Veel ondernemingen nemen standaard een arbitrageclausule op in hun algemene voorwaarden. Sinds de invoering van de B2B-wetgeving (Boek VI WER) is voorzichtigheid echter geboden. Hoe voorkomt u dat uw geschillenregeling als onrechtmatig wordt bestempeld?
Gerechtelijke procedures in België staan erom bekend tijdrovend en kostelijk te zijn. Wie de stap naar de rechtbank zet, vreest in de praktijk al snel “voor jaren vertrokken” te zijn. Dat beeld wordt helaas maar al te vaak bevestigd; zo tonen de jaarlijkse klachtenverslagen van de Hoge Raad voor de Justitie steevast de aanhoudende frustraties van rechtszoekenden over de gerechtelijke achterstand en de traagheid van justitie. Om deze onvoorspelbaarheid en torenhoge procedurekosten te vermijden, kiezen ondernemingen in hun handelsrelaties steeds vaker voor Alternatieve Geschillenbeslechting (ADR). Door middel van arbitrage en dadingen proberen zij commerciële conflicten sneller, discreter en efficiënter van de baan te krijgen.
Toch blijkt de vlucht naar deze ogenschijnlijke veilige haven niet zonder juridische risico’s. Er is namelijk een scherp spanningsveld ontstaan met de recente beschermingsmechanismen in het Belgische contractenrecht. Zowel de dwingende B2B-wetgeving als de bepalingen uit het nieuwe verbintenissenrecht (boek 5 van het Burgerlijk Wetboek) stellen harde grenzen aan de contractvrijheid. Uit academisch onderzoek en rechtspraak blijkt duidelijk dat een arbitragebeding niet overdreven bezwarend mag zijn voor een van de partijen. Wanneer de kosten voor arbitrage bijvoorbeeld onredelijk hoog oplopen of de toegang tot de rechter de facto wordt belemmerd, botst de efficiëntie van de clausule op het verbod van onrechtmatige bedingen. De vraag dringt zich dan ook op: wanneer is een arbitrageclausule in een B2B-context een slimme zakelijke zet en wanneer overschrijdt ze de dunne lijn naar een onrechtmatig beding?
Arbitrage versus dading: wilsautonomie
Hoewel zowel de dading als de arbitrage vertrekken vanuit het principe van wilsautonomie, is er een fundamenteel verschil in de timing. De wilsautonomie wordt op een compleet ander moment in de zakenrelatie uitgeoefend, wat bepalend is voor het juridische risico.
De arbitrageclausule (art. 1676 ev. Ger.W.) wordt immers al beoogd en vastgelegd bij het ondertekenen van het initiële contract, lang voordat er sprake is van een conflict. Het is een beding dat partijen, vaak via de algemene voorwaarden of een standaardbepaling achteraan de overeenkomst, op voorhand onderschrijven. Men kiest er preventief voor om de overheidsrechter uit te sluiten en het toekomstige oordeel uit te besteden aan een private arbiter, aan wiens bindende beslissing men zich onderwerpt (al blijft de arbiter voor de gedwongen tenuitvoerlegging wel afhankelijk van de overheidsrechter).
Een dading (art. 2044 Oud BW, toekomstig Boek 7 BW) wordt daarentegen pas ondertekend nádat het geschil is ontstaan. Omdat het conflict al een feit is, weten beide partijen exact waarover ze onderhandelen en wat de inzet is. Zij houden zelf de pen vast en sluiten, door middel van wederzijdse toegevingen, een akkoord om het geschil definitief te beëindigen. De wilsautonomie wordt hier ten volle benut om de oplossing zelf vorm te geven, zonder de controle uit handen te geven aan een derde partij.
Precies in dit tijdsverschil schuilt het knelpunt met het moderne contractenrecht. Waar een dading een bewuste, geïnformeerde afweging is ná de feiten, is een arbitragebeding een vooraf opgelegde spelregel. Wanneer die voorafgaande spelregel de toegang tot het recht bemoeilijkt of eenzijdig in het voordeel van de sterkste partij is geschreven, botst de wilsautonomie frontaal met de beschermende regels van de B2B-wetgeving.
De impact van de B2B-wetgeving op de arbitrageclausule
In artikel VI.91/4 WER heeft de wet van 4 april 2019 een “zwarte lijst” ingevoerd van vier categorieën van bedingen die in ondernemingscontracten steeds als onrechtmatig worden beschouwd. Daaronder vallen onder meer de bedingen die “de andere partij doen afzien van elk middel van verhaal tegen de onderneming”. Volgens parlementaire voorbereidingen moeten deze verboden restrictief worden geïnterpreteerd.
Art. VI.91/4, 3° WER verbiedt bedingen die, in geval van betwisting, ertoe strekken de andere partij te doen afzien van elk middel van verhaal tegen de onderneming. In de B2B-context wordt onder “middel van verhaal” de toegang tot de rechter begrepen. Dit verbod sluit aan bij het algemeen beginsel dat partijen zich niet door middel van eigenrichting aan de rechtsmacht van de rechter kunnen onttrekken. Dergelijke clausules worden ook op grond van het gemeen recht in principe als nietig beschouwd, aangezien het fundamenteel recht op toegang tot de rechter de openbare orde raakt.
Een arbitragebeding verschilt wezenlijk van een afstand van rechtsmiddel. Het sluit immers niet elk middel van verhaal uit, maar vervangt de overheidsrechter door een alternatieve vorm van geschillenbeslechting. Zowel uit de parlementaire voorbereidingen als uit vaste rechtspraak blijkt dat een arbitragebeding het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6, eerste lid EVRM, in beginsel niet schendt. Een arbitrageclausule in een overeenkomst is principieel neutraal op het ogenblik van contractsluiting: beide partijen zullen zich voor de beslechting van een geschil dat zou rijzen in de loop van hun contract moeten wenden tot de arbiter(s) in plaats van de rechtbank. Op het ogenblik van contractsluiting weten de partijen niet of er een geschil zal rijzen en wie de meest gerede partij zal zijn om een geschil voor de arbiter(s) te brengen.
In de rechtsleer wordt er in zeer uitzonderlijke omstandigheden erkend dat arbitragebedingen zouden kunnen vallen onder het algemene verbod op kennelijk onevenwichtige bedingen, bijvoorbeeld wanneer er in het beding bepaald wordt dat één partij alle kosten zou dienen te dragen van de arbitrage. Een ander extreem voorbeeld zou kunnen zijn: de aanduiding van een arbitrale instelling in een verafgelegen land. Ter vergelijking kan worden gewezen op de B2C-context, waarin algemeen aangenomen wordt dat arbitragebedingen niet automatisch onder het verbod vallen van bedingen die de consument doen afzien van elk middel van verhaal.
Recente tendensen/rechtspraak
Er is een algemene tendens dat de geldigheid van arbitragebedingen zo veel mogelijk wordt aanvaard. Rechtsleer en rechtspraak aanvaarden in het algemeen dat tussen ondernemingen een arbitrageclausule in de algemene voorwaarden wordt opgenomen.
Hoewel het principe overeind blijft, opent de rechtsleer de deur voor vernietiging op basis van specifieke modaliteiten of uitzonderlijke omstandigheden. Als de kosten van de arbitrageprocedure (bijvoorbeeld voor een financieel zwakkere onderneming) de toegang tot het recht de facto onmogelijk maken, kan een beding als “kennelijk onevenwichtig” worden beschouwd en is de nietigheid van het arbitraal beding niet uitgesloten. Het Hof van Cassatie lijkt hiervoor in een arrest van 7 november 2019 de deur open te hebben gezet.
Conclusie
Arbitrage blijft een sterk instrument om de jarenlange wachtlijsten bij de rechtbank te vermijden, maar de tijd van de ‘blindelings gekopieerde’ clausule is definitief voorbij. Sinds de B2B-wetgeving is een arbitragebeding niet langer inherent veilig; de geldigheid blijft afhankelijk van de concrete modaliteiten. Wie de toegang tot het recht onmogelijk maakt door hoge kosten of onlogische locaties, riskeert dat de arbitrageregeling als onrechtmatig en nietig wordt gekwalificeerd. Een arbitrageregeling is een goedwerkende machine, maar alleen als de spelregels voor beide partijen eerlijk blijven.
Julie DeKeyser en Emine Habil – Brussels Law School Consultancy




0 reacties