artikelen 20 en 21 van die wet kan worden gekwalificeerd als strafbaar.

Het juridisch kader is duidelijk. Artikel 20 van de antiracismewet sanctioneert het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon of groep wegens zogenaamd ras, huidskleur of afkomst, wanneer dit gebeurt in de omstandigheden van artikel 444 Strafwetboek, met name via publieke verspreiding. Artikel 21 viseert het verspreiden van denkbeelden die gegrond zijn op rassuperioriteit of rassenhaat, eveneens in een publieke context. De rechtspraak van het Hof van Cassatie vereist daarbij geen bijzonder opzet. Het volstaat dat de dader willens en wetens een discours verspreidt dat objectief aanzet tot discriminatie of dergelijke denkbeelden uitdraagt. De drempel ligt dus niet bij expliciete oproepen tot haat, maar bij de objectieve draagwijdte van het discours.

Tegen deze achtergrond moet het werk van Cofnas worden gelezen. In zijn academische publicaties verdedigt hij expliciet de hypothese dat genetische factoren een rol kunnen spelen in verschillen in intelligentie tussen ‘populaties’, die hij in zijn bredere discours koppelt aan raciale categorieën. Op zichzelf kan dit nog worden gepresenteerd als een controversiële wetenschappelijke hypothese. Maar juridisch relevant is de context waarin deze hypothese wordt ingebed en de normatieve conclusies die Cofnas eraan verbindt. Zijn werk blijft niet steken in abstracte epistemologie. Het ontwikkelt een coherente visie waarin raciale groepen worden voorgesteld als biologisch onderscheiden entiteiten met structureel verschillende cognitieve capaciteiten.

Die stap is cruciaal. Zodra een discours systematisch een hiërarchie tussen raciale groepen postuleert, raakt het aan de kern van wat artikel 21 viseert: denkbeelden gegrond op rassuperioriteit. Cofnas’ geschriften bevatten precies dat. Wanneer hij stelt dat genetische varianten die intelligentie beïnvloeden ongelijk verdeeld kunnen zijn over populaties en dat dit verschillen in cognitieve prestaties kan verklaren, vormt dat niet louter een neutrale hypothese, maar de empirische basis voor een hiërarchisch mensbeeld. In zijn verdere teksten wordt deze basis expliciet vertaald in sociale en politieke implicaties.

Dat blijkt bijzonder duidelijk uit zijn uitspraken over meritocratie. Cofnas stelt dat in een “echte meritocratie” zwarte mensen “zouden verdwijnen uit bijna alle prominente posities buiten sport en entertainment” en dat het aantal zwarte professoren aan topuniversiteiten naar nul zou neigen. Deze uitspraak kan onmogelijk worden gereduceerd tot een descriptieve observatie. Zij presenteert een samenleving waarin een volledige raciale groep quasi afwezig is uit intellectuele en leidinggevende functies als het logische en zelfs wenselijke gevolg van haar vermeende lagere cognitieve capaciteiten.

Hier is de grens van artikel 21 manifest overschreden. Dit is geen impliciete suggestie, maar een expliciete articulatie van een hiërarchie tussen rassen, waarbij zwarte personen als structureel minder geschikt worden voorgesteld voor intellectuele en maatschappelijke topfuncties. Het gaat om een klassiek rassuperioriteitsdiscours. Sommige groepen worden geacht van nature beter te presteren en dus gerechtigd om dominante posities in te nemen, terwijl andere groepen daar “natuurlijk” niet thuishoren. De publieke verspreiding van dergelijke denkbeelden, via blogs en artikelen, voldoet zonder meer aan de openbaarheidsvereiste van artikel 444 Strafwetboek.

Daarnaast heeft dit discours ook een duidelijke impact in het licht van artikel 20. Cofnas beperkt zich niet tot het formuleren van een hiërarchisch mensbeeld, maar trekt daaruit expliciete normatieve conclusies. Hij stelt dat maatschappelijke systemen rekening moeten houden met het feit dat “talent niet gelijk verdeeld is binnen of tussen groepen”. In combinatie met zijn eerdere uitspraken betekent dit dat onderwijsinstellingen, werkgevers en andere maatschappelijke actoren volgens hem hun selectie- en promotiebeleid moeten afstemmen op raciale groepsverschillen in cognitieve capaciteiten.

