Vandaag staat grensoverschrijdend gedrag op het werk meer dan ooit in de maatschappelijke en juridische belangstelling. De Welzijnswet biedt een wetgevend kader met een uitgesproken preventieve en beschermende finaliteit om geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk tegen te gaan.[1] Met artikel 119 van het Sociaal Strafwetboek werd daarnaast een afzonderlijke strafbaarstelling ingevoerd, waardoor deze daden strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Tegen deze achtergrond rijst de vraag of een afzonderlijke sociaalrechtelijke incriminatie daadwerkelijk een meerwaarde biedt binnen het bestaande juridische kader.
Een misdrijf zonder rechtspraak?
Opvallend is echter dat deze autonome strafbaarstelling nauwelijks aanleiding geeft tot correctionele rechtspraak, waardoor artikel 119 van het Sociaal Strafwetboek het karakter krijgt van een nagenoeg dode letter. Deze vaststelling vormt het vertrekpunt van de bijdrage, die onderzoekt welke factoren deze beperkte toepassing verklaren.
Alternatieven voor strafrechtelijke vervolging
Een eerste verklaring ligt in het bestaan van verschillende reactiemogelijkheden om grensoverschrijdend gedrag op het werk aan te pakken. Werknemers kunnen een beroep doen op interne procedures binnen de onderneming. Daarnaast bestaan er externe trajecten, waaronder een tussenkomst van de sociale inspectie of burgerrechtelijke procedures. Ook verzoenings- en bemiddelingsprocedures kunnen dergelijke conflicten oplossen. Deze procedures zijn laagdrempeliger en bieden een snellere oplossing dan een strafrechtelijke procedure.
In de schaduw van het gemeen strafrecht
Een tweede belangrijke factor is dat de kwalificatie als sociaalrechtelijk misdrijf tot twee parallelle systemen voor vervolging leidt: het gemeen strafrecht en het sociaal strafrecht. Feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen immers vaak tegelijkertijd een inbreuk uitmaken op bepalingen uit het Strafwetboek, zoals slagen en verwondingen, belaging, aanranding van de eerbaarheid (thans: aanranding van de seksuele integriteit) of verkrachting.[2] Hierdoor rijzen vragen over de verhouding tussen beide systemen en hun praktische toepassing. Dit heeft implicaties voor de actoren die belast zijn met de uitoefening van de strafvordering.
De doorslaggevende rol van de eendaadse samenloop
Bij samenloop van misdrijven bestaan er verschillende hypothesen die toepassing kunnen vinden. In geval van samenloop tussen de sociaalrechtelijke misdrijven van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk en de corresponderende misdrijven uit het Strafwetboek, zal dit doorgaans resulteren in de eendaadse samenloop. Dit houdt in dat wanneer eenzelfde feit meerdere misdrijven oplevert, enkel de zwaarste straf wordt opgelegd.[3]
De uitgebreide analyse in de bijdrage toont aan dat de sociaalrechtelijke strafbaarstellingen slechts in beperkte mate een verzwaring inhouden ten opzichte van het gemeen strafrecht. Hierdoor verschuift de focus in ernstige dossiers vaak naar de klassieke strafrechtelijke bepalingen, waardoor de afzonderlijke sociaalrechtelijke incriminatie minder zichtbaar wordt in de rechtspraak.
De autonome incriminatie in perspectief
Naast de samenloopproblematiek gaat de kwalificatie als sociaalrechtelijk misdrijf gepaard met een zekere complexiteit. De inhoud van de materiële gedragingen en de toepasselijke straf moeten worden afgeleid uit een samenlezing van verschillende bepalingen uit het Sociaal Strafwetboek en de Welzijnswet. Dit in tegenstelling tot de corresponderende misdrijven in het Strafwetboek, waar de constitutieve bestanddelen en de strafmaat doorgaans op een meer geconcentreerde wijze zijn geregeld. Deze werkwijze is tijdrovend en verhoogt het risico op interpretatieproblemen.
Een andere kwalificatiemoeilijkheid betreft de invulling van het moreel bestanddeel. De bijzondere wijze waarop artikel 119 van het Sociaal Strafwetboek is opgebouwd, laat ruimte voor discussie over de vereiste schuldvorm. Bij de overeenkomstige misdrijven uit het gemeen strafrecht staat daarentegen vast dat een opzet in hoofde van de dader moet worden aangetoond.
Bovendien blijkt dat veel van deze gedragingen reeds voor de invoering van artikel 119 van het Sociaal Strafwetboek strafrechtelijk werden vervolgd op grond van bestaande bepalingen uit het gemeen strafrecht.[4] Dit versterkt de indruk dat de sociaalrechtelijke strafbaarstelling eerder een aanvullende dan een noodzakelijke rol vervult.
Meer algemeen toont de bijdrage aan dat de toename van afzonderlijke strafbaarstellingen voor nieuwe maatschappelijke fenomenen het strafrechtelijk apparaat overbelast en leidt tot inconsistentie van het strafrechtelijk systeem. Het strafrecht zou steeds als ultimum remedium moeten worden ingeschakeld wanneer andere, minder ingrijpende rechtsmechanismen ontoereikend zijn. Een dergelijke uitbreiding van strafbaarstellingen dreigt dit uitgangspunt te ondergraven.
Naar een consistentere strafrechtelijke aanpak
De bijdrage betoogt dat de beperkte praktische toepassing van artikel 119 van het Sociaal Strafwetboek geen toevallig gegeven is. Het bestaan van alternatieve procedures, de samenloop met klassieke strafrechtelijke misdrijven en de toepassing van de eendaadse samenloop verklaren waarom deze bepaling vaak zonder concrete betekenis blijft. Daarnaast brengt deze sociaalrechtelijke kwalificatie een aantal nadelen met zich mee, die de praktische toepasbaarheid onder druk zetten. Daarmee lijkt de autonome strafbaarstelling in haar huidige vorm veeleer overbodig dan een regeling met toegevoegde waarde.
De bijdrage onderzoekt of de huidige regeling rond grensoverschrijdend gedrag op het werk kan worden behouden dan wel moet worden herzien. Daarbij worden twee alternatieve benaderingen uitgewerkt die de samenloopproblematiek vermijden en die bijdragen tot een coherenter en efficiënter strafrechtelijk systeem.
Margo Vanden Bempt
Deze bijdrage is gebaseerd op de masterproef van de auteur aan de VUB. Een uitgebreide versie werd onder de titel “Het belang van de kwalificatie van grensoverschrijdend gedrag op het werk als sociaalrechtelijk misdrijf” opgenomen in de bundel Juridische Meesterwerken VUB – Uitgave 2026, die een selectie van de beste masterproeven die rechtenstudenten (met inbegrip van ManaMa-studenten) in het academiejaar 2021-2022 hebben geschreven aan de faculteit Recht en Criminologie van de Vrije Universiteit Brussel.






0 reacties