Eén. Zoveel kansen krijgt een kind op een goede start. De eerste 1.000 dagen, vanaf de bevruchting tot de tweede verjaardag, zijn immers cruciaal voor de verdere ontwikkeling en latere toekomstmogelijkheden. Het maakt dus wel degelijk uit waar je wiegje staat. Toch kan vandaag de dag iedereen die voldoende vruchtbaar is, zomaar een kind op de wereld zetten.
We zien helaas te vaak dat kinderen vanaf hun geboorte in ‘nesten’ terechtkomen waar een systematisch tekort is aan ontwikkelingskansen, verzorging, veiligheid, liefde en kinderlijke naïviteit. Deze pijnlijke vaststelling dwong mij er dan ook toe om concreet na te denken over onze reproductieve vrijheid. Kunnen we deze vrijheid inperken, met respect voor de mensenrechten, om leed te voorkomen?
De roep om bescherming: “Er zijn nog Rauls in Vlaanderen”
Het debat over de grenzen van het ouderschap en gedwongen anticonceptie flakkert regelmatig op. Dat zagen we recent nog naar aanleiding van het huiveringwekkende assisenproces over de negenjarige Raul. Zijn lichaampje werd, verzwaard met stenen, uit het Gentse Houtdok gevist na maandenlange mishandeling. Zijn moeder en stiefvader werden veroordeeld tot dertig jaar cel voor foltering met de dood tot gevolg.
De getoonde gruwel tartte elke verbeelding. Zelfs doorgewinterde aanwezigen in de rechtszaal braken bij de onbevattelijke horror die zich achter die specifieke voordeur had afgespeeld.
Maar er zijn vandaag helaas nog Rauls in Vlaanderen.
Dat besef dwingt ons als samenleving om in de spiegel te kijken.
Het doet sommige mensen wanhopig verzuchten dat er nog steeds geen wettelijk kader is dat ongeboren en in het bijzonder nog niet-bestaande kinderen beschermt tegen ouders met zware, uiteenlopende problematieken.
De wetenschap dat er nog steeds kwetsbare ‘Rauls’ in gevaar verkeren, roept de vraag op of we namelijk niet eerder moeten ingrijpen. Vóór het te laat is. Maar de vraag blijft: kan de roep om zoiets drastisch als verplichte anticonceptie effectief en wettelijk worden verwezenlijkt?
Een gewaagde mensenrechtenkwestie
De bescherming van een kind dat dreigt op te groeien in een nest dat eigenlijk geen nest is, is politiek en ethisch bijzonder gevoelig. Het raakt aan de meest intieme aspecten van ons mens-zijn. Bovendien is reproductieve gezondheidszorg, en alles wat daarbij komt kijken, een fundamentele mensenrechtenkwestie. Zodra de term ‘gedwongen anticonceptie’ valt, ontstaat er onvermijdelijk een zwaar spanningsveld met de individuele rechten van de mens.
Uit mijn onderzoek naar verschillende mensenrechtenverdragen blijkt waarom het haast onmogelijk is om een vorm van gedwongen anticonceptie in de Belgische wetgeving te verankeren.
Om te beginnen legt het recht om een gezin te stichten de Belgische Staat een principiële onthoudingsplicht op. Niemand mag verhinderd worden om kinderen te krijgen. Elke vorm van gedwongen gezinsbeperking – waaronder ook de verplichting tot het gebruik van bepaalde voorbehoedsmiddelen begrepen kan worden – is dus met andere woorden verboden.
Daarnaast vormt gedwongen anticonceptie een ongerechtvaardigde inbreuk op de privacy en lichamelijke integriteit van mensen. Het schendt immers het recht op zelfbeschikking, het privé- en familieleven en de natuurlijke voortplanting.
Verder botst een dergelijke maatregel met het VN-Vrouwenrechtenverdrag en het non-discriminatieverbod. In de praktijk zal de gedwongen anticonceptie vrijwel altijd worden opgelegd aan de potentiële moeder aangezien zij de drager van het kind is.
Tot slot is het niet ondenkbaar dat dergelijke ingrepen een schending uitmaken van het absolute verbod op onmenselijke en vernederende behandeling. Dergelijke ingrepen zijn immers niet pijnloos en de traumatische gevolgen ervan mogen we geenszins onderschatten.
Maar wat met het ongeboren en onbestaande kind?
Vormt het belang van het ongeboren – of het zelfs nog niet-bestaande – kind dan geen reden om deze bezwaren alsnog opzij te schuiven?
Het antwoord is nee.
Het toekennen van rechten aan een abstract, onbestaand organisme – dat door een verplichte anticonceptiemaatregel ook nooit zal bestaan – brengt een zekere absurditeit met zich mee. Hoe weeg je het belang van iemand die er nog niet is? Wie kan in zijn plaats spreken?
Uiteindelijk kan alleen het kind zélf, in zijn eigen concrete situatie, beoordelen of het in zijn belang was om geboren te worden. Maar dat is evident slechts een oordeel dat in se pas achteraf kan worden gemaakt.
Werkbare alternatieven
Dit alles betekent niet dat we vandaag niets kunnen doen. Integendeel.
Andere landen tonen dat er alternatieven bestaan. Zo zagen in Nederland al enkele prenatale kinderbeschermingsmaatregelen het levenslicht.
Maar ondanks de invoering van een prenatale ondertoezichtstelling, de dwangopname van zwangere vrouwen en het preventieve programma ‘Nu Niet Zwanger’ blijkt tegelijkertijd ook dat we Nederland niet zomaar als de absolute reddingsboei moeten beschouwen. Wegens het gebrek aan een zorgvuldig uitgewerkte wettelijke regeling zijn ongeboren kinderen in Nederland vandaag de dag ook nog steeds niet volkomen veilig in de baarmoeder.
De mosterd dient de Belgische wetgever dus niet zonder meer in Nederland te gaan halen. Maar de kansen die België op dit vlak vandaag nog steeds onbenut laat, moeten we wel dringend durven vastpakken. We kunnen via een constructieve dialoog ongetwijfeld van elkaars inzichten leren, zonder de valkuilen van onze noorderburen blindelings te kopiëren.
Conclusie: wie behoort de toekomst toe?
Het ongeboren kind dat dreigt op te groeien in een gezin dat al in de kiem ontwricht is, verdient ontegensprekelijk bescherming. Raul is daar het pijnlijke bewijs van. Ons veiligheidsnet heeft vandaag nog te veel gaten waar een (geboren) kind doorheen kan vallen.
Waar je wieg staat, is geen detail. En niemand wil nog een krantenkop over een kind dat nooit een kans heeft gehad.
Op het eerste gezicht lijkt gedwongen anticonceptie daarvoor een harde, maar rationele oplossing: voorkomen is beter dan genezen. Geen kind in een onveilige situatie, geen lijden dat voorkomen had kunnen worden.
Maar de roep om gedwongen anticonceptie is een dwaalspoor. Het beperkt onze reproductieve vrijheid veel te drastisch en schendt de meest fundamentele mensenrechten.
Bovendien staat er meer op het spel dan enkel onze reproductieve vrijheid. Het gaat immers niet alleen over de vraag of en hoe we ongeboren kinderen voortaan kunnen beschermen. Het gaat ook over de vraag in wat voor samenleving wij willen leven.
Willen wij een overheid die beslist wie kinderen mag krijgen en wie niet?
Willen wij een systeem waarin de toekomst van een mens wordt bepaald nog vóór hij bestaat?
Of blijven wij vasthouden aan het principe dat vrijheid ook risico’s inhoudt en dat de rol van de overheid ligt in beschermen, niet in selecteren?
Wegen de ochtenden waarop wij met een bang hart de krant openslaan en vrezen voor een nieuw familiedrama, op tegen die ene absurde ochtend waarop wij in diezelfde krant moeten lezen dat onze samenleving voortaan bepaalt wie wél en wie géén kinderen mag krijgen?
Dit gehele debat mogen wij niet uit de weg gaan. Integendeel, het moet gevoerd worden zodat er in de toekomst geen nieuwe Rauls onopgemerkt het slachtoffer worden van het nest waarin ze geboren werden.
Maar laat het één zijn waarin wij niet alleen kijken naar wat mogelijk is, maar ook naar wat we bereid zijn te aanvaarden.
Want eens de grens verschuift, is ze zelden nog terug te leggen.
En laten we nu even eerlijk zijn: willen wij echt een overheid die beslist aan wie de toekomst toebehoort?
Jente De Bruecker, advocaat aan de Balie Gent (Storme, Leroy, Van Parys).
Deze opiniebijdrage is gebaseerd op de bevindingen uit haar masterproef, getiteld ‘De juridische bescherming van het ongeboren kind dat dreigt op te groeien in een verontrustende situatie’. Met deze bijdrage wil zij abstracte mensenrechten vertalen naar de maatschappelijke realiteit van vandaag en aanzet geven tot een broodnodig juridisch en maatschappelijk debat over de toekomst van kwetsbare (geboren of ongeboren) kinderen.




0 reacties