Jubel Talks II WVV-2

Rik Deblauwe

Rik Deblauwe

Vroeger advocaat en nu wetenschappelijk adviseur bij Tiberghien Advocaten.

Auteur van o.a. Inleiding tot de Successierechten (2013), Het Recht van terugkeer of de anomale erfopvolging (2014), Inleiding tot de Vlaamse Registratiebelasting (2017) en Inleiding tot de Vlaamse Erfbelasting (nieuwe editie 2019) alle uitgegeven bij KnopsPublishing.

Vakgebieden: Vlaamse registratie- en successiebelasting, erfrecht.

Ook inzake procedure heeft de Vlaamse administratie een aantal preciseringen gegeven, die ze op de website heeft bekendgemaakt (belastingen.vlaanderen.be > erfbelasting > algemene informatie > interpretatieve beslissingen). We bekijken ze hierna, opnieuw in volgorde van de wetsartikelen.

  1. Artikel 3.3.1.0.6 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna “de Codex”), over de indieningstermijn bij nieuwe feiten:

“Indien de erfgenamen pas na de indieningstermijn op de hoogte waren van hun hoedanigheid van erfgenaam, kan de aanvangsdatum voor de termijn van de indiening van de aangifte in dergelijke gevallen niet worden opgeschort. Geval per geval zal worden beoordeeld of de kwijtschelding van de belastingverhoging wegens laattijdige indiening mogelijk is op basis van de algemene beslissing: “De belastingverhoging wegens laattijdige indiening van de aangifte voorzien in artikel 3.18.0.0.6 VCF wordt kwijtgescholden overeenkomstig artikel 3.18.0.0.16 VCF indien de laattijdigheid het gevolg is van bijzondere omstandigheden waaraan de erfopvolger zelf geen fout heeft. Zo wordt er kwijtschelding van de belastingverhoging verleend in de mate dat de erfopvolger bewijst dat de laattijdige indiening van de aangifte van nalatenschap het gevolg is van onwetendheid over de erfopvolging en van zijn hoedanigheid van erfgenaam.”

De beslissing lijkt ons in overeenstemming met de principes. Men wordt inderdaad erfgenaam, ook zonder dat men het weet. Dat men dus later, eventueel na jaren, kennis krijgt van die hoedanigheid, is geen verandering in de devolutie, geen ‘nieuw feit’ in de zin van art. 3.3.1.0.6. Maar het is wel onredelijk om iemand die geen fout begaan heeft, een boete op te leggen. Als men dus bewijst dat men van niets wist, dan wordt er kwijtschelding van belastingverhoging verleend.

2. Art. 3.3.1.0.6: aanvaarding na verwerping

“Wanneer de erfgenaam, die de nalatenschap verworpen heeft, deze alsnog aanvaardt, is er een verandering in de devolutie. Een nieuwe aangifte dient te worden ingediend. De aangiftetermijn begint te lopen vanaf de datum van de herroeping.”

Men wordt geen erfgenaam tegen zijn zin: elke erfgenaam kan de nalatenschap verwerpen, en dat kan sindskort bij eenvoudige notariële akte, het hoeft niet meer op de griffie van de rechtbank (art. 784 en 793 BW). Maar een verwerping is niet definitief: men kan erop terugkomen, als nog niemand anders de nalatenschap aanvaard heeft (art. 790 BW).

In zo’n geval is er wél een verandering in de devolutie, tweemaal zelfs, en is er dus ook een ‘nieuw feit’ voor de successierechten (art. 3.3.1.0.6, eerste lid, 3° van de Codex). En dus loopt de aangiftetermijn pas vanaf de ‘herroeping’ van de verwerping, dus vanaf de (alsnog) aanvaarding van de nalatenschap, op voorwaarde uiteraard dat die effectief is.

3. art. 3.3.1.0.7: verbetering tijdens en na de verlenging van de aangiftetermijn.

De beslissing, die wat cryptisch is, luidt als volgt:

“Men mag binnen de termijn van 4 maanden, of binnen de uitgestelde termijn, nog wijzigingen in de aangifte aanbrengen.

Als men de aangifte toch tijdig binnen de 4 maanden heeft ingediend, maar tijdens de uitgestelde termijn nog verbeteringen aanbrengt, brengt dit een belastingverhoging voor laattijdige indiening voorzien in art. 3.18.0.0.6 § 2 (1, 5, 7,5 of 10%) op het geheel van de aangifte met zich mee. De belastingverhogingen wegens verzuim of te lage waardering zijn in dat geval niet toepasselijk.

Als echter uitdrukkelijk wordt verzaakt aan dit uitstel en er dan toch nog een wijziging wordt aangebracht na de termijn van 4 maanden, heeft dit een belastingverhoging voor verzuim van 20% of de belastingverhogingen wegens te lage waardering tot gevolg.

Op basis van dit artikel is het dus ook nog mogelijk, om binnen de toegestane termijn, van systeem werkelijke kosten of forfait te veranderen. Ook dit wordt immers beschouwd als een wijziging aan de aangifte.”

De eerste zin is duidelijk: men kan wijzigingen aanbrengen tijdens de indieningstermijn, en als die verlengd werd door de administratie (art. 3.3.1.0.7, eerste lid), ook tijdens de verlengde termijn. Dat is immers het doel van de verlenging, en het stemt overeen met de vroegere regels [1].

Verbeteringen tijdens de uitgestelde termijn brengen echter wel een belastingverhoging voor laattijdige indiening met zich mee (tweede zin). Hoe kan dat nu? Wel dat is de algemene regel: merkwaardig genoeg krijgt men immers een belastingverhoging, zelfs als men uitstel gekregen heeft. Die wordt dan wel berekend tegen het verlaagd tarief (van 1 tot 10%), dat min overeenstemt met de interest.

Minder logisch is dat de verhoging op de hele nalatenschap wordt berekend, zoals de beslissing stelt! Als de erfgenaam dus 10 miljoen euro aangeeft, binnen de wettelijke termijn, en vaststelt dat hij nog 10 € interest vergeten is op een rekening, en die bij aangeeft binnen de verlengde termijn, zou hij 1% tot 10% verschuldigd zijn op de hele aangifte. In rechte lijn kan dat dus 265.200 € bedragen.

Hij kan uiteraard wachten tot na de verlengde termijn, en dan krijgt hij enkel een boete van 20% op de aanvullende belasting, dus enkel over de belasting op die 10€, hetzij 0,54 €. Wel een groot verschil!

Maar het blijft een onredelijke beslissing, want wie eerlijk zijn plichten vervult wordt veel zwaarder gesanctioneerd dan iemand die zijn plichten niet nakomt.

Het komt mij voor dat men de “te betalen erfbelasting” hier moet interpreteren als de “ te betalen erfbelasting die verschuldigd wordt door de bijkomende aangifte”, want voor de eerste aangifte had de fiscus al een titel van heffing.

Als de bijkomende aangifte een belastingvermindering tot gevolg heeft, zou er dan ook geen sanctie verschuldigd zijn.

Positief is wel dat de administratie aanvaardt dat men binnen de uitgestelde termijn nog kan veranderen van forfaitaire kosten naar werkelijke kosten (vierde zin van de beslissing). Dit legt echter meteen ook een pijnpunt bloot van de regeling: het forfait is in principe geen minimum, waarop men kan terugkomen, maar een definitieve regeling. Als men dus geopteerd heeft voor het forfait, en er komen nadien nog bijkomende passiva naar boven, is het twijfelachtig of men de teveel betaalde belasting nog terugkrijgen door ambtshalve ontheffing (art. 3.6.0.0.1) – cfr. ook hierna.

Dat forfait houdt dus wel een risico in, want men weet nooit wat er nog aan passiva opduikt.

4. Art. 3.3.1.0.9. VCF: meerwaarde na verkoop

“Indien de erfopvolgers, voor de waardering van onroerend goed in het actief van een nalatenschap, beroep doen op een landmeter die het kwaliteitscharter heeft onderschreven, is deze schatting – in principe – bindend, ook voor de administratie.

Als het goed, binnen 2 jaar na het overlijden, wordt vervreemd voor een hogere waarde dan de geschatte waarde, dient er bijgevolg geen bijvoeglijke aangifte te worden ingediend.

Indien men geen beroep deed op een landmeter die het kwaliteitscharter heeft onderschreven, en het goed wordt vervreemd, binnen 2 jaar na het over lijden, voor een hogere waarde dan de geschatte waarde, dient er wel een bijvoeglijke aangifte te worden ingediend. Omwille van de tolerantie is de belastingverhoging van art. 3.18.0.0.8. VCF evenwel niet verschuldigd.”

Dit is een heel positieve beslissing.

Eerder was er gezegd dat de schatting de Vlaamse administratie niet bond. In het Vlaamse parlement verklaarde de administrateur-generaal immers [2]:

“We hebben beslist om met hen, als belangrijke beroepsgroep, samen te zitten en een kwaliteitscharter af te spreken. Voor ons is het in die mate bindend dat we ervan uitgaan dat iemand die het kwaliteitscharter ondertekend heeft, het op een correcte en waarheidsgetrouwe manier gaat doen.

Het is niet absoluut bindend, dat wil ik erbij zeggen. Als we ondervinden dat er echt een waardering bij zit die ons een aanfluiting van de werkelijke waarde lijkt, dan kunnen we nog altijd overrulen en beslissen om voor onze eigen waardering te gaan. We kunnen dit doen, niettegenstaande er een externe schatting werd gemaakt door een landmeter-expert, eventueel een erkende landmeter-expert. Laat dat duidelijk zijn.”

Juridisch had de heer Van Herreweghe gelijk, want de procedure van voorafgaande schatting (art. 20 W. Succ.) was immers doelbewust afgeschaft. Maar nu aanvaardt de fiscus blijkbaar toch dat zij de schatting als bindend zal aanvaarden.

En wat meer is: er wordt afgezien van een belastingverhoging als het goed binnen de 2 jaar verkocht wordt, en men de meerwaarde vrijwillig aangeeft. Dit bestendigt de vroegere praktijk, maar nu is bovendien geen interest verschuldigd, want dat is onder de Codex maar het geval na de inkohiering, meer bepaald vanaf twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet (art. 3.9.1.0.1 j° 3.4.2.0.1). Dat is dus een royale regeling.

5. Art. 3.6.0.0.1. VCF: nieuw passief

Bij een laattijdige indiening van de aangifte van nalatenschap is er altijd een belastingverhoging verschuldigd, ook al werd er uitstel verleend.

Het principe van de onherroepelijkheid van de aangifte moet voorop blijven staan. Maar in een aantal gevallen kan worden vastgesteld dat aangevers, die voor een werkelijk bewijs van het passief kiezen, dit passief niet tijdig kunnen aantonen in de aangifte van nalatenschap, omdat het aanslagbiljet of de factuur hen pas na het verstrijken van de indieningstermijn wordt bezorgd. Het gaat hier voornamelijk over facturen van gemeentelijke, provinciale, gewestelijke of federale overheidsdiensten, dus om facturen of aanslagbiljet ten die slechts periodiek worden opgemaakt, of om ziekenhuisfacturen. Indien dergelijke facturen pas na de verbeteringstermijn aan aangevers worden verzonden kunnen zij toch nog in het passief aanvaard worden en kan er AO worden verleend bij toepassing van art. 3.6.0.0.1 VCF. Dit, op voorwaarde dat men kan aantonen dat er een gegronde reden is voor het laattijdig overmaken van het stuk (wat impliceert dat men van het bestaan niet wist op datum waarop de aangifte binnen moest zijn) of wel wist dat die factuur nog ging komen (bestaan dus wel kende), maar het bedrag nog niet kende op ogenblik dat aangifte binnen moest zijn.”

 

Ook dit is een belangrijke verbetering tegenover vroeger.

Onder het Wetboek Successierechten oordeelde de administratie, daarin gevolgd door de rechtspraak, dat nieuw passief geen aanleiding kon geven tot teruggave, ook al was daar geen wettelijke basis voor [3].

Nu is er gelukkig de regeling van de ambtshalve ontheffing, die al van vroeger in de Codex stond, vooraleer de erfbelasting er werd ingevoegd: art. 3.6.0.0.1. En op basis van dat artikel kan nu teruggave worden gevraagd als er nieuwe passiva opduiken, althans als er “nieuwe bescheiden of feiten” zijn, “waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen[4].

Een van die redenen wordt nu aangegeven in de beslissing: als er nieuwe facturen opduiken, voor schulden waarvan men het bestaan niet kende, of het bedrag niet kende. Het gaat vooral om schulden tegenover de overheid of ziekenhuisfacturen, zegt de beslissing nog, maar de wettelijke regel is uiteraard van toepassing op alle schulden, als er een voldoende verantwoording is voor de niet-vermelding in de eerste aangifte.

Bemerk dat de beslissing het enkel heeft over het geval waarin de aangevers “ voor een werkelijk bewijs van het passief kiezen”. Over het andere geval wordt niets gezegd, maar men kan er wellicht uit afleiden dat de administratie minstens twijfelt (cfr. supra nr. 3).

  1. Art. 3.17.0.0.2. VCF: anti-misbruikbepaling.

“De antimisbruikbepaling kan enkel worden toegepast voor handelingen gesteld vanaf 1 juni 2012 (zie Programmawet van 29 maart 2012).”

Art. 169 van de programmawet (I) (1) luidt: “Artikel 168 is van toepassing op de rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen die éénzelfde verrichting tot stand brengt, die zijn gesteld vanaf de eerste dag van de tweede maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.”

De wet gepubliceerd werd op 6 april 2012. De maand van publicatie is dus april 2012. De eerste dag van de tweede maand daarna is dus inderdaad 1 juni 2012.

  1. 3.18.0.0.7 en 3.18.0.0.15 VCF: boete bij verzuim

“De belastingplichtige kan een verzuim rechtzetten door spontaan een bijvoeglijke (of verbeterde) aangifte van nalatenschap in te dienen. Vermits de rechtzetting van de niet aangegeven goed eren in de nalatenschap, opgenomen in deze bijvoeglijke aangifte, voortvloeit uit een spontane aangifte, is er een belastingverhoging van 20% (van de aanvullende rechten) voor de niet aangegeven goederen, verschuldigd (art. 3.18.0.0.7. VCF). Wanneer een aangifte echter zou voortvloeien uit een fraude onderzoek dat de BBI is opgestart, dan is de 100 % belastingverhoging van toepassing (art. 3.18.0.0.15. VCF). “

De beslissing gaat er blijkbaar van uit dat een overtreding, waarvan de aangifte voortvloeit uit een fraudeonderzoek dat door de BBI is opgestart, altijd gepleegd werd met de bedoeling de belasting te ontduiken of dat mogelijk te maken. Waar dat vermoeden op berust, is ons onduidelijk.

Ook hier is er dus positief en negatief nieuws, maar de Vlaamse administratie is blijkbaar van plan om de nieuwe wettelijke bepalingen hier en daar toch met de nodige soepelheid toe te passen, wat alleen maar toegejuicht kan worden.

Rik Deblauwe

Deze tekst werd eerder gepubliceerd op www.lexfin.be en is een aanvulling op de Inleiding tot de Vlaamse Erfbelasting

 

 

 

 

[1] Deblauwe, Inleiding tot de successierechten, nr. 779

[2] David Van Herreweghe, administrateur-generaal van de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL) in het Vlaams Parlement, Vraag om uitleg 1719 (2014-2015) in de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting.

[3] Dat er geen wettelijke basis voor was werd toegegeven, ook door Donnay, Van Acoleyen, Decuyper en Gyselinck: zie Deblauwe, Inleiding tot de successierechten, nr. 1775 en verwijzingen aldaar.

[4] Voor de verdere voorwaarden verwijzen wij naar het wetsartikel zelf.

Rik Deblauwe

Rik Deblauwe

Vroeger advocaat en nu wetenschappelijk adviseur bij Tiberghien Advocaten.

Auteur van o.a. Inleiding tot de Successierechten (2013), Het Recht van terugkeer of de anomale erfopvolging (2014), Inleiding tot de Vlaamse Registratiebelasting (2017) en Inleiding tot de Vlaamse Erfbelasting (nieuwe editie 2019) alle uitgegeven bij KnopsPublishing.

Vakgebieden: Vlaamse registratie- en successiebelasting, erfrecht.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.