Rechter mag toch evenredigheid van boetes beoordelen cover

29 jun 2026 | Tax & Private equity

Rechter mag toch evenredigheid van boetes beoordelen

Recente Jobs

Advocaat
Bouwrecht Ondernemingsrecht Vastgoed
3 - 7 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Advocaat
Bouwrecht Ondernemingsrecht Vastgoed
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Accountancy Advisor
Accountancy
0 - 3 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen
Auditor
Financieel recht Fiscaal recht
0 - 3 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Belastingadviseur
Accountancy Fiscaal recht
0 - 3 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen

Over de bevoegdheid van de rechter met betrekking tot het beoordelen van administratieve sancties worden reeds meer dan 25 jaar discussies gevoerd en arresten geveld. Reeds jaren werd geoordeeld dat de rechter boetes (en inzake inkomstenbelasting belastingverhogingen) kon verminderen naar ‘evenredigheid’. De rechtspraak was standvastig.[1]

Over deze rechtspraak ontstond enkele jaren geleden onduidelijkheid doordat de Nederlandstalige en Franstalige afdelingen van het Hof van Cassatie er een andere mening op na gingen houden. De Nederlandstalige afdeling bleef haar oude rechtspraak aanhouden. De Franstalige afdeling was van mening dat een vermindering van de boete door de rechter alleen mogelijk was indien vooraf een genadeverzoek was ingediend bij toepassing van het Regentsbesluit uit 1831.[2] Het leek erop dat de controverse uiteindelijk beslecht werd in een arrest van het Hof van Cassatie van 25 april 2025.

Maar nu is er op 12 februari 2026 een arrest geveld dat opnieuw vragen doet rijzen (F.24.0026.N).

Voor de duidelijkheid blijven we eerst even stilstaan bij het arrest van 25 april 2025.

Het arrest van 25 april 2025

Het Hof houdt verschillende zaken voor :

“De rechter moet wat betreft sancties met een repressief karakter de wettigheid ervan onderzoeken. Bovendien mag hij nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de Internationale verdragen en de algemene rechtsbeginselen.”

Tot zover wijkt het hof niet af van vroegere rechtspraak.

Tot de algemene rechtsbeginselen behoort het evenredigheidsbeginsel (zie ook art. 49 van het EU-Handvest). De rechter zou dus mogen onderzoeken of de sanctie niet onevenredig is.

Maar dan vervolgt het Hof :

Dat het bij art. 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met repressief karakter ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, niet inhoudt dat de rechter de boete mag verminderen beneden het wettelijk minimum of vaste tarief”.

De toets van de boete aan het evenredigheidsbeginsel is met andere woorden niet gegrond op artikel 6 EVRM, dat een recht inhoudt op een eerlijk proces. Het Hof laat in het midden waar de toets aan het evenredigheidsbeginsel dan wel haar wettelijke basis in vindt. Het antwoord op deze vraag lezen we in het arrest van 12 februari 2026 (zie verder).

Het Hof lijkt in zijn arrest van 25 april 2025 aan te geven dat aan de vereiste dat de rechter de boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht, voldaan is indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst.

Maar dat doet de vraag rijzen wat onder de bevoegdheid van de administratie valt. Veronderstel dat de administratie de boete niet mag toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, mag de rechter dat dan ook niet?

Indien dit zo is, dan lijkt het arrest van 25 april 2025 op dit punt tegenstrijdig te zijn met hetgeen voorheen werd gesteld, nl. dat de rechter moet nagaan of de boete verzoenbaar is met de algemene rechtsbeginselen en dus onder meer het evenredigheidsbeginsel.

En dan vervolgt het Hof :

“Uit het voormelde principe dat, om te voldoen aan het vereiste van een toets met volle rechtsmacht, niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan het toezicht van de rechter mag ontsnappen, volgt dat wanneer de belastingplichtige opkomt tegen de beslissing van de minister of zijn gemachtigde over een verzoek met toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit, de rechter de boete moet kunnen kwijtschelden of verminderen op dezelfde wijze als de minister of zijn gedelegeerde dat kan.

Door buiten de context van een beroep tegen de beslissing van de minister of zijn gedelegeerde over een verzoek tot kwijtschelding met toepassing van artikel 9 Regentbesluit, de boete met toepassing van artikel 6.1 EVRM te verminderen tot beneden het wettelijk tarief van 200 % van de verschuldigde belasting, verantwoordt de appèlrechter zijn beslissing niet naar recht"

Het Hof houdt aldus voor dat de rechter de boete alleen mag verminderen beneden het wettelijk tarief, indien vooraf een genadeverzoek is ingediend.

Daarmee komt er in wezen een einde aan de evenredigheidstoets. De boete is immers in principe steeds vastgesteld op het wettelijk tarief. (Zou dit niet het geval zijn, dan is de boete te hoog en dus onwettelijk). Alleen door een toets aan het evenredigheidsbeginsel kan de boete verminderd worden. Maar als ze niet beneden het wettelijk tarief mag verminderd worden, is er geen ruimte meer voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel

Het arrest lijkt aldus een tegenstrijdigheid te bevatten.

Dan stelt het Hof :

“Indien een belastingplichtige een genadeverzoek indient bij toepassing van het Regentsbesluit van 1831, moet de rechter de sanctie kunnen kwijtschelden of verminderen zoals de minister of zijn gedelegeerde dit kan.”

Vermits de administratie de boete kan kwijtschelden of verminderen (het is een genadeverzoek), zal de rechter dit ook kunnen. De rechter is nu, net als de administratie, niet meer gebonden door het evenredigheidsbeginsel. Men kan nu oordelen, rekening houdend met alle omstandigheden. M.a.w. de opportuniteit van de sanctie kan beoordeeld worden. Zonder dat een genadeverzoek is ingediend, kan de rechter dit niet.

Vaarwel dus het evenredigheidsbeginsel !

Vermits een genadeverzoek slechts kan worden ingediend nadat alle procedures over de wettelijkheid van de belastingheffing en bestraffing uitgeput zijn[3] , is de wettelijkheid reeds vooraf beoordeeld. Het arrest van 25 april 2025 doet geen afbreuk aan de voorafgaande beoordeling van de wettelijkheid van de straf, zoals: is men wel schuldig ? Werden de tarieven van de boete correct toegepast ? enz.

Maar dan kwam er het arrest van 12 februari 2026.

Het arrest van 12 februari 2026.

Het Hof[4] vangt aan met hetgeen gesteld werd in vroegere rechtspraak en het arrest van 25 april 2025.

“18. De rechter aan wie gevraagd wordt een geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek of het voormelde KB nr. 41 van 30 januari 1987, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.”

Het Hof verwijst hier o.m. naar het evenredigheidsbeginsel.

En dan herhaalt het Hof hetgeen ook voorgehouden werd in het arrest van 25 april 2025 :

“19. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief.

Aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst.”

Tot zover dus niets nieuws onder de zon.

Maar dan vervolgt het Hof met een uiteenzetting van de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie over de toetsing van sancties door de rechter aan het evenredigheidsbeginsel. Zeer verrassend, o.i. tegenstrijdig met hetgeen vooraf gesteld werd in punt 19 van het arrest (zie supra), besluit het Hof van Cassatie :

“21. Hieruit volgt dat de nationale rechter een overeenkomstig voormeld KB nr. 41 van 30 januari 1987 opgelegde administratieve geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard van de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak”.

De rechter mag dus wel de sanctie verminderen beneden het wettelijk minimum door toepassing te maken van het evenredigheidsbeginsel.[5]

Dat is een aanvulling op het arrest van 25 april 2025.

Een recent arrest van het Europees Hof van Justitie is evenwel ontsnapt aan de aandacht van het Hof.

In een recent arrest van 3 juli 2025 (C-733/23 – EOOD) beslist het HvJ dat een nationale regeling die een hoge boete oplegt, zonder dat de rechter de mogelijkheid heeft een lager bedrag dan de boete die de wet voorziet, of een ander soort lichtere straf, op te leggen, strijdig is met artikel 273 van de Btw-Richtlijn 2006/211 en artikel 49, derde lid van het EU-handvest. Onder verwijzing naar vroegere rechtspraak stelt het Hof :

“47 In dit verband zij eraan herinnerd dat de zwaarte van de straf volgens artikel 49, lid 3, van het Handvest niet onevenredig mag zijn aan het strafbare feit. Evenzo heeft het Hof voor recht verklaard dat de lidstaten bij gebreke van interne wetgevende maatregelen van de Unie op het gebied van de toepasselijke sancties bevoegd zijn om de aard en het niveau van die sancties vast te stellen, met eerbiediging van met name het evenredigheidsbeginsel [arrest van 19 oktober 2023, G. ST. T. (Evenredigheid van de straf in geval van namaak), C-655/21, EU:C:2023:791, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

48 Volgens de rechtspraak van het Hof mogen de repressieve maatregelen die krachtens een nationale wettelijke regeling zijn toegestaan, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel niet buiten de grenzen treden van wat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met deze wettelijke regeling worden nagestreefd. De zwaarte van de opgelegde sancties moet in verhouding staan tot de ernst van de strafbaar gestelde feiten, met name door te verzekeren dat zij een reële afschrikkende werking hebben, maar zonder verder te gaan dan nodig is om dat doel te bereiken [arrest van 19 oktober 2023, G. ST. T. (Evenredigheid van de straf in geval van namaak), C-655/21, EU:C:2023:791, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak],

49 Verder vereist het evenredigheidsbeginsel dat bij de vaststelling van de sancties rekening wordt gehouden met de omstandigheden van het concrete geval [arrest van 19 oktober 2023, G. ST. T. (Evenredigheid van de straf in geval van namaak), C-655/21, EU:C:2023:791, punt 67].

50 Bij de beoordeling van de evenredigheid van de sancties moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid die de nationale rechter heeft om de kwalificatie in de tenlastelegging te wijzigen – hetgeen tot de oplegging van een minder strenge sanctie kan leiden – en met de mogelijkheid om de sanctie aan te passen aan de ernst van de vastgestelde inbreuk [arrest van 19 oktober 2023, G. ST. T. (Evenredigheid van de straf in geval van namaak), C-655/21, EU:C:2023:791, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak].”

Wat houdt een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in ?

Het gaat in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie over de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, maar hier wordt in het arrest van 3 juli 2025 ook onder begrepen dat de rechter rekening kan houden met de concrete omstandigheden van de bestrafte overtreding. Het Europees Hof van Justitie lijkt een brede invulling te geven aan het begrip ‘evenredigheid’. De rechter moet de mogelijkheid hebben de overtreding te herkwalificeren en de sanctie aan te passen aan de ernst van de overtreding.

Dit lijkt te verwijzen naar de criteria die in het strafrecht worden toegepast. Derhalve zou de rechter steeds moeten kunnen oordelen zoals in het strafrecht ?

Geldt het arrest van 12 februari 2026 alleen voor boetes op een overtreding van het EU-recht (btw dus) ?

De rechtspraak van het Europees Hof van Justitie betreft de toepassing van het EU-recht.

De vraag is dus of de draagwijdte van het arrest van 12 februari 2026, nu het arrest een btw-boete betrof en refereert naar de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, alleen van toepassing blijft op gedingen waar het EU-recht wordt toegepast, zoals de btw.

Het evenredigheidsbeginsel wordt weliswaar gepresenteerd door het Europees Hof van Justitie als een algemeen rechtsbeginsel.

Het wordt ook geformuleerd in artikel 49 van het EU Handvest waarin bepaald is dat niemand onredelijk mag bestraft worden. Deze bepaling s duidelijk :

“De zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het strafbare feit.”

