Vanaf 1 januari 2026 wordt een meerwaardebelasting op financiële activa ingevoerd. Dit stelsel vormt een ingrijpende hervorming van het fiscaal regime voor vermogenswinsten, met als doel verschillende vormen van meerwaarden uniformer en evenwichtiger te behandelen. Het tarief varieert naargelang de soort en grootte van 1,25% tot 33%. Bovendien verschilt naargelang de soort ook de berekeningswijze waarbij eentje een vrijstelling van 1 miljoen euro meerwaarde heeft terwijl een ander ‘slechts’ tienduizend euro vrijstelling en een laatste helemaal geen vrijstelling kent. Alsof dit nog niet complex genoeg is moeten sommige meerwaarden aangegeven worden in de aangifte terwijl andere bevrijdend aan de roerende voorheffing onderworpen worden. Om te kunnen genieten van de wettelijke vrijstelling van tienduizend euro per persoon en/of minderwaarden in rekening te brengen, zal een belastingplichtige dit gedetailleerd moeten opnemen in de aangifte. Alhoewel de wettekst bij het schrijven hiervan nog steeds niet definitief is, treedt ze in werking vanaf 1 januari 2026. Dit bezorgt financiële instellingen, verzekeringsmaatschappijen, adviseurs en belastingplichtigen heel wat kopzorgen.
De wetgeving tot aan de nieuwe meerwaardebelasting: voornamelijk vrijstelling
Op enkele uitzonderingen na zijn meerwaarden op financiële activa, volgens de nog steeds geldende wetgeving belastingvrij. Dit m.u.v. meerwaarden buiten het normale beheer van het privévermogen. Deze zijn belastbaar als diverse inkomsten aan een 33%-tarief, te verhogen met gemeentelijke opcentiemen, gemiddeld 7,5%. Een andere uitzondering is de overdracht van aandelen aan een rechtspersoon buiten de EER, wanneer er een familiaal belang is van meer dan 25%, waarbij dan 16,5% belasting, te verhogen met gemeentebelasting, verschuldigd is.
De nieuwe indeling van meerwaarden: drie categorieën
Allereerst is het zo dat met belastbare overdrachten van financiële activa enkel deze worden beoogd die gebeuren onder bezwarende titel. Schenkingen of overdrachten bij overlijden zijn dus niet bedoeld. Meerwaarden op financiële activa zoals bedoeld in de tweede en derde pensioenpijler, met belastingverminderingen voor langetermijnsparen evenmin. Ook meerwaarden bij een uitonverdeeldheidtreding binnen de drie jaar voortvloeiend uit een overlijden, echtscheiding, het einde van een wettelijke samenwoning of van een feitelijke samenwoning zijn niet bedoeld.
Omgekeerd worden twee situaties gelijkgesteld met een overdracht onder bezwarende titel. Enerzijds de vereffening bij leven van kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen en anderzijds de emigratie, de zogenaamde exit-taks, bij het overbrengen van de woonplaats of zetel van fortuin van de belastingplichtige buiten België. In deze laatste situatie is de latente meerwaarde op het ogenblik van emigratie in principe belastbaar waarbij de waarde op het ogenblik van de emigratie als verkoopprijs wordt genomen. Voor levensverzekeringsovereenkomsten is dit de inventarisreserve. Bij de exit-taks zijn wel specifieke bepalingen voorzien om twee jaar een betalingsuitstel te krijgen of zelfs definitief ontheven te worden.
Verder is het zo dat de kwalificatie van meerwaarden als beroepsinkomsten behouden blijft (en belast) en dus hier niet thuishoren, wanneer ze gerealiseerd worden op financiële activa die de belastingplichtige gebruikt voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteit.
De belastingberekening op de overige meerwaarden van financiële activa gebeurt op basis van drie verschillende categorieën:
- de interne meerwaarden,
- aanmerkelijk belang,
- en restcategorie van meerwaarden op financiële activa.
Eerste categorie: interne meerwaarden, heel strenge wetgeving en aan 33%
De eerste categorie zijn de zogenaamde ‘interne meerwaarden’. Dit zijn meerwaarden op aandelen en winstbewijzen gerealiseerd door een overdrager die alleen of samen met naaste familieleden (echtgenoot, afstammelingen, ascendenten en zijverwanten tot en met de tweede graad en die van zijn echtgenoot) op de overnemer rechtstreeks of onrechtstreeks controle uitoefent.
Het gegeven van de interne meerwaarde maakt al decennialang onderwerp uit van een strijd met de belastingadministratie. Via de realisatie van een belastingvrije interne meerwaarde kon de roerende voorheffing (RV) op dividenden immers worden ontweken. Bij een verkoop van aandelen van een werkvennootschap – die per hypothese beschikt over historische reserves – door de aandeelhouder-natuurlijke persoon aan een eigen holdingvennootschap, liet men veelal de verkoopprijs openstaan op de rekening-courant van de holdingvennootschap ten gunste van de aandeelhouder-verkoper. De terugbetaling werd dan gefinancierd via de belastingvrije uitkering van historische reserves van de werkvennootschap aan de holdingvennootschap, met toepassing van het dbi-stelsel en vrijstelling van RV voor dividenduitkeringen op basis van de Moeder-dochterrichtlijn. Dit mechanisme werd in het verleden met wisselend succes door de fiscus bestreden, hetzij door te belasten als abnormaal beheer van privévermogen aan 33%, hetzij door de terugbetaling van de rekening-courant schuld te herkwalificeren in een dividenduitkering onderworpen aan RV op grond van de algemene antimisbruikbepaling. Ook de Dienst Voorafgaande Beslissingen levert geen positieve fiscale ruling af die de vrijstelling van een dergelijke interne meerwaarde bevestigt. Met intussen al de vierde aanpassing van de wetgeving wordt de interne meerwaarde, fiscaal geïnspireerd of niet, volledig met de grond gelijkgemaakt.
Interne meerwaarden gerealiseerd via een verkoop worden onder de nieuwe meerwaardebelasting volledig en automatisch belast tegen een 33%-tarief, weliswaar zonder aanvullende gemeentebelasting. In tegenstelling tot de andere nieuwe categorieën van meerwaarden, wordt niet voorzien in een lager tarief noch vrijstelling. Dit omdat een dergelijke werkwijze uitsluitend met fiscale doeleinden verricht wordt, volgens de wetgever.
Een interne meerwaarde gerealiseerd door een inbreng van aandelen is niet geviseerd en vrijgesteld van de nieuwe meerwaardebelasting. Bij interne meerwaarden met ingang van 1 jan 2017 heeft de wetgever immers voorzien dat het fiscaal gestorte kapitaal n.a.v. een vrijgestelde inbreng van aandelen niet (meer) overeenstemt met de werkelijke waarde van de ingebrachte aandelen, maar met de aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen in hoofde van de inbrenger.
Tweede categorie: aanmerkelijk belang, de meest gunstige categorie: van 0% tot 10%
De tweede categorie betreft meerwaarden op aandelen (niet winstbewijzen) in het kader van een aanmerkelijk belang. Dit is wanneer de overdrager (hijzelf en ditmaal niet samen met familie e.d.) minstens 20 % bezit van het kapitaal op het ogenblik van de overdracht. Dit tenzij het systeem van de interne meerwaarde al van toepassing is. Met deze categorie moet worden vermeden dat Belgische vennootschappen minder aantrekkelijk worden voor externe financiering of voor het ontplooien van ondernemersinitiatieven.
Allereerst is het zo dat per persoon in een periode van vijf jaar de eerste schijf van 1 miljoen euro meerwaarde vrijgesteld is. Wanneer bijvoorbeeld de aandelen verdeeld zijn over vader, moeder en de twee kinderen kunnen zij bij realisatie elk genieten van deze vrijstelling.
Verder wordt de meerwaarde als volgt belast:
- tussen 0 (of boven 1 miljoen vrijstelling) en 2,5 miljoen euro: een tarief van 1,25 %;
- tussen 2,5 en 5 miljoen euro: een tarief van 2,5 %;
- tussen 5 en 10 miljoen euro: een tarief van 5 % en;
- vanaf 10 miljoen euro geldt het tarief van 10 %.
De bedragen van de vrijstelling en de bedragen voor de tariefschalen worden niet geïndexeerd. Wel zijn er geen aanvullende gemeentebelasting van toepassing.
Derde categorie financiële activa of restcategorie: 10%
In deze laatste categorie, waar de overige meerwaarden terecht komen, hebben we vier soorten financiële activa:
- de financiële instrumenten zoals effecten (aandelen, aandelencertificaten, obligaties, …), geldmarktinstrumenten (depositocertificaten, commercial paper, …), rechten in beleggingsfondsen (o.a. ETF's), structured notes (schuldinstrumenten die een onderliggende waarde of activa repliceren), een brede waaier aan derivaten (opties, futures, swaps, termijncontracten, …), credit default swaps, contracts for differences, en emissierechten, zowel aangehouden in België als in het buitenland;
- de verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen zoals spaar-verzekeringen (tak 21, 22 of 26), beleggingsverzekeringen (tak 23) of een combinatie daarvan (tak 44), alsook vergelijkbare buitenlandse levensverzekeringen (zoals de Luxemburgse branche 6), m.u.v. schuldsaldo- of uitvaartverzekeringen;
- cryptoactiva en niet-verwisselbare tokens die voor betalings- of investeringsdoeleinden gebruikt kunnen worden;
- geldmiddelen, beleggingsgoud en digitale centralebankmunten.
Net als bij de tweede categorie is voorzien in een jaarlijkse vrijstelling beperkt tot de eerste schijf van 10.000 euro meerwaarden. Een bedrag dat wél jaarlijks wordt geïndexeerd. De vrijstelling is overdraagbaar naar volgende jaren in de mate de eerste schijf van te indexeren bedrag van duizend (1.000) euro niet wordt gebruikt in een belastbaar tijdperk. Het totaal van de overdracht kan niet meer bedragen dan vijfduizend euro, jaarlijks te indexeren, waardoor de maximum vrijstelling per belastingplichtige vijftienduizend euro, jaarlijks te indexeren, kan bedragen.
Wie is onderworpen aan de nieuwe meerwaardebelasting?
De nieuwe belasting is van toepassing in de personenbelasting én de rechtspersonen-belasting, met uitzondering voor entiteiten die giften kunnen ontvangen die in aanmerking komen voor een belastingvermindering.
Het is de belastingplichtige, als eigenaar van de overgedragen financiële activa, die de meerwaardebelasting verschuldigd is. In geval van gesplitste eigendom worden de meerwaarden geacht inkomsten te vormen van de blote eigenaar. Wat verzekeringsovereenkomsten betreft, is de rechthebbende de belastingplichtige. De belasting is niet verschuldigd voor niet-inwoners. Dit wordt verantwoord omdat België voor niet-inwoners gevestigd in een verdragsstaat doorgaans toch geen heffingsbevoegdheid heeft op (niet-professionele) meerwaarden op financiële activa.
De belastbare basis is de bruto-opbrengst, zonder aftrek van de kosten
De belastbare meerwaarde is gelijk aan het positieve verschil tussen de prijs of waarde verkregen voor de overgedragen activa en hun aanschaffingswaarde. Kosten noch belastingen zijn aftrekbaar, wat op zijn minst bijzonder is.
Als aanschaffingswaarde geldt de prijs of waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger de financiële activa onder bezwarende titel heeft verkregen. Als de belastingplichtige de financiële activa om niet heeft verkregen, bijvoorbeeld via schenking of erfenis, moet hij aantonen tegen welke prijs de schenker of erflater deze heeft verkregen.
Als de aanschaffingswaarde niet op basis van bewijskrachtige gegevens kan worden bepaald wordt de volledig verkregen prijs als een belastbare meerwaarde beschouwd.
Wanneer achtereenvolgens meerdere identieke financiële activa zijn verworven voorafgaand aan de overdracht zal het eerst verkregen actief geacht worden het eerst overgedragen te zijn (dit wordt omschreven als "first in first out" of FIFO).
Enkel meerwaarden vanaf 31 december 2025 worden belastbaar
Historische meerwaarden opgebouwd vóór 1 jan 2026 zijn vrijgesteld, waardoor de belastbare meerwaarde het positieve verschil is tussen de ontvangen prijs en de waarde op 31 dec 2025.
De vaststelling van de waarde op 31 dec 2025, het zogenaamde 'foto-moment', is dus cruciaal. Hiervoor zijn enkele methodes voorzien:
- Financiële activa genoteerd op een gereglementeerde markt of op enige andere openbare, regelmatig werkende markt: de laatste slotkoers van 2025.
- Niet-genoteerde financiële activa: de hoogste van volgende waardes:
- de waarde gehanteerd bij een overdracht onder bezwarende titel tussen volstrekt onafhankelijke partijen, of n.a.v. de oprichting van de vennootschap of de laatste kapitaalverhoging die plaatsvond van 1 jan 2025 t.e.m. 31 dec 2025;
- de waarde volgens een formule vastgesteld in een contract of een contractueel aanbod van verkoopoptie in werking op 1 jan 2026;
- Specifiek voor aandelen of daarmee gelijkgestelde instrumenten : het eigen vermogen van de vennootschap verhoogd met vier keer de fiscale EBITDA van het laatste boekjaar afgesloten vóór 1 jan 2026. Evenwel kan de belastingplichtige de waarde van niet-beursgenoteerde aandelen en met aandelen gelijkgestelde instrumenten op 31 dec 2025 laten vaststellen door een bedrijfsrevisor of gecertificeerd accountant waarbij geen van beiden de gebruikelijke beroepsbeoefenaar mag zijn, alhoewel over dit laatste nog discussie is. Dit dan uiterlijk op 31 dec 2027.
- Levensverzekeringsovereenkomsten: de inventarisreserve, in de mate het kapitaal of de afkoopwaarde in verhouding staat tot de premies gestort tot 31 dec 2025, en verhoogd met de premies gestort vanaf 1 jan 2026, in de mate het kapitaal of de afkoopwaarde niet al is afgekocht.
De fiscale administratie kan de waardering door een accountant of revisor naast zich neer leggen, als er aanwijzingen zijn dat ze niet marktconform is. Maar dit zou slechts "in uitzonderlijke gevallen" gedaan worden.
Een hogere aanschaffingswaarde dan deze op 31 december 2025
Wanneer de werkelijke aanschaffingswaarde van financiële activa verworven vóór 1 jan 2026 hoger ligt dan op 31 dec 2025, kan de belastingplichtige opteren om de hogere aanschaffingswaarde te gebruiken.
Om deze hogere aanschaffingsprijs te bepalen mag hij zich baseren op de financiële rapportering aangeleverd door de financiële instelling met de stand van de effectenportefeuille op 31 dec 2025.
Deze mogelijkheid geldt enkel voor overdrachten tot en met 31 dec 2030.
Voor minderwaarden op financiële activa verkregen vóór 1 jan 2026 kan dan weer enkel rekening worden gehouden met het (negatieve) verschil tussen de ontvangen prijs en de waarde op 31 dec 2025 (voor levensverzekeringsovereenkomsten : de inventarisreserve), zonder mogelijkheid om een eventueel hogere werkelijke aanschaffingswaarde aan te tonen.
Hoe wordt de meerwaardebelasting geïnd: via een bevrijdende roerende voorheffing
Meerwaarden binnen de restcategorie van de algemene meerwaardebelasting, worden onderworpen aan een RV van 10 %. Dit is niet zo voor meerwaarden op cryptoactiva, noch interne meerwaarden of aanmerkelijk-belang-meerwaarden. Deze meerwaarden moeten aangegeven worden in de aangifte.
De RV wordt ingehouden door de in België gevestigde tussenpersonen die tussenkomen bij de verrichting, veelal financiële instellingen of verzekeringsondernemingen. De verkoper is niet gehouden RV in te houden.
Bij de toepassing van de RV mag de tussenpersoon geen rekening houden met een vrijgestelde schijf noch met aftrekbare minderwaarden of de hogere historische aanschaffingswaarde van de activa dan op 31 dec 2025. De toepassing van zowel de vrijstelling als de aftrek van minderwaarden kan enkel via de aangifte, waarbij de ingehouden RV wel volledig verrekenbaar is. Een andere situatie waar de RV de verschuldigde belasting kan overstijgen, is die waar de tussenpersoon geen kennis heeft van de aanschaffingswaarde. In dat geval moet de tussenpersoon de RV inhouden op de volledige ontvangen prijs.
Meerwaarden onderworpen aan de RV ‘moeten’ niet meer worden vermeld in de aangifte. Het mag, wat belastingplichtigen zullen doen als zij de besproken vrijstellingen of correcties willen genieten. Daarbij moet de belastingplichtige de afweging maken tussen, enerzijds, de anonimiteit die de bevrijdende RV met zich meebrengt en, anderzijds, de bijkomende uitgebreide transparantie veroorzaakt door de aangifte. De belastingplichtige moet hier, anders dan bij een opt-out, enkel de meerwaarden aangeven waarvoor hij vrijstellingen vraagt.
Minderwaarden, vrijstellingen en opt-out vereisen vermelding in aangifte
Minderwaarden zijn dus aftrekbaar, mits die worden verwezenlijkt door dezelfde belastingplichtige, in de loop van hetzelfde belastbare tijdperk en binnen dezelfde categorie. Dit betekent bv. dat minderwaarden binnen de restcategorie niet aftrekbaar zijn van meerwaarden van een aanmerkelijk belang. Binnen de restcategorie maakt het niet uit op welk soort financieel actief de minderwaarde werd gerealiseerd.
Belastingplichtigen die om welke reden ook de voorfinanciering van de RV niet wensen te ondergaan, hebben de mogelijkheid tot een opt-out. Zij moeten dit kenbaar maken aan de tussenpersoon. Bij een effectenrekening met meerdere titularissen, moeten ze allen kiezen voor de op-out, zo niet blijft het principe van de RV gelden voor allen.
Bij een opt-out moet de tussenpersoon de Administratie op de hoogte brengen , ook van alle inkomsten waarop de opt-out betrekking heeft. De fiscus krijgt op die wijze zicht op alle transacties. Met betrekking tot 2026 is het de bedoeling dat de opt-out ten laatste op 30 jun 2026 kenbaar wordt gemaakt en is deze dan van toepassing op het gehele inkomstenjaar 2026.
In geval van een opt-out, alsook voor meerwaarden die niet onderworpen zijn aan RV (cryptoactiva en valuta, interne en aanmerkelijk belang-meerwaarden), geldt dus een aangifteplicht.
Te veel handelen, veel risico’s nemen enz… kan nog steeds aan 33% worden belast
Anderzijds blijft ook het onderscheid tussen normaal en abnormaal beheer behouden. Een meerwaarde die niet past binnen het normale beheer van het privévermogen of voortvloeit uit een speculatieve handeling valt niet onder één van de nieuwe categorieën, maar wordt belast tegen 33 %, verhoogd met aanvullende gemeentebelasting.
Door de principiële belastbaarheid van meerwaarden op financiële activa en de bijhorende aangifteplicht (tenzij de meerwaardebelasting werd ingehouden via RV) zal het risico op controle en betwisting door de Administratie wellicht verhogen.
Nog lang niet alles…
Wat de meerwaardebelasting betreft, hebben we hier zeker niet alles geschreven. Zo zijn voor aandelenopties, immigratie naar België, werkgeversaandelen, reorganisaties, carried intrest, de Reynderstaks, de kaaimantaks e.d. nog specifieke regels voorzien.
Hoe dan ook is deze nieuwe meerwaardebelasting een ingewikkeld, onoverzichtelijk systeem geworden dat enkel zorgt voor heel wat bijkomende administratieve overlast, jarenlange renteloze leningen aan de overheid (te verkrijgen vrijstellingen, aftrek van minderwaarden) en finaal bijkomende frustratie opwekt of zelfs afschrikt wanneer de fiscus vragen om inlichting zal sturen naar personen die hun rechtmatige vrijstelling claimen. We zijn met deze nieuwe belasting alweer een stap verder verwijderd van een eerlijke fiscaliteit.
Carl Van Biervliet – Certified Tax Accountant, Partner Vandelanotte, CEO Tax&Legal, Prof FHS, Gastprof KUL




0 reacties