Philip Daeninck

Philip Daeninck is sinds 2000 advocaat aan de balie van Limburg. Hij was tevens onderzoeker aan het NICC en wetenschappelijk medewerker aan de KULeuven, alwaar hij thans ook praktijklector is. Daarnaast is hij sinds 2016 lid van de Commissie Strafrecht van de OVB en publiceert hij geregeld over diverse onderwerpen aangaande het straf(proces)recht.

De taak van het strafrecht bestaat erin om op een beschaafde manier te reageren op gepleegde criminaliteit.

Het valt zorgwekkend te noemen dat advocaten steeds vaker in het vizier lijken te komen van politie en parket, in het bijzonder wanneer er een onderzoek gevoerd wordt naar een mogelijke criminele organisatie. Tot een daadwerkelijke vervolging – laat staan veroordeling – komt het uitermate zelden, doch het gegeven dat advocaten steeds vaker ter verantwoording worden geroepen voor de wijze waarop zij de verdediging van hun cliënt waarnemen, is opmerkelijk. Er dient alleszins over gewaakt te worden dat de advocaat zijn taak in alle onafhankelijkheid en vrij van enige angst voor vervolging kan vervullen.

In een omvangrijk strafdossier werd een advocaat recent buiten vervolging gesteld voor lidmaatschap aan een criminele organisatie. Het Openbaar Ministerie had aanvankelijk de doorverwijzing naar de correctionele rechtbank gevraagd, doch berustte uiteindelijk in het oordeel van de raadkamer. De beslissing van de raadkamer is leerrijk aangezien duidelijk wordt bepaald aan welke vereisten moet voldaan zijn vooraleer men als advocaat vervolgd kan worden voor lidmaatschap aan een criminele organisatie.

De juridische omschrijving van lidmaatschap aan een criminele organisatie

Artikel 324ter, § 1 Sw. beoogt de bestraffing van een persoon, niet om reden van zijn persoonlijke deelname aan misdrijven of zijn persoonlijke bedoeling misdrijven te plegen, maar enkel om reden van zijn lidmaatschap aan de criminele organisatie, op voorwaarde dat hij kennis heeft van de criminele aard van de organisatie waartoe hij behoort. Men kan bijgevolg lid zijn van een criminele organisatie zonder zelf enig misdrijf te plegen. Het wetsartikel viseert verder iedere persoon die er wetens en willens bij betrokken is “het plegen van misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken”. Deze omschrijving brengt de advocatuur in een delicate situatie wanneer zij de verdediging waarneemt – of zo men wil “organiseert” – van personen die verdacht worden van deelname aan een criminele organisatie.

Voorgaande was de wetgever evenwel niet ontgaan. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt: “Opdat een advocaat kan worden gestraft wegens het deelnemen aan geoorloofde activiteiten van een criminele organisatie, is vereist dat hij weet dat hij optreedt voor een criminele organisatie en weet (of moet weten) dat zijn deelneming bijdraagt tot de doelstellingen van de criminele organisatie. Vanzelfsprekend slaat dat niet op het in rechte verdedigen van zijn cliënt. In dat geval gaat het niet alleen in geen enkel opzicht om een activiteit van de criminele organisatie. Het optreden van de advocaat draagt dan bovendien niet bij tot de doelstellingen van de criminele organisatie, maar beantwoordt aan de doelstelling de rechten van de verdediging in een democratische staat te waarborgen.

Cruciaal is bijgevolg het gegeven dat het optreden van de advocaat – vooraleer strafbaar te kunnen zijn – dient bij te dragen tot de doelstelling van de criminele organisatie. Zolang de advocaat zich beperkt tot de verdediging van zijn cliënt kan er van strafbaarheid geen sprake zijn, hetgeen uiteindelijk de evidentie zelve is. Concreet zal de rechter – bijvoorbeeld in het klassieke geval van een criminele organisatie die zich inlaat met de invoer van verdovende middelen – moeten beoordelen of het optreden van de advocaat op enige wijze heeft bijgedragen tot de totstandkoming van die invoer. In casu oordeelde de raadkamer dat zulks niet het geval was en besliste bijgevolg tot de buitenvervolgingstelling.

Met de vereiste dat het optreden van de advocaat moet bijdragen tot de doelstelling van de criminele organisatie, lijkt een duidelijke grens getrokken vanaf wanneer een advocaat zich schuldig zou kunnen maken aan het misdrijf lidmaatschap aan die criminele organisatie. Niettemin worden advocaten steeds vaker uitgenodigd voor verhoor teneinde uitleg te verschaffen over bepaalde handelingen die zij hebben gesteld in het kader van de door hen gevoerde verdediging. Deze evolutie is uitermate zorgwekkend nu het gevaar bestaat dat de advocaat niet langer in volledige vrijheid en onafhankelijkheid zijn taak zal kunnen of durven vervullen. Er lijken twee redenen voorhanden voor deze evolutie, met name enerzijds een onvoldoende kennis bij politie en parket van de praktische werking van de advocatuur en anderzijds een zekere verwatering van de deontologie bij de advocatuur.

Onbekend is onbemind

Een klassiek ogenblik waarop politiediensten de wenkbrauwen fronsen ten aanzien van de advocatuur, betreft het ogenblik van “de tussenkomst”. Dit betreft het ogenblik waarop er beslist wordt om – na het tot dan in alle stilte gevoerde onderzoek – over te gaan tot arrestaties, huiszoekingen, inbeslagnames etc. Het tot dan geheime onderzoek gaat op dat ogenblik “open”: de verdachten weten vanaf dan dat er een onderzoek naar hen gevoerd werd en wordt.

In het kader van onderzoeken naar mogelijke criminele organisaties gaat dit vaak gepaard met veelvuldige arrestaties tegelijkertijd. Ingevolge de wettelijk voorziene bijstand door een advocaat, moet de advocatuur evenzeer snel schakelen, meestal compleet onverwacht en met een zeer beperkte kennis van de situatie. In de ogen van de onderzoekers zwermen advocaten dan plots van overal toe en zeker wanneer de advocaat adviseert om zich op het zwijgrecht te beroepen, wordt al eens geopperd dat bepaalde advocaten door de criminele organisatie worden gestuurd teneinde hun leden het zwijgen op te leggen.

Voorgaande uitspraak getuigt van een compleet gebrek aan inzicht in de realiteit waarin advocaten leven. Het spreekt voor zich dat de tussenkomst van de politie een schok teweegbrengt, ook bij de entourage van de verdachten. Het is volstrekt logisch en geenszins strafbaar dat familie en vrienden van een opgepakte verdachte op zoek gaan naar een geschikte advocaat. Het zal finaal uiteraard de verdachte zelf zijn, die de definitieve keuze moet maken wie zijn belangen zal behartigen, doch deze materie behoort absoluut niet tot de beoordeling van de politiediensten.

Het feit dat een advocaat zijn cliënt adviseert om zich bij de aanvang van zulk een onderzoek op het zwijgrecht te beroepen, is evenmin vreemd. Zeker wanneer de kans op aanhouding reëel wordt ingeschat, valt het zelfs verstandig te noemen om eerst inzage te kunnen nemen van het dossier, vooraleer een verklaring af te leggen. Dat men het advies om zich in die omstandigheden op het zwijgrecht te beroepen als verdacht bestempelt, getuigt van een verregaand gebrek aan kennis van de rol van de advocaat en bewijst dat het zwijgrecht in België nog steeds niet volledig aanvaard, laat staan ingeburgerd is.

Ook het feit dat advocaten, wanneer zij om welke reden ook niet kunnen optreden voor een bepaalde verdachte, een potentiële cliënt doorverwijzen naar een andere, vaak bevriende advocaat, valt evenmin verdacht te noemen. Politiediensten maken hier al eens opmerkingen over en opperen dan volstrekt ongepast dat de advocatuur zich samen met de andere criminele organisatie organiseert om zich te verdedigen. Men vergist zich terdege: het feit dat een advocaat een potentiële cliënt doorverwijst naar een andere advocaat geeft integendeel veeleer blijk van een correcte toepassing van de deontologie. Het is met name door niet op te treden – bijvoorbeeld wegens een belangenconflict – dat de advocaat correct handelt.

Onderscheid deontologie en lidmaatschap criminele organisatie

Niettemin komt het evenzeer voor dat advocaten te ver gaan in de verdediging van hun cliënt, daarbij flirtend met de regels van de deontologie. Vaak spelen commerciële redenen een rol, soms ook onervarenheid en/of een gebrek aan expertise. De komst van de Salduz-permanentie heeft wellicht evenmin bijgedragen tot een stijging van het niveau van de advocatuur. In die zin zijn de Supralat-opleidingen alleszins een positief gegeven.

Wanneer het optreden van een advocaat inderdaad onregelmatig is, dient wel steeds de vraag gesteld te worden welke fout de advocaat precies heeft gemaakt: Werd er een deontologische regel geschonden? Werd er misbruik gemaakt van het inzagerecht? Of is er daadwerkelijk sprake van lidmaatschap aan de criminele organisatie? Bij dit laatste zal dan – zoals hierboven aangetoond – moeten worden nagegaan of het optreden van de advocaat heeft bijgedragen tot de doelstelling van de criminele organisatie zelf. Niet elke fout die een advocaat maakt van hem ook een lid van de criminele organisatie.

Ongetwijfeld is hier ook een rol weggelegd voor de balie zelf. Het lijkt van belang al de advocaten terdege te informeren van de “do’s and don’ts” in het strafrecht. Zeker jonge advocaten dienen te worden gewezen op de uitermate delicate opdracht die zij vervullen. Een zekere terughoudendheid bij advocaten die minder vertrouwd zijn met het strafrecht, lijkt ook aan te bevelen, dit zowel ter bescherming van henzelf als in het voordeel van hun cliënt wiens belangen zij dienen te behartigen. Het gevoelen leeft immers dat de aangescherpte aandacht van politie en parket voor de advocatuur ook te wijten is aan het feit dat de balie niet streng genoeg is voor haar leden. “Indien de balie zelf niet optreedt, zullen wij het doen”, luidt dan de redenering.

Een gebrek aan duidelijkheid

Over een groot aantal zaken bestaat weinig twijfel. Een advocaat die tijdens de voorlopige hechtenis van zijn cliënt na inzage van het strafdossier informatie over het lopend onderzoek meedeelt of stukken van het strafdossier overhandigt aan iemand anders dan zijn cliënt schendt meerdere regels tegelijkertijd. Zoals hierboven reeds aangetoond, maakt dit hem evenwel niet automatisch lid van de criminele organisatie, doch riskeert hij wel andere tuchtrechtelijke en/of strafrechtelijke vervolgingen.

Er bestaan echter evenzeer onderwerpen waarover twijfel en discussie lijkt te bestaan, ook onderwerpen die van uitermate groot belang zijn voor de dagdagelijkse praktijk. De vraag of een advocaat in het kader van de voorlopige hechtenis stukken van het dossier mag overhandigen aan zijn eigen cliënt behoort daartoe.

De kopiename van het dossier betreft een domein waar de belangen van onderzoekers en verdediging logischerwijze zeer tegenstrijdig zijn. Vanuit onderzoekszijde is men ervoor beducht dat stukken uit het onderzoek in verkeerde handen terechtkomen en dat hierdoor het onderzoek gedwarsboomd wordt. De verdediging zal integendeel zoveel mogelijk informatie trachten te vergaren, dit met het oog op een doeltreffende verdediging.

Wellicht mede ingevolgde de verhoogde gevoeligheid van politie en parket ten aanzien van de advocatuur, deinzen vele advocaten er thans voor terug om een kopie van het strafdossier te overhandigen aan hun cliënt. Men wil geen enkel risico nemen en alleszins niet zelf in het zoeklicht van de onderzoekers terecht komen.

Voorgaande lijkt alleszins niet nodig, ook niet tijdens de periode van voorlopige hechtenis. Zo stelt artikel 21, § 3 VHW uitdrukkelijk: “De inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse.” Met dit laatste wordt gedoeld op het nemen van scans of foto’s ed. De wet voorziet aldus uitdrukkelijk in de kopiename van het dossier, ook tijdens de voorlopige hechtenis, en dit voor zowel de verzoeker als zijn advocaat.

Het komt dan ook onjuist over dat de verdachte zelf niet over stukken van zijn dossier zou mogen beschikken. De taak van de advocaat bestaat er bovendien in om zijn cliënt te confronteren met de resultaten van het onderzoek. Klassiek bevatten strafonderzoeken geregeld omvangrijke PV’s inzake telefonie met daarin de neerslag van ettelijke passages van relevant geachte gesprekken. Onderzoeken van deskundigen beslaan vaak uitgebreide rapporten die grondige studie vergen. De vraag rijst dan ook welk bezwaar er kan geformuleerd worden tegen het feit dat de advocaat de relevante stukken van het strafdossier aan zijn cliënt overhandigt, om deze dan op een later tijdstip, na grondige lezing ervan door cliënt, met hem te bespreken. Zulks komt zowel de efficiëntie van het werk van de advocaat als de waarheidsvinding ten goede.

De bekommernis van de onderzoekers kan alleszins niet gelegen zijn in het feit dat de verdachte kennis kan nemen van de resultaten van het onderzoek. Dit is namelijk het logische gevolg van het feit dat de verdediging recht heeft op inzage in, en kopiename van het dossier. Het feit dat stukken van het strafdossier zouden misbruikt kunnen worden, staat op zich los van de vraag of de verdachte recht heeft op een kopie van zijn dossier.

Drie bedenkingen dringen zich hierbij op. Vooreerst spreekt het voor zich dat daadwerkelijke misbruiken van het inzage- en kopierecht gesanctioneerd kunnen worden. Onder andere artikel 460ter Sw. voorziet hier uitdrukkelijk in. Indien een advocaat stukken van het strafdossier “lekt” aan anderen dan zijn cliënt, stelt hij zich bloot aan vervolging. Doch voorgaande impliceert niet dat een advocaat per definitie geen stukken van het dossier aan zijn cliënt mag overmaken. Het lijkt integendeel de logica zelve dat een verdachte kan beschikken over het strafdossier dat hem betreft.

Vervolgens is het zo dat een zekere blootgeving van het onderzoek onvermijdelijk is ingevolge de voorlopige hechtenis. Dit is evenzeer de logica zelve. Men kan niet een “open” onderzoek voeren met arrestaties, inbeslagnames en dergelijke, en tegelijkertijd wensen dat niemand van iets op de hoogte is. Men kan niet tegelijk blazen en het meel in de mond houden.

Ten slotte is het zo dat wanneer een cliënt toch misbruik maakt van de overgemaakte stukken dit niet de advocaat aangewreven kan worden. Wellicht is het aangewezen dat advocaten hun cliënten uitdrukkelijk wijzen op het feit dat de stukken uit het strafdossier geheim zijn, maar advocaten zijn geenszins verantwoordelijk voor het gedrag van hun cliënt. In de praktijk wordt het omgekeerde aangevoeld door veel advocaten, hetgeen de rem verklaart die velen voelen om hun werk ten volle te kunnen doen. Ook deze tendens dient dringend een halt toegeroepen te worden. Het is evident dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen de cliënt en de advocaat.

Nood aan overleg en duidelijkheid

De relatie tussen politie en parket enerzijds en advocaten van de verdediging anderzijds zal steeds een zekere animositeit in zich houden. Hier is op zich niets mis mee, nu dit louter het gevolg is van de tegenstrijdige belangen die hier spelen. Het wordt evenwel een kwalijke evolutie wanneer de advocaat in de uitoefening van zijn taak zelf geviseerd wordt door het onderzoek. Gelet op de twijfel en discussie die thans nog heerst over onderwerpen die van groot belang zijn in de dagdagelijkse praktijk, lijkt overleg aangewezen om duidelijke richtlijnen op te stellen over datgene wat mag en niet mag. Op deze manier kan voorkomen worden dat advocaten tot hun eigen verbazing vervolgd worden voor een lidmaatschap dat zij alleszins zelf niet geambieerd hebben.

Philip Daeninck

Philip Daeninck is sinds 2000 advocaat aan de balie van Limburg. Hij was tevens onderzoeker aan het NICC en wetenschappelijk medewerker aan de KULeuven, alwaar hij thans ook praktijklector is. Daarnaast is hij sinds 2016 lid van de Commissie Strafrecht van de OVB en publiceert hij geregeld over diverse onderwerpen aangaande het straf(proces)recht.

De taak van het strafrecht bestaat erin om op een beschaafde manier te reageren op gepleegde criminaliteit.

Bekijk alle artikelen

1 reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  • Daeninck slaat spijkers met koppen. Hij onderstreept belangrijke facetten van het spanningsveld tussen twee kernwaarden van de advocatendeontologie : de onafhankelijkheid en de partijdigheid. De laatste kan en mag niet zonder de eerste en dat beseffen sommigen te weinig.
    Zoals de auteur illustreert , is het echter perfect mogelijk de juiste grenzen te trekken. Knap artikel.