Het probleem is evenwel dat overeenkomstig artikel 51 van het Europees Handvest de bepalingen ervan alleen van toepassing zijn in situaties waarin de bepalingen van het EU- recht ten uitvoer worden gebracht.[6] Zolang het gaat om btw, lijkt ons dit geen pro­bleem te zijn nu btw een Europese materie is.[7] Maar wat betreft andere boetes is dat niet zo en zou er dus niet kunnen getoetst worden aan het EU-Handvest.

Dat betekent dat we, om de bepalingen van het EU-Handvest op dergelijke boete te kunnen toepassen, ervan uit moeten gaan dat de bepalingen van het Europees Hand­vest de verwoording zijn van wat niet anders kan worden beschouwd als de algemene beginselen van onze rechtsstaat. Uit de preambule van het Handvest blijkt dit:

"Zich bewust van haar geestelijke en morele erfgoed vestigt de Unie haar grondslag op de ondeelbare en universele waarden van menselijke waardig­heid en van vrijheid, gelijkheid en solidariteit; zij berust op het beginsel van de democratie en het beginsel van de rechtstaat.

(…)

Daartoe is het noodzakelijk de bescherming van de grondrechten in het licht van de ontwikkelingen in de maatschappij, de sociale vooruitgang en de we­tenschappelijke en technologische ontwikkelingen te versterken door die rechten zichtbaarder te maken in een handvest.

Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradi­ties en internationale verplichtingen van de lidstaten. ’’

(…)

Derhalve erkent de Unie de hieronder vermelde rechten, vrijheden en begin­selen ”.

Het is niet correct dat deze waarden niet zouden kunnen ingeroepen worden in gans ons recht. Dat gaat in tegen de beginselen van onze rechtsstaat. De oplossing zou kunnen zijn dat deze waarden, zoals we zonet aangaven, algemene rechtsbeginselen vormen die als dusdanig altijd kunnen ingeroepen worden. De rechten, gewaarborgd in het handvest, zijn algemene waarden die reeds bestaan en in het Handvest alleen maar erkend worden. Zo zouden ze in casu dan wel kunnen worden toegepast in materies die niet Europees geregeld zijn.

Ons Grondwettelijk Hof heeft inmiddels erkend dat het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, een algemeen rechtsbeginsel is in alle omstandigheden.[8]

Zo heeft ook het Hof van Justitie erkend dat het recht op een eerlijk proces als algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht kan ingeroepen worden, bijvoorbeeld in het kader van een beroep tegen een beschikking van de commissie.[9]

Zoals advocaat-generaal Van der Fraenen in zijn advies bij het arrest van 25april 2025 stelde, zijn de bepalingen in verband met de boetes de uitvoering van beginselen van de Europese Unie en zijn dus de beginselen, van het unierecht van toepassing. Zoals we allen weten primeren deze beginselen op het nationale recht. Ze hebben bovendien rechtstreekse werking.[10] En dat houdt in dat de rechter hieraan voorrang moet verlenen boven de nationale wetten. En dat houdt dan verder in dat de rechter bij het beoordelen van boetes ook de wettelijkheid ervan moet kunnen controleren zonder dat en een genadeverzoek bij de Koning is ingediend.

En wanneer de beginselen uit het unierecht, zoals we hiervoor betoogden, algemene beginselen zijn die gans ons recht beheersen, dan zullen deze beginselen ook van toepassing zijn inzake andere belastingen dan btw.

Hoe ver gaat de bevoegdheid van de administratie?

Het Hof van Cassatie houdt voor dat alles wat onder de bevoegdheid valt van de administratie door de rechter moet kunnen gecontroleerd worden.

De vraag is dus : wat valt onder de bevoegdheid van de administratie ? Valt de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel ook hieronder ? De vraag is misschien niet meer relevant in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (zie supra).

Het Grondwettelijk Hof heeft zich reeds menigmaal uitgesproken over de grondwettelijkheid van de fiscale boetes.

Wat uit deze rechtspraak naar voor komt, is dat de administratie zelf ook gebonden is door het evenredigheidsbeginsel. En als dat inderdaad zo is, gaat het Hof van Cassatie uit van een verkeerd uitgangspunt, nl. dat de administratie niet gebonden is door het evenredigheidsbeginsel (zo lijkt het althans).

Zo heeft het Grondwettelijk Hof onder meer in een arrest van 18 juli 2024 (nr. 86/2024) gesteld :

“B.4.2. Het staat aan de wetgever te oordelen of het aangewezen is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer die overtredingen inzonderheid het algemeen belang schaden. Maar indien hij van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, dan mag niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter kunnen ontsnappen.

B.4.3. Hieruit volgt dat artikel 70, §§ 1 en 4, van het BTW-Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing om fiscale geldboetes op te leggen.

Aldus kan de rechter nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de boete kunnen moduleren, te dezen opheffen of verminderen binnen de in de aan de administratie gestelde grenzen."

Het Hof geeft aan dat de administratie zelf ook gebonden is door het evenredigheidsbeginsel.

Uit dit arrest onthouden we dat de rechter pas over de evenredigheid van de boete kan oordelen indien ook de administratie het evenredigheidsbeginsel in acht moet nemen. De rechter kan dus, op het eerste zicht, niet méér dan wat de administratie mag. De rechter beoordeelt het werk van iemand anders, in casu de administratie en verbetert dat desgevallend [11].

Blijkbaar wordt art. 70 § 1 en 4 WBTW aldus geïnterpreteerd dat in de beoogde situatie de administratie gebonden is door het evenredigheidsbeginsel [12].

Nog duidelijker is het Grondwettelijk Hof in een zeer recent arrest van 19 juni 2025 (arrest 90/2025) :

“B.7.3. Bovendien dient de belastingadministratie bij de toepassing van de in het geding zijnde bepalingen (art. 444 WIB/92 jo art. 226 KB/WIB) in een concreet geval de beginselen van behoorlijk bestuur te eerbiedigen, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Die beginselen verhinderen dat de belastingadministratie op arbitraire wijze de in het geding zijnde bepalingen zou toepassen of niet op afdoende wijze de redenen zou uiteenzetten die haar beslissing dragen, wat in voorkomend geval door de bevoegde rechter dient te worden nagegaan.”

En verder :

“B. 18.3. Het bodemgeschil betreft echter geen situatie waar de belastingadministratie en de rechter een volstrekt gebonden bevoegdheid hebben. Bij een eerste overtreding van een belastingplichtige wegens een onvolledige of onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken, beschikt de belastingadministratie, krachtens artikel 444, tweede lid, van het 1 WIB 1992, in samenhang gelezen met artikel 226 van het KB/WIB 1992, over een beoordelingsbevoegdheid om de belastingverhoging van minstens 10 % al dan niet effectief toe te passen.

B.18.4. Aangezien de rechter een toetsing met volle rechtsmacht uitoefent op de belastingverhoging, kan de rechter binnen dezelfde grenzen als die van de belastingadministratie nagaan of, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de belastingverhoging en de daaruit voortvloeiende aftrekbeperking al dan niet dienen te worden toegepast.”

Hiermee is weer duidelijk :

  • De administratie moet bij het opleggen van boetes of belastingverhogingen verschillende beginselen in acht nemen, o.a. het evenredigheidsbeginsel.
  • De rechter houdt hier toezicht op.
  • Maar het Hof herhaalt dat de rechter slechts kan oordelen binnen de grenzen die de administratie zijn opgelegd. De rechter mag niet méér dan de administratie.
  • Bij een eerste overtreding zonder opzet van belastingontduiking kan worden afgezien van de belastingverhoging van 10 %. Hier is er geen sprake van een gebonden bevoegdheid. De rechter kan/moet nagaan of de belastingverhoging van 10 % moet worden toegepast. Hij/zij kan de beslissing van de administratie hierover desgevallend verbeteren en dus zijn/haar beslissing in de plaats stellen van deze van de administratie.

Het moge duidelijk zijn dat het Grondwettelijk Hof het niet nodig acht dat vooraf een genadeverzoek bij de Koning wordt ingediend noch wanneer het gaat om een eerste overtreding met een minimumboete van 10 %, noch in andere situaties.

Of de administratie een aantal hiervoor opgesomde beginselen in acht moet nemen, is een feitenkwestie die verschilt van geval tot geval.

Een situatie waarin het Grondwettelijk Hof ervan uitging dat de administratie niet bevoegd was om rekening te houden met het evenredigheidsbeginsel, vinden we in een arrest van het Grondwettelijk Hof van 05 mei 2022, (nr. 61/2022), waarin het Hof stelt :

“De rechter bij wie een beroep is ingesteld tegen een beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd aan de overtreder, moet kunnen nagaan of de beslissing van de bestraffende beambte in rechte en in feite verantwoord is, in het bijzonder of het verantwoord is een dergelijke sanctie uit te spreken ten aanzien van alle relevante elementen van de zaak. Er bestaat een algemeen beginsel dat de rechter steeds moet kunnen nagaan of iemand enige schuld treft. De rechter dient dus binnen dezelfde grenzen als die van de bestraffende beambte de opgelegde administratieve geldboete al dan niet te bevestigen, zonder het bedrag ervan te kunnen moduleren.

Twee zaken vallen op:

  • De rechter moet steeds kunnen beoordelen of iemand schuld treft.
  • De rechter moet binnen de grenzen die de bestraffende ambtenaar heeft, de geldboete al dan niet bevestigen, zonder het bedrag te kunnen moduleren.

Dit laatste zou dus betekenen dat de rechter de boete niet kan verminderen beneden het wettelijk minimum indien de bestraffende ambtenaar dit ook niet kan. Zou de beambte de boete wel mogen verminderen beneden het wettelijk minimum bij toepassing van het evenredigheidsbeginsel, dan zal de rechter dat ook kunnen. In de casus van het arrest van 5 mei 2022 kon de ambtenaar dat blijkbaar niet [13].

In elk geval zou de rechter, op grond van deze rechtspraak steeds de boete kunnen verminderen tot beneden het wettelijk minimum, op basis van het evenredigheidsbeginsel. De rechter zal evenwel geen opportuniteitsbeslissing kunnen nemen en rekening houden met de persoon en bijvoorbeeld verzachtende omstandigheden.

Dat lijkt evenwel niet aan te sluiten bij de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie.

Volgens het Europees Hof van Justitie lijkt het niet van belang te zijn dat de rechter niet méér mag dan de administratie. Volgens het Europees Hof van Justitie mag de rechter altijd de evenredigheid van de sanctie beoordelen ook al zou de administratie dat niet mogen (zie supra het arrest van 3 juli 2025 en de rechtspraak geciteerd door het Hof van Cassatie). Hoever de bevoegdheid van de administratie reikt, lijkt voor het Europees Hof van Justitie geen rol te spelen.

Besluit

Het arrest van 12 februari 2026 lijkt ons wat tegenstrijdig geformuleerde te zijn (vergelijk nr. 19 met nr. 20 van het arrest).

De conclusie lijkt nochtans juist te zijn. De rechter mag altijd oordelen of een sanctie evenredig is. Het speelt geen rol wat de bevoegdheid van de administratie is. Dit sluit aan bij de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie.

Een evenredigheidstoets is evenwel geen opportuniteitstoets! Het Europees Hof van Justitie lijkt dit echter anders te zien. Dit Hof geeft de indruk het begrip ‘evenredigheid’ een bredere invulling te geven, nl. dat rekening moet gehouden worden met de concrete omstandigheden. Doelt het Hof daarmee op een beoordeling als in het strafrecht?

Henri Vandebergh – Advocaat, vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de onderzoeksgroep CORe (Centrum voor overheid en recht) aan de UHasselt.

Dit artikel is een update van een artikel van dezelfde auteur dat eerder verscheen op jubel.be


Voetnoten

[1] EHRM, 24 februari 1994, Bendenoum t/Frankrijk en EHRM, 21 februari 1984, Özturk/Duitsland.
EHRM, 4 maart 2004, Silvester's Horeca Service, TFR, 2004, nr.264, p.636, met noot B. COOPMAN, 'Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg. Zie GwH 24 februari 1999, nr.22/1999 en GwH 12 juni 2002, nr. 96/2002.Zie ook: Cass. 21 januari 2005, C.02.0572.N; Cass.16 februari 2007, F.05.0015.N; Cass. 16 februari 2007, C.04.0390.N; Cass. 16 februari 2007, F.06.0032.N; Cass. 21 september 2018, F.17.0086.N. Cass. 24 maart 2023, F.21.0056.N, TFR 2023, nr. 647, 803 met noot H. DUBOIS. Het Hof van Cassatie herhaalt haar vroegere rechtspraak, zij het dat die rechtspraak in menig arrest enigszins genuanceerd wordt. Lees o.m. het advies van de advocaat-generaal bij het arrest van 25 april 2025.

[2] Lees o.m. J. VAN EYNDHOVEN, De toetsing van fiscaal-administratieve sancties voor de rechter”, in A. VAN DE VIJVER en S. DE RAEDT, Liber Amicorum prof. Dr. Bruno Peeters, Knops Publishing, 2025, 1235. L; VANDENVERGHE, “Rechtelijke bevoegdheid inzake administratieve BTW-boeten. Een eindeloos verhaal ?”, AFT 2025/8, 28 e.v.

[3] Zie het advies van advocaat-generaal bij het arrest van 25 april 2025, blz. 17-18 van het advies, “Genade komt na het recht”. Zie H. DUBOIS in TFR 2022, nr. 624, 577.

[4] We beperken ons tot hetgeen het Hof van Cassatie stelt i.v.m. het beoordelen van sancties. De andere items die aan bod komen in het arrest laten we buiten beschouwing.

[5] Het hof sluit hierbij aan bij de conclusie van advocaat-generaal Van der Fraenen.

[6] Zie arrest EHJ, 26 februari 2013, C-617/10, Aklagaren

[7] Het HvJ heeft dit bevestigd in een arrest van 26 februari 2023, C-617/10, Aklagaren/Akerberg. Zie ook het arrest van het EHJ van 19 december 2024, C-369/23. Het HvJ neemt een nogal vreemd standpunt ter zake in. Alhoewel bestraffing op zich een Europese aangelegenheid is, meent het Hof dat het EU-Handvest toch van toepassing is nu het gaat om bestraffing van btw, wat wel een uitvoering is van het Gemeenschapsrecht.

[8] J. VAN DIJK en C.J.H. VAN HOOF, "De Europese Conventie in theorie en praktijk", Ars Aequi et Libri, Nijmegen, 1990, 364. Zie o.m. Arbitragehof 15 september 2004, nr. 148/2004; GwH20 oktober 2009, nr. 158/2009, GwH 30 april 2015, nr. 48/2015, GwH 4 april 2019, nr. 49/2019.

[9] HvJ 16 juli 2009, C-385/07; HvJ 1 juli 2008, C-341/06.P.

[10] Zie het arrest van het Hof van Cassatie van 24 mei 2016, p.15.1604.N.

[11] Lees ook het advies van advocaat-generaal Van der Fraenen bij het arrest van 25 april 2025.

[12] Reeds in een arrest van het (toen nog) Arbitragehof van 12 juni 2002, nr. 96/2002, lezen we dat de administratie gebonden is door het evenredigheidsbeginsel.

[13] Lees ter zake ook het advies van advocaat-generaal Van der Fraenen bij het arrest van 25 april 2025, punt 3.6.3.

Recente Jobs

Advocaat
Bouwrecht Ondernemingsrecht Vastgoed
3 - 7 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Advocaat
Bouwrecht Ondernemingsrecht Vastgoed
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Accountancy Advisor
Accountancy
0 - 3 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen
Auditor
Financieel recht Fiscaal recht
0 - 3 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Belastingadviseur
Accountancy Fiscaal recht
0 - 3 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *