De hervorming van het Vlaamse gunstregime voor familiale vennootschappen anno 2026 cover

23 mrt 2026 | Tax & Private equity

De hervorming van het Vlaamse gunstregime voor familiale vennootschappen anno 2026

Door VGD

Recente Jobs

Accounting officer
Accountancy
5 - 10 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Accountant
Accountancy
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Belastingadviseur
Accountancy Fiscaal recht
0 - 3 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Notarieel jurist
Notariaat
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant
Advocaat
Familierecht Privaatrecht verkeersrecht
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen

De Vlaamse hervorming van de erf- en schenkbelasting bracht vanaf 1 januari 2026 een reeks belangrijke wijzigingen met zich mee. Deze uiteenzetting focust op het gewijzigde gunstregime voor familiale vennootschappen, met focus op de nieuwigheden zoals de uitsluiting van het residentieel vastgoed en het verplichte waarderingsverslag.

De Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF) voorziet in een fiscaal voordelig gunstregime voor familiale vennootschappen. Hierdoor kunnen de aandelen van de vennootschappen aan een verlaagd tarief worden vererfd en/of geschonken, met name:

  • Bij vererving geldt een vlak tarief van 3% in rechte lijn en 7% voor de vererving naar andere erfgenamen.
  • Bij schenking is er geen schenkbelasting (0%).

Het afgelopen jaar was er heel wat commotie over de toepassing van het gunstregime voor familiale vennootschappen, voornamelijk wanneer die vennootschap ook privatief/residentieel vastgoed bezit dat niet voor haar economische activiteit wordt gebruikt en dit voornamelijk gebaseerd op het befaamde ‘Slagerij-arrest’ (zie verder). Een hervorming van het gunstregime voor de schenking of de vererving van de aandelen van familiale vennootschappen hing dan ook al een tijdje in de lucht.

Het Vlaams Parlement heeft op 18 december 2025 het Programmadecreet bij de begroting 2026 aangenomen, en daarmee ook een belangrijke hervorming en verstrenging van het gunstregime. Hierdoor zijn de spelregels gewijzigd voor schenkingsakten die verleden worden en nalatenschappen die openvallen vanaf 1 januari 2026. Bovendien zullen de gewijzigde toepassingsvoorwaarden ook voor oudere restschenkingen gelden als die pas onder de huidige wetgeving actueel zouden worden. Dit kan ertoe leiden dat de vrijstelling niet (volledig) kan worden toegepast wanneer de familiale vennootschap of een onderliggende vennootschap vandaag residentieel vastgoed aanhoudt.

Wat is er ongewijzigd in het gunstregime voor familiale vennootschappen?

Opdat er van het gunstregime kan worden genoten, moet er voldaan zijn aan een aantal basisvoorwaarden.

In eerste instantie moet het gaan om een vennootschap waarvan de zetel van werkelijke leiding is gelegen in de Europese Economische Ruimte (Europese Unie + Noorwegen, IJsland en Liechtenstein). Dit is de lokalisatievoorwaarde.

Bovendien moet er voldaan zijn aan de participatievoorwaarde waarbij de aandelen (lees: stemrechten verbonden aan de aandelen) voor minstens 50% moeten aangehouden worden door de schenker of de erflater, desgevallend samen met zijn/haar familie. Er is ook aan deze voorwaarde voldaan indien de schenker/erflater en zijn/haar familie minstens 30% van de aandelen in volle eigendom aanhouden EN zij samen met één andere aandeelhouder en/of diens familie minstens 70% van de aandelen in volle eigendom hebben of zij samen met twee andere aandeelhouders en/of hun familie minstens 90% van de aandelen in volle eigendom bezitten.

Ook de activiteitsvoorwaarde wordt op zich behouden, maar de beoordeling ervan werd aangepast. Dit wordt hieronder uitgebreid uiteengezet.

Wat is er gewijzigd aan het gunstregime voor familiale vennootschappen?

Hieronder wordt een overzicht gegeven van de essentie van de nieuwe regels met de focus op de gevolgen voor de praktijk. Er wordt regelmatig verwezen naar de FAQ van VLABEL. Deze is raadpleegbaar via de website van de Vlaamse Overheid (https://assets.vlaanderen.be/image/upload/v1771331166/repositories-prd/FAQ_Familiale_v20251222_s6npan.pdf). De laatste update van de FAQ dateert van eind februari 2026.

  1. Uitsluiting van het residentieel vastgoed (incl. schrapping parameters);
  2. Vormvoorwaarden;
  3. Voorwaarden tot behoud;

Uitsluiting residentieel vastgoed

Exit parametertest en het weerlegbaar vermoeden van inactiviteit

Zoals reeds aangegeven, moet de vennootschap op het ogenblik van de schenking of het overlijden ook na de hervorming nog een ‘reële economische activiteit’ uitoefenen. Hiertoe was vroeger voorzien in een wettelijk (weerlegbaar) vermoeden als twee parameters cumulatief waren voldaan. Een vennootschap werd verondersteld geen reële economische activiteit uit te oefenen wanneer uit de jaarrekening (van minstens een van de drie boekjaren voorafgaand aan de schenking of het overlijden) bleek dat het bedrag van de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen minder dan 1,50% betrof van de totale activa (= eerste parameter) én als de boekwaarde van de terreinen en gebouwen meer dan 50% bedroeg van het totaal actief (=tweede parameter).

Tegen het vermoeden van afwezigheid van een reële economische activiteit kon de belastingplichtige het tegenbewijs leveren. Volgens VLABEL moest aangetoond worden dat alle onroerende goederen die in de vennootschap aanwezig zijn, dienstig waren voor de economische activiteit, en dus geen privaat vastgoed betroffen. Bij het leveren van het tegenbewijs werd VLABEL teruggefloten door het veelbesproken ‘Slagerij-arrest’. Het hof van beroep van Gent oordeelde dat het tegenbewijs kon worden geleverd (indien er voldoende activiteiten voorhanden waren) ondanks de aanwezigheid van privaat vastgoed. Hierdoor moest VLABEL zijn eerdere strikte houding verlaten en het gunstregime in het geheel toestaan. Immers: de oude regeling betrof een alles-of-nietsverhaal: ofwel kwalificeerde de vennootschap voor het totaal voor het gunstregime ofwel (geheel) niet. Deze rechtspraak vormde het startpunt van een jarenlange discussie die de directe beweegreden was tot de aanpassing van de wetgeving.

Vanaf 1 januari 2026 komt de waarde van residentieel vastgoed (inclusief bouwgronden) dat door een familiale vennootschap wordt aangehouden, niet langer in aanmerking voor een overdracht onder het gunstregime, ook al wordt er een activiteit uitgeoefend. Onder de nieuwe wetgeving is het dus geen ‘alles of-nietsverhaal’ meer. Het verlaagd tarief of de vrijstelling zal niet worden toegepast op het gedeelte van de waarde van de aandelen van de vennootschap dat het residentieel onroerend goed vertegenwoordigt.

Aangezien residentieel vastgoed uitdrukkelijk van de gunstregeling wordt uitgesloten, zijn de parametertesten in het kader van de reële economische activiteittoets (zoals hierboven aangekaart) geschrapt wegens niet langer relevant.

Hoe wordt de definitie ‘residentieel vastgoed’ beoordeeld in de praktijk?

Residentieel vastgoed wordt gedefinieerd als “onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd”. Wat houdt dit nu in voor de praktijk?

  • Zakelijk recht? Hierbij zou het op basis van een strikte interpretatie van de wettekst niet relevant zijn of het gaat om volle eigendom, vruchtgebruik dan wel blote eigendom van residentieel vastgoed.
  • Bouwgronden. Vooreerst worden bouwgronden ipso facto uitgesloten. Dit onafhankelijk van de vraag of deze worden aangewend voor de activiteit van de vennootschap. Dat werd eind februari 2026 uitdrukkelijk bevestigd in de FAQ van VLABEL.
  • Landbouwgronden. Landbouwgronden daarentegen worden niet geviseerd en kunnen wel nog steeds onder het gunstregime worden overgedragen.
  • Industriegronden. Hetzelfde geldt voor de industriegronden, maar niet wanneer er zich op dergelijke industriegrond residentieel vastgoed bevindt, zoals uitdrukkelijk in de FAQ van VLABEL wordt aangehaald.
  • Bebouwd onroerend goed. De regeling is complexer voor wat betreft bebouwde onroerende goederen met een gemengd gebruik. In de memorie van toelichting werd erop gewezen dat de bestemming van een onroerend goed (nog steeds) moet worden nagegaan op grond van de interpretatie die eraan werd gegeven in het kader van de bepalingen van artikel 2.8.6.0.5 VCF (voor de erfbelasting werd er nu ook een parallelle bepaling ingevoegd in artikel 2.7.4.2.6 VCF). Dit werd thans ook expliciet bevestigd in de FAQ van VLABEL.

Concreet komt dit erop neer dat de aanwending of de bestemming moet worden beoordeeld per kadastraal perceel of per gedeelte van een kadastraal perceel. De feitelijke aanwending van het residentieel vastgoed doet geen afbreuk aan de uitsluiting. Als bijvoorbeeld een appartement wordt aangewend voor een kantoor, dan zal dit kwalificeren als residentieel vastgoed. In de eerste plaats moet er dus rekening worden gehouden met de bestemming van het onroerend goed per kadastraal perceel en, desgevallend in de tweede plaats, met de specifieke feitenconstellatie per gedeelte van het perceel. Indien een deel van het kadastraal perceel een woning vormt en een ander deel van een perceel een bedrijfszone, dan zou er mogelijks een opsplitsing kunnen gemaakt worden maar met enkele belangrijke nuanceringen. Enerzijds moeten de gedeeltes afzonderlijk van elkaar kunnen opereren, anderzijds dient dit ook afdoende te worden gestaafd. Dit zal dus eerder de uitzondering zijn en het zal steeds een feitenkwestie betreffen. Hierbij zal ook steeds de vraag gelden vanaf wanneer een (gedeelte van een) perceel afdoende afzonderlijk kan opereren: bijvoorbeeld is het woongedeelte een afzonderlijke huisvesting die van de andere delen van het gebouw kan worden afgezonderd? Neem hierbij het voorbeeld van een gebouw waarin zich zowel een gezinswoning als een dokterspraktijk bevindt. Als er bijvoorbeeld geen aparte ingangen zijn, zal bezwaarlijk kunnen worden beargumenteerd dat er sprake is van een afzonderlijke werking. Als er geen afdoende afzonderlijke werking is, dan zal er een onderscheid moeten worden gemaakt naargelang de overheersende bestemming/aanwending van het gebouw (huisvesting versus bedrijfsgedeelte).

Hoe wordt dit beoordeeld in holdingstructuren?

In het geval van een holdingstructuur moet er niet enkel rekening gehouden worden met het residentieel vastgoed dat de holding zelf bezit, maar ook met het residentieel vastgoed dat toebehoort aan onderliggende vennootschappen waarin de familiale vennootschap voor minstens 10% participeert. Volgens de FAQ zal er gekeken worden naar het residentieel vastgoed dat wordt aangehouden door de dochter- dan wel kleindochtervennootschappen. Uit de praktijk blijkt dat er moet worden gekeken naar het residentieel vastgoed in de onderliggende vennootschappen waar de holding minstens 10% aanhoudt, hieruit blijkt dus dat niet alleen dochter- en kleindochtervennootschappen worden geviseerd, maar ook achterkleindochtervennootschappen (wanneer er een participatie is van minstens 10%).

De 10%‑drempel wordt berekend als een gewogen gemiddelde doorheen de participatieketen (dus op basis van de participatie die de holding heeft in de onderliggende vennootschap(pen)) en zo verder en moet aldus ruim worden toegepast doorheen de hele structuur.

Hierbij zal dan het residentieel vastgoed worden belast in de schenk- en erfbelasting in verhouding tot de participatie die de moedervennootschap heeft in de dochtervennootschap. In de hypothese dat de moedervennootschap met een waarde van 1.000.000 euro een participatie van 20% heeft in de dochtervennootschap, zal niet de totale bruto venale waarde van het residentieel vastgoed (zie hieronder) in de dochtervennootschap worden belast, maar zal dit slechts ten belope van 20% worden belast. Indien de marktwaarde van het residentieel vastgoed 500.000 euro bedraagt, dan zal er aldus een bedrag van 100.000 euro onderhevig zijn aan schenkbelasting (met name 20% van de waarde van het residentieel vastgoed).

Kunnen passiva in rekening worden gebracht?

Het komt aan de accountant of bedrijfsrevisor toe om te bepalen welk gedeelte van de verkoopwaarde van de aandelen wordt vertegenwoordigd door de venale waarde van de residentiële onroerende goederen.

Mag een openstaande lening die werd aangegaan voor het verwerven van het onroerend goed in rekening worden gebracht door de deskundige? Volgens de FAQ van VLABEL kan de deskundige bij de raming van de totale venale waarde van de aandelen rekening houden met financieringen en verplichtingen die de vennootschap is aangegaan. Echter, openstaande leningen mogen niet in rekening worden gebracht bij het bepalen van het gedeelte van de aandelenwaarde dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van residentieel vastgoed. Dit wordt uitdrukkelijk bevestigd in de FAQ van Vlabel.

Een voorbeeld maakt de impact hiervan duidelijk en toont aan dat de vereiste proratering in de waardering (afzetten van het gedeelte van de aandelenwaarde dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van het residentieel vastgoed) tot opmerkelijke resultaten kan leiden.

Voorbeeld 1

  • ​Waarde residentieel vastgoed: 1.000.000 euro
  • Totale waarde aandelen: 500.000 euro
  • Vrijgesteld gedeelte: 0 euro
  • Belastbaar gedeelte: 500.000 euro

Voorbeeld 2

  • ​Waarde residentieel vastgoed: 1.000.000 euro
  • Totale waarde aandelen: 900.000 euro
  • Vrijgesteld gedeelte: 0 euro
  • Belastbaar gedeelte: 900.000 euro

De decreetgever heeft in een uitzondering voorzien voor projectontwikkelaars en vastgoedspelers die via residentieel vastgoed een reële economische activiteit ontplooien. Cruciaal hierbij is dat de reële economische activiteit centraal moet staan en dat het niet mag gaan om een zuivere patrimoniumvennootschap.

Dergelijke vennootschappen kunnen alzo toch voor de volledige aandelenwaarde van het gunstregime genieten voor zover zij cumulatief voldoen aan de volgende voorwaarden:

  1. Minstens 75% van de omzet wordt gegenereerd door activiteiten met residentieel vastgoed (ontwikkeling, verhuur of verkoop, …). Doelt men op de omzet in zijn ‘normale’ betekenis van het woord: het totale bedrag aan inkomsten voor aftrek van kosten en belastingen? En welke periode is relevant? Een en ander zal uit de praktijk moeten blijken.
  2. Er is minstens één voltijdse werknemer in dienst. Deze toetsing zal gebeuren per entiteit (niet geconsolideerd), zoals thans uitdrukkelijk is opgenomen in de FAQ van VLABEL. Er mag worden aangenomen dat deze voorwaarde in de praktijk streng zal worden beoordeeld: de werknemer moet volgens de letter van de wet immers ononderbroken in dienst zijn. Indien men beroep doet op zelfstandigen via onderaanneming zal dit niet in rekening worden gebracht. Wel opmerkelijk: er is in de decreettekst niet voorzien dat de werknemer niet de schenker zelf, diens echtgeno(o)t(e) of de toekomstige begiftigde zou mogen zijn voor de toepassing van deze uitzondering.

Noteer dat er voor de tweede voorwaarde duidelijk werd voorzien dat deze vervuld moet worden tijdens de drie jaar vóór de overdracht, te behouden gedurende de drie jaren erna. Voor de eerste voorwaarde wordt dit niet expliciet voorzien. Hoe de referentieperiode bij de eerste voorwaarde zal worden beoordeeld in de praktijk zal afhankelijk zijn van de feitenconstellatie.

Over deze voorwaarden zal er allicht nog heel wat inkt vloeien. De praktijk zal moeten uitwijzen hoe de beoordeling wordt gemaakt en of de administratie zich soepel zal opstellen. Noteer alvast wel dat VLABEL op zijn hoede zal zijn voor de zuivere patrimoniumvennootschappen. Denk aan een vennootschap die louter het passief beheer van vastgoed tot voorwerp heeft en zich op kunstmatige wijze binnen het licht van de voormelde voorwaarden heeft geplaatst…

Impact op verhuring van bedrijfsmatig vastgoed

Intragroepsverhuring

Vennootschappen die onroerende goederen aanhouden en verhuren, zonder enige andere economische activiteit uit te oefenen (= de zuivere patrimoniumvennootschappen), kwalificeren in beginsel niet als een familiale vennootschap.

Het is evenwel anders wanneer er sprake is van de verhuring van bedrijfsgebouwen aan één of meerdere verbonden vennootschappen die deel uitmaken van dezelfde groep. Van oudsher werd deze intragroepsverhuring aanvaard als een activiteit en werd ook de verbondenheid soepel benaderd.

Er was wel een belangrijke nuancering. VLABEL beschouwde de intragroepsverhuring van bedrijfsgebouwen slechts als economische activiteit voor zover er geen enkel ander onroerend goed aanwezig was. Van zodra er een onroerend goed aanwezig was dat niet aan een verbonden vennootschap werd verhuurd (externe verhuur/ leegstand /privatief gebruik), kon het tegenbewijs niet worden geleverd en was het uitgesloten om te kwalificeren als familiale vennootschap.

Reeds voor de wijziging van het gunstregime was er een opvallende evolutie merkbaar in de rechtspraak. In een arrest van het hof van beroep te Gent van 19 november 2024 (rolnummer 2023/AR/712) werd VLABEL immers in het ongelijk gesteld. Het Gentse hof van beroep aanvaardde de toepassing van het gunstregime op basis van de verhuur van bedrijfsvastgoed. In casu werd een bedrijfspand verhuurd binnen de groep (de zogenaamde intragroepsverhuring) en werd daarnaast een ander bedrijfsmatig pand dat verhuurd aan derden.

Het hof van beroep oordeelde dat het verhuren van bedrijfsmatig vastgoed in dit geval wel degelijk een reële economische activiteit betrof. Het hof overwoog uitdrukkelijk dat een vastgoedactiviteit een reële economische activiteit uitmaakt, zoals vereist door de decreetgever, in de zin dat ze op duurzame wijze een maatschappelijke meerwaarde genereert en het louter passieve beheer van onroerend goed overstijgt. Wanneer het (bedrijfs)vastgoed voor langere duur/duurzaam wordt verhuurd voor doeleinden van de economische of commerciële activiteit van de huurder, lijkt het aannemelijk dat hieruit een maatschappelijke meerwaarde voortvloeit. Het hof van beroep stelde ook uitdrukkelijk dat zodra de intragroepsverhuring kwalificeert als economische activiteit het niet relevant is of er nog onroerende goederen buiten de groep worden verhuurd. Het hof oordeelde bovendien dat het niet correct was dat VLABEL de verhuur zonder meer uitsloot als handelsactiviteit en enkel ‘exclusieve’ intragroepsverhuur als handelsactiviteit aanvaardde.

Met de hervorming per 1 januari 2026 is er niets gewijzigd aan de decreettekst inzake de regeling over de intragroepsverhuur waardoor het bovenstaande allicht relevant blijft.

Externe bedrijfsmatige verhuur binnen familiale vennootschap

Indien een vennootschap een reële economische activiteit uitoefent en daarnaast een handelspand aan externen zal verhuren (en niet voor haar eigen activiteiten gebruikt of deze binnen de groep aanwendt), dan lijkt het zo dat vennootschap voor de totaliteit van de aandelenwaarde in aanmerking voor een overdracht onder het familiaal gunstregime. Dit gelet op het feit dat men enkel het residentieel vastgoed eruit filtert. Dit is opvallend, temeer gezien hierdoor onder de oude regeling de boekhoudkundige parameters mogelijk overschreden waren, waardoor er een vermoeden van afwezigheid van reële economische activiteit zou zijn geweest (waartegen dan uiteraard wel het tegenbewijs kon worden geleverd).

Externe bedrijfsmatige verhuur als activiteit?

Indien een vennootschap louter en alleen bedrijfsmatig vastgoed zal verhuren (zonder de uitoefening van andere activiteiten), rijst de vraag of deze verhuring zal kwalificeren als een activiteit. We mogen aannemen dat de voormelde evolutie in de rechtspraak en de daarbij horende criteria nog steeds relevant zijn voor de praktijk en kunnen worden doorgetrokken onder de nieuwe wetgeving. Dit blijkt sinds kort ook uitdrukkelijk uit de aanvulling van de FAQ van VLABEL. Men duidt aan dat een positief bewijs van economische activiteit kan worden geleverd met alle middelen van recht, intragroep of extern. Men voegt er zelfs aan toe dat de voorlegging van een huurovereenkomst niet noodzakelijk is (maar o.i. is en blijft dit wel ten zeerste aanbevolen). Evenwel zal dit moeten blijken uit de praktijk en uit de specifieke feitenconstellaties.

Wijziging vormvoorwaarden: waarderingsverslag accountant/revisor vereist

Steeds waarderingsverslag vereist indien gunsttarief wenselijk

Bij elke aanvraag zal er verplicht een waarderingsverslag moeten worden opgemaakt, ook al is er geen residentieel vastgoed aanwezig. Onder de oude wetgeving was dit geen wettelijke vereiste.

Dit waarderingsverslag moet worden opgemaakt door een bedrijfsrevisor (die niet de commissaris is) of een gecertificeerde accountant die de belastbare grondslag zal bepalen. VLABEL heeft reeds verduidelijkt in zijn FAQ dat het mag gaan om de gebruikelijke accountant

Een dergelijk verslag moet vaststellen hoe het residentieel vastgoed zich verhoudt tot de totale waarde van de aandelen van de vennootschap. Hiertoe zal de deskundige eerst de verkoopwaarde van de aandelen van de vennootschap moeten vaststellen en vervolgens de verkoopwaarde van het eventuele residentiële vastgoed. Het zal aldus in vele gevallen aangewezen zijn om een beroep te doen op een deskundige schatter voor de waardering van het vastgoed maar het is niet verplicht, zolang de venale waarde een correcte inschatting is. Tot slot zal de deskundige de verhouding van het vastgoed tegenover de totale aandelenwaarde van de vennootschap moeten bepalen.

Het vastgoed aandeel zal afzonderlijk belast worden aan de standaardtarieven van de erf- of schenkbelasting zoals voorzien in artikel 2.7.4.1.1 en artikel 2.8.4.1.1, § 2 VCF.

Gewijzigde procedure van het voorafgaand attest

De decreetgever hervormde ook de procedure van het voorafgaand attest bij de Vlaamse Belastingdienst en breidde het uit naar de erfbelasting.

In het kader van de schenkbelasting kan voortaan via een voorafgaand attest niet alleen bevestiging worden verkregen van het voldoen aan de voorwaarden, zoals hiervoor besproken, maar ook omtrent de belastbare grondslag en waardering van de aandelen zoals opgenomen in het verslag van een deskundige). Let wel, het verslag heeft wat betreft de waardering geen bindende kracht ten aanzien van de belastingdienst maar zal als uitgangspunt worden genomen voor de begroting van de belastbare grondslag. VLABEL kan zich niet uitspreken over de al dan niet correctheid van de waardering maar zal zich beperken tot het afwijzen van kennelijk onredelijke beoordelingen zoals uitdrukkelijk is opgenomen in de FAQ.

Bij de nieuwe vereiste omtrent het waarderingsverslag gelden er strikte, nieuwe termijnen. Een bevestiging van de waardering is enkel mogelijk wanneer de aanvraag wordt ingediend binnen dertig dagen na de referentiedatum van het waarderingsverslag. De termijn waarbinnen het attest wordt afgeleverd wordt ingekort van negentig naar zestig dagen. Tijdens de daaropvolgende zestig dagen is het attest bindend voor de administratie (op basis van het rechtszekerheidsbeginsel), tenzij er zich een wijziging in de feitelijke omstandigheden zou voordoen.

Een andere nieuwigheid is dat er thans ook in de erfbelasting een voorafgaand attest kan worden aangevraagd. In dat geval beperkt het attest zich tot de bevestiging van de waardering van de aandelen overeenkomstig het verslag van de deskundige en de opsplitsing tussen het residentieel vastgoed en de waarde van de aandelen. Het gaat in dat geval dus niet over de toepassingsvoorwaarden als familiale vennootschap op zich, wat ook logisch is, gezien het al dan niet voldaan zijn aan de voorwaarden reeds vaststond op het ogenblik van overlijden.

Gelet op de beperkte aangiftetermijn voor de aangifte van nalatenschap (in beginsel vier maanden bij een overlijden in België) en de termijn van zestig dagen waarover de Vlaamse Belastingdienst beschikt om het attest af te leveren, lijkt het weinig evident om reeds vóór de indiening van de aangifte van nalatenschap over een bindend attest te beschikken. Hierdoor moet de meerwaarde van deze nieuwe mogelijkheid voor de praktijk erg gerelativeerd worden.

Wijziging voorwaarde(n) tot behoud

Om de vrijstelling in de schenkbelasting of het vlak tarief in de erfbelasting te kunnen behouden moet er gedurende een periode van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de authentieke schenkingsakte of het overlijden, voldaan (blijven) zijn aan de voorwaarden. Dit zijn de continuïteitsvoorwaarden.

Sommige hiervan zijn ongewijzigd zoals het behoud van de lokalisatievoorwaarden, en andere zijn verfijnd onder de nieuwe wetgeving, met name:

Behoud van kapitaal / eigen vermogen

Zo mag het kapitaal of de inbreng op geen enkel moment dalen door verrichte kapitaalverminderingen of uitkeringen. De voorwaarde dat deze “op geen enkel moment” mogen dalen, werd uitdrukkelijk opgenomen om kunstmatige constructies te vermijden.

Om de regelgeving in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van ons Hof van Cassatie werd er met de hervorming wettelijk verankerd dat in geval van een kapitaalvermindering of terugbetaling, de normale schenk- of erfbelasting verschuldigd is op het nominale bedrag waarmee het kapitaal of de verrichte inbrengen werd verminderd, in verhouding tot de geschonken of vererfde aandelen ten opzichte van het totaal aantal aandelen. Dit naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het arrest van 13 december 2024 (rolnummer C.23.0443.N). Voor een uitgebreidere analyse van de eerdere probleemstelling en het soelaas dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie bracht, verwijzen we graag naar het op 24 maart 2025 door VGD op Jubel gepubliceerde artikel.

Impact latere reorganisaties (splitsing/fusie)

Eventuele latere reorganisaties (splitsing/fusie) binnen de drie jaren na de schenking of het overlijden blijven ook onder de nieuwe wetgeving relevant. In geval van een splitsing of een fusie binnen de driejarige termijn zal men de voorwaarden aftoetsen aan de hand van de afzonderlijke gepubliceerde jaarrekeningen van de betrokken vennootschappen bij de reorganisatie. Voor een splitsing betekent dit aldus dat aan alle voorwaarden moet voldaan zijn door de twee vennootschappen die uit de splitsing zijn ontstaan.

Wat de uitzondering bij projectonwikkelingsvennootschappen betreft, zijn er alvast enkele nuanceringen/aandachtspunten:

  • De personeelsvereiste is van toepassing per entiteit die betrokken is bij de reorganisatie.
  • Opvallend is dat er geen bijkomend controlepunt in de wetgeving werd ingeschreven voor eventuele aankopen van residentieel vastgoed door de familiale vennootschap in de drie jaren na de overdracht. De beoordeling van de verhouding residentieel vastgoed tegenover aandelenwaarde vindt volgens een letterlijke lezing van de wet dus louter plaats op het ogenblik van de overdracht.

Besluit: heel wat veranderingen voor gunstregime familiale vennootschappen

De hervorming van het gunstregime brengt heel wat veranderingen met zich mee. De praktijk zal moeten uitwijzen hoe bepaalde openstaande vragen zullen worden geïnterpreteerd en beoordeeld. Niet in het minst brengt de aangepaste beoordeling van de activiteitsvoorwaarde en de filtering van het residentieel vastgoed vragen met zich mee en daarnaast doen de strikte termijnen binnen de procedure voor het bekomen van een voorafgaand attest vragen rijzen naar de vlotte werkbaarheid ervan in de praktijk.

Daphné De Groote en Tess Speltens – VGD

Recente Jobs

Accounting officer
Accountancy
5 - 10 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Accountant
Accountancy
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Belastingadviseur
Accountancy Fiscaal recht
0 - 3 jaar
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Notarieel jurist
Notariaat
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant
Advocaat
Familierecht Privaatrecht verkeersrecht
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *