Advocaten Fiscalisten Nieuws Notarissen

Ongrondwettelijke waardering voordeel van alle aard woning

Geschreven door Cazimir

Ongrondwettelijke waardering voordeel van alle aard woning: fiscus haalt opnieuw bakzeil!

Kader

U bent ongetwijfeld op de hoogte van de recente rechtspraak van de hoven van beroep van Gent (24 mei 2016 en 25 april 2017) en Antwerpen (24 januari 2017 en 27 juni 2017) waarin een nieuwe visie ontwikkeld is over de berekening van het voordeel van alle aard voor de terbeschikkingstelling van een woning.

Inmiddels heeft het hof van beroep te Gent zich opnieuw uitgesproken in de zaak waarin reeds op 24 mei 2016 een uitspraak was geveld. Volgens berichten uit de media heeft ook de Minister van Financiën inmiddels gereageerd.

Even recapituleren: waarover gaat het nu alweer?

Wanneer door een vennootschap een onroerend goed kosteloos ter beschikking wordt gesteld, wordt het in uw hoofde belastbaar voordeel hiervan forfaitair geraamd conform artikel 18 K.B./W.I.B. De waarderingsregels bepalen dat dit voordeel als volgt wordt vastgesteld:

  • Geïndexeerd KI x 100/60 x 1,25 (bij een KI van maximaal 745 EUR)

of

  • Geïndexeerd KI x 100/60 x 3,8 (bij een KI van meer dan 745 EUR)

Voormelde waarderingsregels gelden enkel wanneer het onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een rechtspersoon. Wordt het onroerend goed ter beschikking gesteld door een natuurlijke persoon, geldt volgende formule:

  • Geïndexeerd KI x 100/60.

In het eerste geval is het belastbaar voordeel van alle aard dus aanzienlijk hoger. Zowel het hof van beroep te Gent als het hof van beroep te Antwerpen zijn van oordeel dat hierdoor het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel geschonden is. Er bestaat immers geen redelijke en objectieve verantwoording voor dit onderscheid. De hogere waardering mag dus niet toegepast worden. De belastingaanslag wordt vernietigd in de mate waarin het voordeel werd belast volgens de regels voorzien in het geval waarin het onroerend goed werd ter beschikking gesteld door een rechtspersoon.

Wat is er nu nieuw?

Wanneer een aanslag vernietigd wordt door een hof van beroep kan de fiscus uiteraard cassatieberoep aantekenen. De fiscus heeft dit in deze zaken echter niet gedaan en heeft ervoor gekozen een zogenaamde subsidiaire aanslag ter goedkeuring voor te leggen aan de hoven van beroep (toepassing artikel 356 W.I.B.). Indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, kan de fiscus inderdaad een volledig nieuwe (of subsidiaire) aanslag voorleggen aan het hof. Die aanslag moet op alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag gevestigd worden.

In casu heeft de fiscus getracht de aanslagen te laten goedkeuren op grond van de reële huurwaarde van de woningen in kwestie. Het belastbaar voordeel werd met andere woorden niet langer forfaitair berekend maar de marktconforme huurwaarde van de woning werd weerhouden als belastbaar voordeel. De fiscus meende immers dat bij ongrondwettelijkheid van de forfaitaire berekening moest worden teruggevallen op de algemene regel vervat in artikel 36 W.I.B., met name dat voordelen in natura steeds moeten worden gewaardeerd naar de werkelijke waarde.

Een dergelijke zienswijze kan niet goedgekeurd worden aangezien de ongelijkheid nog steeds blijft bestaan: indien het onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een natuurlijk persoon wordt dit forfaitair berekend (geïndexeerd KI x 100/60) en wanneer dit ter beschikking wordt gesteld door een rechtspersoon zou de reële huurwaarde in aanmerking moeten worden genomen…?

Het hof van beroep te Gent heeft zich nu in een zeer recent arrest dd. 20 februari 2018 over deze kwestie uitgesproken: het hof stelt duidelijk dat alleen nog de algemene forfaitaire waarderingsregel mag worden toegepast (geïndexeerd KI x 100/60). Het voordeel waarderen op grond van de werkelijke huurwaarde wordt niet aanvaard. Het hof heropent dan ook de debatten om de fiscale administratie de kans te geven de voorgelegde subsidiaire aanslag aan te passen conform de algemene formule.

Is dit arrest definitief?

De administratie kan nog cassatieberoep aantekenen. Of het zover komt, valt nog af te wachten…

In de media (De Tijd, 7 maart 2018) is immers het bericht verschenen dat Minister Van Overtveldt het “onderscheid ongedaan wil maken”. Dit zou neerkomen op een “belastingverlaging”. “Daardoor zouden bedrijfsleiders nu terug op een realistisch voordeel belast worden in plaats van op een doorgaans veel te hoog voordeel”, aldus de Minister. Wat de Minister bedoelt en hoe dit zich in de praktijk zal vertalen, is op dit ogenblik onduidelijk. Blijkbaar zou wel een circulaire in de maak zijn om meer duidelijkheid te verschaffen. Daarbij zou de fiscus zich volgens de laatste berichten wel degelijk neerleggen bij de algemene formule.

Wat moet u doen?

Het ogenblik is meer dan ooit gekomen om de algemene formule toe te passen.

Wie zijn voordeel van alle aard nog moet aangeven, herziet best zijn berekening in functie van de algemene forfaitaire formule.

De oude forfaitaire berekeningen van het voordeel van alle aard kunnen aangevochten worden. Hoe dit juist moet gebeuren en wat dit moet kosten, vindt u in het volgende puntje.

Ten slotte is het niet uitgesloten dat de Administratie in de op til zijnde circulaire richtlijnen uitvaardigt om oude aanslagjaren recht te zetten.

Concreet: kosten en verloop van de procedure

Wat betreft de kosten en het concrete verloop van de procedure moet u het volgende weten:

1) Bezwaarprocedure in de personenbelasting

Een formeel en gemotiveerd bezwaarschrift moet ingediend worden tegen de gevestigde aanslag bij de bevoegde dienst. Dit moet tijdig gebeuren (er moet dus worden nagegaan of dit nog tijdig kan gebeuren).

Kan een bezwaarschrift niet meer tijdig ingediend worden, kan overwogen worden een verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing in te dienen. Deze nieuwe rechtspraak en/of het nieuwe standpunt van de Minister zou als een zogenaamd nieuw feit gekwalificeerd kunnen worden die u de mogelijkheid geeft op eerdere aanslagen terug te komen. In principe wordt nieuwe rechtspraak (althans van een hof van beroep) niet aanvaard als een ‘nieuw feit’. Het nieuwe standpunt van de Minister kan o.i. eventueel wel als nieuw feit gekwalificeerd worden.

Zodra de fiscus een negatieve beslissing heeft getroffen, heeft u een termijn van 3 maanden om een gerechtelijke procedure op te starten. Mocht er geen beslissing zijn genomen binnen een termijn van 6 maanden, kan u rechtstreeks naar de rechtbank zonder de beslissing af te wachten.

De kans op een negatieve beslissing in het kader van een bezwaarschrift is echter klein geworden gelet op het nieuwe standpunt van de Minister. De procedure zal dan ook hier stoppen. De kans op een negatieve beslissing in het kader van een verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing lijkt wel groter. Een gerechtelijke procedure kan dan overwogen worden.

2) Gerechtelijke procedure

De gerechtelijke procedure vindt plaats voor de bevoegde rechtbank van eerste aanleg. Aan het opstarten van een procedure zijn geen kosten verbonden. Wel is een bijdrage van 20 EUR verschuldigd per eisende partij voor het fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. De doorlooptijd van een gerechtelijke procedure verschilt per rechtbank. Gemiddeld moet u rekenen op 1 à 2 jaar.

Indien u in het gelijk wordt gesteld door de rechtbank, heeft u recht op terugbetaling van de teveel betaalde belasting, vermeerderd met moratoriumintresten, vanaf de maand nadat de belasting werd betaald, aan een tarief van 7% per jaar (2% vanaf 1/1/2018). Indien u in het gelijk wordt gesteld door de rechtbank, heeft u in principe ook recht op de terugbetaling van voormelde bijdrage van 20 EUR en heeft u in principe recht op een rechtsplegingsvergoeding die wordt berekend in functie van de waarde van de belasting. De tarieven vindt u hieronder terug.

Schijf Basisbedrag
Tot 250 EUR 180 EUR
250,01 tot 750 EUR 240 EUR
750,01 tot 2.500 EUR 480 EUR
2.500,01 tot 5.000 EUR 780 EUR
5.000,01 tot 10.000 EUR 1.080 EUR
10.000,01 tot 20.000 EUR 1.320 EUR
20.000,01 tot 40.000 EUR 2.400 EUR
40.000,01 tot 60.000 EUR 3.000 EUR
60.000,01 tot 100.000 EUR 3.600 EUR
100.000,01 tot 250.000 EUR 6.000 EUR
Hogere schijven zijn mogelijk, doch zeer onwaarschijnlijk

Indien u in het ongelijk wordt gesteld door de rechtbank, wordt u veroordeeld tot dezelfde rechtsplegingsvergoeding op voorwaarde dat de fiscus beroep heeft gedaan op een advocaat hetgeen uitzonderlijk is in eerste aanleg. De bijdrage van 20 EUR wordt niet terugbetaald. Indien tot een akkoord wordt gekomen met de fiscus (akkoordconclusie en akkoordvonnis), is het de gewoonte dat geen rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend. Ook de bijdrage van 20 EUR zal in dergelijk geval niet terugbetaald worden.

Voor meer informatie, kan u steeds contact opnemen op het nummer 02/255 87 00 met

  • Mr. Alexandre Missal: verantwoordelijke fiscale procedures
  • Mr. Rosanne Van Gael: medewerkster fiscale procedures
  • Mr. Tim Melis: verantwoordelijke vennoot

Wenst u op de hoogte te blijven? Volg Cazimir op LinkedIn!

Opmerking plaatsen

X