Jubel

Dit is de Jubel-postbus. Op deze pagina verschijnen artikels geschreven door specialisten in het recht, notariaat, fiscaliteit, accountancy en Legal Tech zonder eigen auteurspagina op Jubel.be.

De artikels geplaatst onder de Jubel-postbus, spelen in op de juridische en fiscale actualiteit in België. Om die reden is de Jubel-postbus een onmisbare hulp voor wie op de hoogte wil blijven van de juridische en fiscale wereld en het Belgisch recht.

Wil u zelf bijdragen aan de Jubel-postbus? Mail dan naar redactie@jubel.be. Na evaluatie door de redactie, wordt uw bijdrage gepubliceerd.

Over de auteur:

Mr. Philip Daeninck is sinds 2000 als advocaat verbonden aan de Balie Limburg. Sinds 2016 is hij lid van de commissie Strafrecht van de Orde van Vlaamse Balies. Mr. Daeninck is auteur van talrijke publicaties over voorlopige hechtenis, voorwaardelijke invrijheidstelling en het Herstelrecht.

Dat de huidige conceptie van het elektronisch toezicht (hierna ET) in het kader van de voorlopige hechtenis tal van praktische en juridische bezwaren veroorzaakt, werd reeds eerder aangetoond (Zie: Het ET tijdens de vonnisfase, Geen mogelijkheid tot beroep voor OM en De impact van een beschikking van de onderzoeksrechter).

 Ook met betrekking tot een mogelijk contactverbod lijken er zich juridische problemen voor te doen. In de praktijk komt het voor dat de raadkamer bij het opleggen van een ET, tevens één of meerdere contactverboden oplegt. Het is evenwel zeer de vraag in welke mate zulks tot haar bevoegdheid behoort.

Het ET niet combineerbaar met andere voorwaarden

Het moge duidelijk zijn dat het ET een bijzonder statuut geniet in de wet op de voorlopige hechtenis. Zij werd uitdrukkelijk als een vorm van hechtenis geconcipieerd, en niet als een vorm van invrijheidstelling. Blijkens de wet zelf houdt zulks in dat de betrokkene, met uitzondering van toegestane verplaatsingen, voortdurend op een bepaald adres moet verblijven.

Uit het feit dat de wetgever ervoor koos het ET niet als een vorm van “Vrijheid onder Voorwaarden” (hierna VOV) in te voeren, doch wel als een uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis zelf, vloeit voort dat een ET in principe niet kan samengaan met het opleggen van andere voorwaarden. Een voorlopige hechtenis kan immers niet samengaan met een VOV. Een ET kan bijgevolg niet opgelegd worden in combinatie met bijvoorbeeld een borgsom.

Verder stipte de wetgever aan dat het ET vooral nuttig zou zijn teneinde een mogelijk recidive- of vluchtgevaar te neutraliseren. Deze vorm van hechtenis werd minder efficiënt geacht om het collusiegevaar te vrijwaren. Om deze reden werd voorzien in de mogelijkheid tot een bijzonder contactverbod.

Het contactverbod van art. 20, § 3bis VHW

Artikel 20 VHW regelt de beperkingen op vrij verkeer die de onderzoeksrechter kan opleggen na het verlenen van een bevel tot aanhouding. In dit artikel wordt in haar paragraaf 1 vooreerst het principe van het vrij verkeer met de advocaat verankerd. Vervolgens wordt in de paragrafen 2 en 3 bepaald in welke gevallen het vrij verkeer met andere personen dan de advocaat kan verboden worden. Tot aan de invoering van het ET, betrof dit logischerwijze steeds de situatie waarbij de verdachte opgesloten was in de gevangenis.

Met de invoering van het ET wijzigde deze situatie en werd een paragraaf 3bis ingevoerd. Hierin werd bepaald dat de onderzoeksrechter kan verbieden dat de verdachte bezoek ontvangt van de individueel in het bevel tot aanhouding vermelde personen, dat hij elke briefwisseling kan verbieden met de individueel in het bevel tot aanhouding vermelde personen of instellingen, en dat hij elke telefonische of elektronische communicatie kan verbieden met de individueel in het bevel tot aanhouding vermelde personen of instellingen.

Artikel 20, § 4 VHW stelt dat de onderzoeksrechter deze beslissing neemt bij een met redenen omklede beschikking, die wordt overgeschreven in een daartoe bestemd register in de gevangenis en die door de directeur van de gevangenis wordt betekend aan de verdachte. De beslissing geldt voor de strikt noodzakelijke duur door de onderzoeksrechter bepaald en uiterlijk tot op het ogenblik dat hij het dossier overzendt aan de procureur des Konings overeenkomstig artikel 127 Sv. Vanaf de beschikking tot mededeling van het dossier kan er bijgevolg geen sprake meer zijn van enig contactverbod. Zulks lijkt in die zin logisch nu het collusiegevaar vanaf dat ogenblik geweken is, zodat het contactverbod haar bestaansrecht verliest.

De wet is duidelijk wat betreft de duur van het contactverbod: de onderzoeksrechter moet dit bepalen. Het Hof van Cassatie is dienaangaande terecht streng. De duur moet namelijk exact bepaald worden. De enkele melding dat het verbod geldt tot aan de beschikking tot mededeling volstaat niet aangezien de precieze datum niet op voorhand bekend is (Cass. 15 februari 2012).

Tot slot, en wellicht ten overvloede stelt artikel 20, § 7 VHW uitdrukkelijk dat § 2 en § 3 van artikel 20 VHW niet van toepassing zijn op het bevel tot aanhouding dat wordt uitgevoerd onder elektronisch toezicht.

Mogelijkheid tot het aanvechten van het contactverbod

De verdachte kan bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis een verzoekschrift indienen tot wijziging of opheffing van de door de onderzoeksrechter krachtens artikel 20, § 3bis VHW opgelegde maatregelen. Het verzoekschrift wordt bij het dossier van de voorlopige hechtenis gevoegd. Hoger beroep tegen de beslissing is mogelijk overeenkomstig artikel 30 VHW en cassatieberoep overeenkomstig artikel 31 VHW (art. 20, § 6 VHW).

Het verzoekschrift zal worden behandeld op de eerstvolgende zitting van het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de voorlopige hechtenis. Wanneer het onderzoeksgerecht uitspraak doet over de voorlopige hechtenis, doet het tegelijk uitspraak over het verzoekschrift. Hoger beroep en cassatieberoep hebben schorsende werking zodat de door de onderzoeksrechter opgelegde maatregelen van kracht blijven tot de uitspraak van de kamer van inbeschuldigingstelling of van het Hof van Cassatie.

Uitsluitend de onderzoeksrechter bevoegd

Er lijkt aldus geen wettelijke basis voorhanden voor de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling om zelf autonoom een contactverbod op te leggen. De wettekst zelf spreekt louter over de onderzoeksrechter, niet over de onderzoeksgerechten. De personen of instellingen op wie het contactverbod betrekking heeft, moeten ook individueel in het bevel tot aanhouding worden opgenomen.

Naar indeling toe valt artikel 20 VHW ook onder het Hoofdstuk III. Het bevel tot aanhouding, hetwelk eveneens louter een bevoegdheid van de onderzoeksrechter betreft. De controle op de voorlopige hechtenis waarbij de rol van de raadkamer wordt bepaald, volgt pas in de navolgende de artikelen 21 ev., onder Hoofdstuk IV. Ook naar indeling van de wet toe lijkt er bijgevolg geen grond om de onderzoeksgerechten een bevoegdheid toe te kennen in de materie van het contactverbod.

De raadkamer is uiteraard wel bevoegd om uitspraak te doen over de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering ervan – en aldus ook over het ET – doch de artikelen 21 en 22 VHW verwijzen louter naar artikel 16 VHW, en niet naar artikel 20 VHW hetwelk het contactverbod regelt.

Nochtans lijken er weinig inhoudelijke argumenten voorhanden om de onderzoeksgerechten deze mogelijkheid tot ontnemen. Het lijkt veeleer een vergetelheid van de wetgever te betreffen. Het valt af te wachten hoe streng het Hof van Cassatie hierover zal oordelen. Enerzijds is het mogelijk dat geoordeeld wordt dat geen enkele wettelijke bepaling de onderzoeksgerechten verbiedt een contactverbod op te leggen, maar in de materie van vrijheidsberoving en/of –beperking is deze redenering niet wenselijk. Anderzijds oordeelde het Hof van Cassatie in de materie van het ET bij de regeling van de rechtspleging terecht dat van de raadkamer niet kan verwacht worden dat zij beslissingen treft die niet in de wet zijn voorzien (Cass. 11 februari 2015). In die zin valt aan te nemen dat het Hof van Cassatie de wetgever in deze niet zal willen depanneren.

Concluderend kan gesteld worden dat het andermaal zo is dat de wetgever klaarheid zal moeten scheppen. Het is dan aangewezen om al de tekortkomingen van de wet in één keer op te vangen zodat deze eerder technische problematiek kan verschimmen in de nevelige flarden der tijd…

Philip Daeninck

Jubel

Dit is de Jubel-postbus. Op deze pagina verschijnen artikels geschreven door specialisten in het recht, notariaat, fiscaliteit, accountancy en Legal Tech zonder eigen auteurspagina op Jubel.be.

De artikels geplaatst onder de Jubel-postbus, spelen in op de juridische en fiscale actualiteit in België. Om die reden is de Jubel-postbus een onmisbare hulp voor wie op de hoogte wil blijven van de juridische en fiscale wereld en het Belgisch recht.

Wil u zelf bijdragen aan de Jubel-postbus? Mail dan naar redactie@jubel.be. Na evaluatie door de redactie, wordt uw bijdrage gepubliceerd.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.