Dat is juridisch niet neutraal. Het komt neer op het legitimeren en aanmoedigen van discriminerend handelen. Wanneer men stelt dat het rationeel en noodzakelijk is om bij maatschappelijke selectie rekening te houden met raciale verschillen in intelligentie, verlaagt men de drempel voor concrete discriminatie op grond van zogenaamd ras. De doctrine en rechtspraak erkennen dat “aanzetten tot discriminatie” niet beperkt is tot expliciete oproepen, maar ook kan bestaan in het ideologisch normaliseren van ongelijkheid. Cofnas’ discours doet precies dat: het presenteert structurele uitsluiting van bepaalde groepen als wetenschappelijk gefundeerd en dus gerechtvaardigd.

Die tendens wordt nog versterkt door zijn verdediging van wat hij zelf “race realism” noemt. In die benadering worden raciale categorieën voorgesteld als biologische realiteiten met stabiele cognitieve verschillen, en wordt betoogd dat sociale structuren deze verschillen moeten erkennen en niet mogen “negeren”. Ook dit is meer dan een descriptieve stelling. Het is een normatief project dat pleit voor het behoud van “racial distinctions” en voor een maatschappelijke organisatie die deze verschillen institutioneel weerspiegelt.

In het licht van de antiracismewet kan dit moeilijk anders worden gelezen dan als een aanzet tot segregatie. Het suggereert dat raciaal neutrale of inclusieve structuren onwenselijk zijn en dat een samenleving die raciale verschillen niet expliciet organiseert, een fundamentele realiteit miskent. Daarmee wordt een ideologische basis gelegd voor systemen waarin groepen gescheiden worden gehouden of waarin hun maatschappelijke rollen langs raciale lijnen worden verdeeld. Artikel 20 viseert uitdrukkelijk ook dergelijke aanzetten tot segregatie.

Het verweer dat hiertegen steevast wordt opgeworpen, is dat Cofnas zich beroept op academische vrijheid en het principe van “free inquiry”. Dat verweer houdt juridisch geen stand. De vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd door artikel 19 Grondwet en artikel 10 EVRM, is niet absoluut. Zij kan worden beperkt bij wet, onder meer ter bescherming van de rechten van anderen en ter bestrijding van racisme. De antiracismewet vormt precies zo’n wettelijke beperking. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk bevestigd dat staten een ruime beoordelingsmarge hebben om op te treden tegen uitingen die aanzetten tot discriminatie of haat, zelfs wanneer die in een intellectuele of politieke context worden geformuleerd.

Ook de academische context biedt geen immuniteit. De Belgische rechtspraak heeft duidelijk gemaakt dat de verpakking van een discours als “wetenschappelijk”, “filosofisch” of “kritisch” niet verhindert dat het strafbaar kan zijn wanneer het objectief aanzet tot discriminatie of rassuperioriteitsideeën verspreidt. Het recht kijkt naar de inhoud en de impact van de uiting, niet naar het etiket dat eraan wordt gehangen. Een racistische ideologie wordt niet rechtmatig omdat zij in academische terminologie wordt gegoten.

Het is precies deze vermenging van pseudowetenschappelijke claims en normatieve conclusies die het discours van Cofnas juridisch problematisch maakt. Hij presenteert zijn stellingen als het resultaat van onbevangen wetenschappelijk onderzoek, maar gebruikt ze tegelijk om een maatschappelijke ordening te legitimeren waarin raciale ongelijkheid centraal staat. Daarmee overschrijdt hij de grens van beschermde meningsuiting en begeeft hij zich op het terrein dat de wetgever uitdrukkelijk heeft willen sanctioneren.

De conclusie dringt zich dan ook op. Wie de uitspraken en geschriften van Cofnas leest in hun samenhang, kan moeilijk volhouden dat het hier louter gaat om controversiële ideeën die binnen het academisch debat thuishoren. Het gaat om een coherent discours dat rassuperioriteit postuleert, structurele ongelijkheid normaliseert en aanzet tot discriminerend en segregerend handelen. In het Belgische recht valt dat niet onder de bescherming van de vrije meningsuiting, maar onder de strafbepalingen van de antiracismewet. Dat is geen kwestie van ideologische voorkeur, maar van juridische kwalificatie.

Pierre Thiriar – Raadsheer hof van beroep Antwerpen, Lector gerechtelijk recht AP Hogeschool Antwerpen, Onderwijsassistent Onderzoeksgroep rechtshandhaving UAntwerpen

Deze bijdrage vertolkt louter de opinie van de auteur in eigen naam.

Andere opiniestukken van Pierre Thiriar lees je hier.

Recente Jobs

Advocaat Advocaat-stagiair
Ondernemingsrecht
0-5 jaar
Brussel
Accounting officer
Accountancy
5 - 10 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Accountant
Accountancy
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Belastingadviseur
Accountancy Fiscaal recht
0 - 3 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Notarieel jurist
Notariaat
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *