Een hoofdstukkenbespreking over individuele mobiliteit in het Liber Amicorum Bruno Peeters. De manier waarop we ons verplaatsen, werken en met elkaar verbonden zijn verandert sneller dan ooit. Globalisering, digitalisering en maatschappelijke vergrijzing hebben het belastingrecht in een nieuw tijdperk gebracht. Waar belastbare aanwezigheid vroeger verbonden was met een bepaalde fysieke aanwezigheid, vervagen vandaag de grenzen tussen de staat van oorsprong, de woonstaat en de werkstaat.[1] Denk bijvoorbeeld aan telewerk, waarbij een internetverbinding en een laptop, tablet of smartphone volstaan om werkzaamheden vanuit om het even welke locatie te verrichten. Digitale communicatiekanalen en sociale media hebben ook het sociale functioneren veranderd. Zij maken het mogelijk om sociale en professionele relaties over grenzen heen te onderhouden, waardoor individuen minder afhankelijk zijn van geografische nabijheid. Denk maar aan de digitale nomade[2], een pensionado[3] of het fenomeen van brain drain.[4] Ter gelegenheid van het emeritaat van prof. dr. Bruno Peeters werden in zijn liber amicorum bijdragen opgenomen die handelen over het belastingrecht in een mobiele samenleving. Op die manier brengt het werk hulde aan emeritus prof. dr. Bruno Peeters, maar overstijgt het die lofbetuiging door te tonen hoe het fiscaal recht zich beweegt in een mobiele samenleving.
In het liber amicorum komen meer dan zestig bijdragen aan bod, maar vijf daarvan springen bijzonder in het oog met betrekking tot de thematiek ‘mobiliteit’. Wouter Verheyen en Alessia Tomo onderzoeken hoe fiscaal beleid kan bijdragen aan een inclusieve samenleving, met bijzondere aandacht voor de homo mobilis.[5] Luc De Broe en Dieter Bettens richten hun blik op de problematiek van thuiswerken en de vraag of een thuiswerkplek vandaag de klassieke ‘vaste inrichting’ kan worden.[6] Stefaan Van Crombrugge herleest het internationale verdragsrecht en stelt dat het zogenaamde ‘restartikel’ in feite de hoofdingang vormt van dubbelbelastingverdragen.[7] Caroline Vanderkerken verlegt de aandacht naar het strafrechtelijke gedeelte en toont hoe Zwitserland zijn houding tegenover zware fiscale fraude heeft gewijzigd.[8] Tot slot bespreekt Bernard Peeters de loyale uitvoering van verdragen, met specifieke aandacht voor de rol van woonplaatsverklaringen en de samenwerkings(ver)plicht(ing) tussen staten.[9] Samen schetsen deze vijf hoofdstukken een beeld van een belastingrecht in een mobiele(re) samenleving. De bijdragen plaatsen vragen over de rol van fiscaal beleid in een geglobaliseerde wereld. Moet fiscaliteit zich louter beperken tot het heffen van inkomsten of heeft ze toch ook een sociale en morele opdracht te vervullen? Hoe passen klassieke begrippen als ‘bronstaat’ en ‘woonstaat’ nog binnen een context van digitale arbeid, grensoverschrijdende mobiliteit en grensoverschrijdende fraude?
De bespreking die volgt brengt deze thema’s samen. Niet per se door elk hoofdstuk afzonderlijk te bespreken, maar door de drie rode draden zichtbaar te maken: (1) intranationale mobiliteit als maatschappelijke en fiscale uitdaging; (2) globalisatie als breekpunt voor klassieke fiscale uitgangspunten; en (3) loyaliteit als noodzakelijke basis voor internationale samenwerking. De voetnoten worden gebruikt om verdere verduidelijkingen, nuances of updates weer te geven en om relevante kruisverbanden te leggen.
Intranationale mobiliteit als maatschappelijke en fiscale uitdaging
Waar mobiliteit vroeger werd beschouwd als een keuze, wordt ze vandaag vaker gezien als een voorwaarde voor deelname aan het maatschappelijk leven. Zonder mobiliteit is er geen toegang tot werk, zorg of cultuur en daarmee ook geen maatschappelijke inclusie. In hun bijdrage plaatsen Wouter Verheyen en Alessia Tomo de figuur van de homo mobilis centraal. Hun analyse richt zich niet op grensoverschrijdende verplaatsingen, maar op de uitdagingen van dagelijkse en intranationale mobiliteit. De auteurs maken een duidelijk onderscheid tussen het ‘recht op reizen’ en het ‘recht op dagelijkse mobiliteit’. Het eerste, reizen met vliegtuigen, bussen of treinen, wordt binnen de Europese Unie volgens hen uitvoerig beschermd door regelgeving over non-discriminatie en passagiersrechten voor personen met beperkte mobiliteit. Het tweede, het recht om zich binnen de eigen leefomgeving te verplaatsen[10], kent daarentegen nauwelijks juridische bescherming. Juist die dagelijkse mobiliteit blijkt van belang voor toegang tot de gezondheidszorg, goederen, sociale contacten en vrijetijdsbesteding.[11]
De auteurs tonen aan hoe ouderen, voor wie mobiliteit nauw samenhangt met zelfstandigheid en welzijn, worden getroffen door een gebrek aan toegankelijke vervoersalternatieven. Het verlies van rijvaardigheid, vaak enkele jaren voor het levenseinde, maakt velen afhankelijk in een maatschappij die sterk op individuele verplaatsingsmogelijkheden steunt.[12] De situatie is prangend in landelijke en voorstedelijke gebieden, waar openbaar vervoer schaars is en de zogenoemde first mile (de afstand tussen de woning en het dichtstbijzijnde vervoersknooppunt) een drempel vormt.[13] Uit een analyse van Vlaamse mobiliteitsplannen blijkt bovendien dat toegankelijkheid nauwelijks wordt meegenomen in het beleid.[14]
Tegen die achtergrond onderzoeken de auteurs op welke manier fiscaal beleid kan bijdragen aan leeftijdsinclusieve mobiliteit. Fiscaliteit wordt daarbij niet opgevat als een louter mechanisme voor inkomstenverwerving, maar als een beleidsinstrument dat maatschappelijke doelstellingen kan ondersteunen.[15] Fiscale prikkels zoals verlaagde btw-tarieven[16] voor mobiliteitsaanbieders die investeren in toegankelijke diensten kunnen dienen als een beloning voor sociale verantwoordelijkheid.[17] Dat sluit aan bij de idee van pigouviaanse fiscaliteit[18], waarbij belastingen en vrijstellingen worden ingezet om maatschappelijk wenselijk gedrag te stimuleren of schadelijke effecten te compenseren.[19] De auteurs plaatsen dit debat dan ook in een normatief kader. Als mobiliteit wordt erkend als een ‘fundamenteel recht’, dan zou de overheid verplicht worden om publieke middelen aan te wenden om dat recht te waarborgen.[20]
De bijdrage ‘De Homo Mobilis: Tax Policy for Active Ageing?’ maakt duidelijk dat niet alle mobiliteit grenzen moet overschrijden. Ze herinnert eraan dat ook dagelijkse en/of binnenlandse verplaatsingen belangrijke maatschappelijke en fiscale gevolgen hebben en toont hoe fiscaliteit kan bijdragen aan (maatschappelijke) inclusie.
Globalisatie als breekpunt voor klassieke fiscale uitgangspunten
Aanknopingspunten voor het bepalen van heffingsbevoegdheden verliezen aan gewicht nu vennootschappen en werknemers steeds vaker digitaal en grensoverschrijdend actief zijn. Vanuit de realiteit vertrekken Luc De Broe en Dieter Bettens, die onderzoeken of thuiswerk aanleiding kan geven tot de kwalificatie van een vaste inrichting (VI) voor de werkgever in de zin van artikel 5 van het OESO-modelverdrag.[21] Het antwoord op die vraag raakt aan het internationale belastingrecht, want in welke mate moet een economische realiteit nog worden ondersteund door een bepaalde fysieke aanwezigheid om fiscale aanknopingspunten te creëren?
De auteurs plaatsen hun analyse in een kader van fiscale terughoudendheid.[22],[23] Waar de OESO in 2025 het Commentaar bij artikel 5 zou herzien, waarschuwen zij voor de gevaren van een te ruime interpretatie van het begrip ‘vaste inrichting’.[24] Een thuiswerkplek behoort in beginsel niet tot de bedrijfsinfrastructuur van de werkgever.[25] Een loutere toelating om thuis te werken of zelfs een contractuele verplichting zonder ‘onbetwist beschikkingsrecht’ volstaat niet.[26] Het belang van het concept ‘vaste inrichting’ ligt in de economische aanwezigheid van een vennootschap in de bronstaat,[27] niet in de toevallige locatie van haar werknemers[28]. Die boodschap is niet enkel juridisch-technisch, maar ook beleidsmatig relevant. Een te ruime interpretatie van de ‘thuiswerk-vaste inrichting’ zou aanleiding kunnen geven tot een wildgroei van zogenaamde microvaste inrichtingen, met een aanzienlijke administratieve en fiscale last voor zowel vennootschappen als belastingadministraties.[29],[30] De noodzaak om tijdsbestedingen te registreren, loondoorbelastingen te berekenen en transfer pricing-analyses uit te voeren, zou de nalevingskosten alleen maar doen stijgen zonder dat daar een proportionele belastingopbrengst tegenover staat.[31] In die zin illustreert hun bijdrage hoe digitalisering het internationale belastingrecht dwingt tot introspectie. De vraag is niet langer enkel wie mag belasten, maar ook wat nog telt als effectieve ‘belastbare aanwezigheid’. Hun pleidooi voor terughoudendheid impliceert dan ook meteen een pleidooi voor standvastigheid.
De in november 2025 gepubliceerde wijzigingen aan het OESO-modelverdrag[32] bieden intussen een kader om de analyse van Luc De Broe en Dieter Bettens aan af te toetsen. De OESO stelt om te beginnen dat een woning of ander privéadres van een werknemer niet zonder meer een bedrijfsruimte vormt.[33] Er wordt gebroken met de vroegere, moeilijk hanteerbare benadering waarbij werd gekeken naar het ‘ter beschikking staan’ van een ruimte.[34] Met betrekking tot dit punt hadden De Broe en Bettens in hun bijdrage al benadrukt dat de persoonlijke keuze van een werknemer om thuis te werken geen rol mag spelen in de fiscale kwalificatie. Volgens hen kan immers moeilijk worden volgehouden dat de vennootschap over een effectieve beschikkingsmacht beschikt wanneer de werknemer de volledige controle over de ruimte behoudt en er louter uit eigen wil verblijft.[35]
In de plaats daarvan introduceert de OESO een meer voorspelbare toets. Een eerste element is de nieuwe 50 %-regel. Wie tijdens een periode van twaalf maanden minder dan de helft van zijn arbeidstijd thuis werkt, doet geen vaste inrichting ontstaan.[36] De Broe en Bettens hadden die drempel al verdedigd[37] als een kwantificering van de duurzaamheidsvereiste.[38] De OESO maakt van dat voorstel nu een internationale standaard. De klassieke bezorgdheid over sporadisch of toevallig thuiswerk wordt hiermee weggenomen aangezien zulke activiteiten ook volgens de OESO onvoldoende substantieel zijn om een fiscale aanwezigheid te creëren.
Wanneer wel meer dan de helft van de arbeidstijd vanuit de thuiswerkplek wordt gepresteerd, verschuift de beoordeling naar de vraag of er een rechtvaardiging bestaat om activiteiten in die staat te laten plaatsvinden. De OESO verduidelijkt dat een vaste inrichting enkel kan ontstaan wanneer de fysieke aanwezigheid van de werknemer de bedrijfsactiviteiten daadwerkelijk ondersteunt.[39] Dat is het geval bij contact met klanten of leveranciers in de betrokken staat[40], bij nood aan realtime interactie in verschillende tijdszones[41] of wanneer de onderneming anders zelf kantoorruimte zou moeten huren.[42] Redenen die voornamelijk bij de werknemer liggen, zoals persoonlijke voorkeur of praktische flexibiliteit, spelen geen rol.[43] Opnieuw sluit dat nauw aan bij de analyse van De Broe en Bettens, die het benefit-principe aanhalen in hun bijdrage. Niet de locatie van de werknemer, maar de economische meerwaarde voor de onderneming staat voorop.[44]
Voor zelfstandigen voorziet de OESO in een eigen benadering. Wanneer de ondernemer zelf de kern van de activiteit vormt en het merendeel van het werk in een thuiskantoor verricht, kan die ruimte wel een vaste inrichting zijn.[45] Dat nuanceert de algemene terughoudendheid, maar past perfect binnen het onderscheid dat De Broe en Bettens al maakten: bij zelfstandigen valt de onderneming vaak samen met de fysieke werkplek, zodat belastbare aanwezigheid sneller aannemelijk is.[46]
De OESO-wijziging volgt in grote lijnen de benadering die al tot uiting kwam in het Belgisch-Nederlandse dubbelbelastingverdrag[47] en die eveneens door De Broe en Bettens wordt verdedigd.[48] Verder sluit het streven naar ‘terughoudendheid’ en ‘realisme’ van De Broe en Bettens nauw aan bij de analyse van Stefaan Van Crombrugge in zijn bijdrage over het restartikel van dubbelbelastingverdragen. Zijn centrale stelling luidt dat het restartikel (art. 21 OESO-modelverdrag), dat de exclusieve heffingsbevoegdheid toekent aan de woonstaat voor alle inkomsten die niet in andere verdragsbepalingen zijn geregeld, de absolute hoofdingang vormt van dubbelbelastingverdragen.[49],[50] Volgens Van Crombrugge is het internationaal fiscaal recht een “vat vol tegenstrijdigheden”, waarin zelfs de basisbegrippen onzeker zijn.[51] Dubbele belasting is volgens hem een onvermijdelijk gevolg van de uitoefening van fiscale soevereiniteit. Staten baseren hun bevoegdheid op twee beginselen. Enerzijds het domiciliebeginsel[52], waarbij de woonstaat het wereldinkomen van zijn inwoners mag belasten en anderzijds het bronbeginsel, dat de bronstaat toelaat niet-inwoners te belasten op inkomsten die binnen zijn grondgebied zijn behaald.[53] Dubbelbelastingverdragen creëren daarbij geen nieuwe bevoegdheden, maar beperken die van staten om dubbele belasting te voorkomen.[54]
Artikel 6 tot 21 van het OESO-modelverdrag verdelen de heffingsbevoegdheid tussen woon- en bronstaat. Daarbij wordt vaak gebruikgemaakt van twee formules.[55] De eerste, ‘shall be taxable only’[56], kent exclusieve heffingsbevoegdheid toe aan één staat, doorgaans de woonstaat. De tweede, ‘may be taxed’, laat ook belastingheffing door de bronstaat toe, waarna de woonstaat dubbele belasting moet voorkomen via vrijstelling of verrekening.[57] Tegen die achtergrond krijgt het restartikel een bijzondere plaats. Het bepaalt namelijk dat alle inkomsten die niet expliciet in andere bepalingen zijn geregeld, uitsluitend in de woonstaat belastbaar zijn.[58] Dat principe bevestigt volgens Van Crombrugge dat de woonstaat de uitgangsbasis vormt van het internationale belastingrecht.[59] De specifieke bepalingen die de bronstaat heffingsbevoegdheden geven, zijn uitzonderingen op dat algemene uitgangspunt.[60] Hoewel artikel 21 aan het einde van het verdrag staat, is het dus geen restbepaling, maar een artikel waarop het hele systeem rust.
In een tijd waarin de grenzen van fysieke aanwezigheid vervagen en economische activiteiten zich steeds moeilijker aan één grondgebied laten koppelen, krijgt deze analyse opnieuw actualiteitswaarde. Van Crombrugge ziet geen nood aan een fundamentele hertekening van het belastingsysteem, maar aan een herwaardering van de logica waarop het is gebouwd.[61] Waar De Broe en Bettens waarschuwen voor een te ruime interpretatie van het vaste-inrichtingsbegrip en daarbij een zekere terughoudendheid naar voren schuiven, benadrukt Van Crombrugge dat stabiliteit vooral ontstaat door het woonstaatprimaat in het restartikel toe te passen en te vertrekken van principes in plaats van steeds nieuwe regeltjes.[62] Nieuwe tendensen mogen het internationale belastingrecht uitdagen, maar zij benadrukken vooral de nood aan een evenwicht tussen vernieuwing en continuïteit. Hun analyses maken duidelijk dat deze ontwikkelingen geen breekpunt vormen en dus geen nieuw belastingstelsel vereisen, maar wel een (her)waardering van de bestaande grondslagen noodzakelijk maken.
Loyaliteit als noodzakelijke basis voor internationale samenwerking
Internationale belastingheffing steunt op een evenwicht tussen nationale soevereiniteit enerzijds en internationale samenwerking anderzijds. Staten behouden hun recht om autonoom te heffen maar moeten dat doen binnen een kader van verdragen, wederzijdse erkenning en vertrouwen. Die loyaliteit tussen staten en fiscale administraties vormt de grondslag van een stabiel internationaal belastingsysteem. Twee bijdragen in het liber amicorum, van Caroline Vanderkerken en Bernard Peeters, tonen elk op hun manier hoe belangrijk dat vertrouwen is voor de geloofwaardigheid van het fiscaal recht in een geglobaliseerde context.
De bijdrage van Caroline Vanderkerken maakt dat tastbaar aan de hand van de internationale vervolging van cum-ex-fraude, een vorm van georganiseerde belastingfraude waarbij via ketens meervoudige terugbetalingen van ingehouden bronbelasting werden aangevraagd; het veroorzaakte miljardenverliezen voor Europese schatkisten.[63] De auteur bespreekt de recente rechtspraak van het Zwitserse Bundesstrafgericht dat een verdachte aan Duitsland uitleverde[64], ondanks de stelling dat er sprake is van een Zwitserse traditie van fiscale discretie.[65],[66] Het Zwitserse Bundesstrafgericht kwalificeerde de gedraging inzake cum-ex niet als ‘eenvoudige fiscale fraude’ of ‘gewone’ fiscale fraude, maar als een gemeenrechtelijk misdrijf van bedrog of oplichting.[67] Dit onderscheid was cruciaal, omdat Zwitserland in principe geen strafrechtshulp verleent voor fiscale fraude[68], waardoor de kwalificatie als gemeenrechtelijk misdrijf de voorwaarde van dubbele strafbaarstelling vervulde en de uitlevering werd toegestaan.[69] Daarmee erkent Zwitserland impliciet dat dergelijke georganiseerde fiscale fraude niet meer als een zuiver interne aangelegenheid kan worden beschouwd en dat het land niet langer als een vanzelfsprekend toevluchtsoord voor dergelijke praktijken kan gelden.[70] Deze beslissing markeert een breuk met het verleden. Daar waar fiscale samenwerking vroeger vooral wenselijk werd geacht, is ze vandaag een noodzakelijke pijler van internationale rechtsorde en wederzijdse verantwoordelijkheid.
De bijdrage van Bernard Peeters sluit hier naadloos op aan door te tonen dat diezelfde loyaliteit niet enkel vereist is bij de vervolging van fraude, maar ook bij de dagelijkse uitvoering van verdragsverplichtingen. In zijn analyse van de loyale uitvoering van dubbelbelastingverdragen en in het bijzonder bij woonplaatsconflicten, benadrukt hij in zijn naar voren geschoven stelling de bindende kracht van woonplaatsverklaringen[71] die door de bevoegde autoriteit van een verdragsstaat zijn afgegeven.[72] Zo’n verklaring schept een vermoeden van fiscale woonplaats dat door de andere staat moet worden gerespecteerd, tenzij manifeste fouten worden aangetoond.[73] Peeters verwijst naar niet-gepubliceerde Spaanse[74] en Italiaanse[75] rechtspraak die bevestigt dat de bronstaat niet eenzijdig kan afwijken van een door de woonstaat afgegeven attest.[76] Die visie is verankerd in de verdragsrechtelijke beginselen van pacta sunt servanda en te goeder trouw (art. 26 en 27 Verdrag van Wenen).[77] Door verdragen loyaal toe te passen en bij twijfel overleg te plegen, wordt het risico op dubbele belasting en diplomatiek wantrouwen verminderd.[78]
Beide bijdragen vertrekken vanuit een verschillend perspectief. Vanderkerken vanuit het strafrecht en de rechtshulp, Peeters vanuit het verdragsrecht. Wel gaan ze over hetzelfde namelijk, het internationale belastingrecht dat kan slechts goed functioneren als staten met elkaar te goeder trouw handelen, met wederzijds respect en in transparantie. Zonder die basis leidt samenwerking tot competitie en verliest het (inter)nationale fiscale recht zijn geloofwaardigheid.
Conclusie
De bijdragen in het liber amicorum voor prof. dr. Bruno Peeters tonen aan hoe fiscaal recht zich moet positioneren in een wereld die mobieler en digitaler wordt. De drie rode draden: intranationale mobiliteit als maatschappelijke uitdaging (1); digitalisering als breekpunt voor klassieke fiscale begrippen (2); en loyaliteit als noodzakelijke basis voor internationale samenwerking (3) werden in deze bijdrage besproken.
De eerste lijn over de homo mobilis, legt bloot hoe mobiliteit is uitgegroeid tot een voorwaarde voor maatschappelijke participatie en actief ouder worden. Verheyen en Tomo maken duidelijk dat fiscaal beleid hierbij niet enkel een budgettair, maar ook een sociaal instrument is. Door middel van fiscale prikkels zoals verlaagde btw-tarieven of gerichte subsidies kunnen overheden bijdragen tot inclusieve en leeftijdsvriendelijke mobiliteitsoplossingen. Daarmee tonen ze hoe fiscaliteit kan helpen maatschappelijke ongelijkheden te verkleinen en publieke doelstellingen te ondersteunen, in lijn met bepaalde ontwikkelingsdoelen. De tweede lijn, globalisatie, dwingt het internationale belastingrecht tot introspectie. De Broe en Bettens tonen dat de toename van telewerk de traditionele aanknopingspunten voor belastingheffing onder druk zet. Hun pleidooi voor terughoudendheid bij het aanvaarden van thuiskantoren als vaste inrichting benadrukt dat het bestaande fiscale systeem enkel geloofwaardig blijft wanneer het vasthoudt aan zijn oorspronkelijke logica. Die benadering sluit aan bij de analyse van Van Crombrugge, die het restartikel als de feitelijke hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen identificeert en daarmee de woonstaat bevestigt als ankerpunt van het belastingsysteem. De derde lijn, loyaliteit, vormt de kern van internationale samenwerking. Peeters benadrukt dat het verdragsrecht slechts functioneert als staten elkaars woonplaatsverklaringen loyaal erkennen en geschillen via overleg oplossen in plaats van eenzijdige interpretaties. Vanderkerken breidt dat principe uit naar de strafrechtelijke sfeer, waar internationale rechtshulp in fraudezaken pas effectief wordt wanneer staten bereid zijn voorbij de grenzen te kijken. De Zwitserse rechtspraak in de cum-ex-zaak, waarin fiscale fraude werd gekwalificeerd als gemeenrechtelijk bedrog, toont hoe loyaliteit en samenwerking de rechtsstaat beschermen tegen georganiseerde fiscale criminaliteit.
Gezamenlijk maken deze lijnen duidelijk dat het fiscale recht vandaag nood heeft aan een vorm van loyaal realisme. De regels hoeven niet te worden heruitgevonden, maar wel met consistentie en zin voor maatschappelijke relevantie worden toegepast. Fiscaal beleid blijft geloofwaardig wanneer het vasthoudt aan zijn logische fundamenten, ruimte laat voor verantwoorde vernieuwing en bijdraagt aan het vertrouwen dat noodzakelijk is voor samenwerking in een geglobaliseerde wereld.
Remke BEERENS , Mandaatassistent Fiscaal Recht VUB
Boekbespreking van Van de Vijver, A en De Raedt. S. (eds), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, Knops Publishing, 2025, 1528 p.
Deze tekst verscheen eerder in het Algemeen Fiscaal Tijdschrift (AFT), uitgegeven door Wolters Kluwers.
Een selectie van de bijdragen uit het Liber Amicorum die focussen op de internationale fiscaliteit werden opnieuw gebundeld in International and European Tax Law – an anthology
Voetnoten
[1] Zie BRAUNER Y., ‘Mobility of Individuals, the “Brain Drain” and Taxation in the Digital Age’ in KOSTIĆ S.V., MORENO A., CHAND V. e.a. (eds.), Mobility of Individuals and Workforces: Tax Challenges Raised by Digitalization, IBFD, 2022, 4: “Existing laws can easily contain the global mobility of individuals and have been doing so with little change during the last century. The resilience of these laws stems from their primary reliance on the concept of residence, or the physical presence of the individual taxpayer within a jurisdiction, to establish its taxpayer status” (eigen cursivering).
[2] Zie ook DE BECKER E., TIMBERMONT E. en VAN WEST J.P., ‘Digitale nomaden. Mogelijkheden voor een regelgevend initiatief’, NjW 2025, afl. 518, 194. In deze bijdrage neemt prof. dr. Jean-Philippe Van West het fiscale deel voor zijn rekening waarin hij het rijksinwonerschap, soorten inkomsten, de verdragsrechtelijke aanknopingspunten (art. 7 en 15 OESO-model) en de risico’s op dubbele (niet-)belasting voor digitale nomaden analyseert.
[3] De belastingheffing van pensioenen is binnen de Europese Unie niet geharmoniseerd. Elke lidstaat hanteert zijn eigen regels, wat tot mismatches leidt wanneer personen grensoverschrijdend verhuizen. Het Portugese regime voor ‘niet-gewone ingezetenen’ (non-habitual residents) ingevoerd in 2009, is daarvan een bekend voorbeeld. Het was erop gericht buitenlandse gepensioneerden en vermogende individuen aan te trekken en voorzag in een vrijstelling voor buitenlands pensioeninkomen in de Portugese personenbelasting. In combinatie met art. 18 van het OESO-modelverdrag leidde deze vrijstelling vaak tot dubbele niet-belastbaarheid, aangezien de bronstaat niet mocht belasten terwijl Portugal ervoor koos dat evenmin te doen. Na kritiek en diplomatieke druk werd het regime in 2020 hervormd.
[4] Zie BRAUNER Y., ‘Mobility of Individuals, the “Brain Drain” and Taxation in the Digital Age’ in KOSTIĆ S.V., MORENO A., CHAND V. e.a. (eds.), Mobility of Individuals and Workforces: Tax Challenges Raised by Digitalization, IBFD, 2022, 3.
[5] VERHEYEN W. en TOMO A., ‘De Homo mobilis: Tax Policy for active Ageing?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1383.
[6] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 261.
[7] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1067.
[8] VANDERKERKEN C., ‘Cum-ex-fraude: kan je door de Zwitsers uitgeleverd worden als je “gevlucht” bent naar Zwitserland?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1289.
[9] PEETERS B., ‘Over de loyale uitvoering van dubbelbelastingverdragen in het bijzonder bij woonplaatsconflicten’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks.com, 2025, 925.
[10] Met het decreet Basisbereikbaarheid concretiseerde de Vlaamse overheid in 2019 haar vernieuwde mobiliteitsvisie. Binnen dit kader voorziet Vlaanderen via Hoppinflex+ in vraaggestuurd aangepast vervoer voor personen die het reguliere openbaar vervoer niet kunnen gebruiken. Enkele jaren terug kwam de problematiek van extreem lange reistijden in het leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs naar voren: volgens het Kinderrechtencommissariaat zaten honderden kinderen dagelijks meer dan 220 minuten op de bus. Sinds het begin van dit schooljaar duurt 95,1 % van de ritten van en naar het buitengewoon onderwijs minder dan 90 minuten, al blijft ook dit een aanzienlijke reistijd. Zie hiervoor DEPARTEMENT MOBILITEIT EN OPENBARE WERKEN, Introductie tot Basisbereikbaarheid, 30 november 2021, 16-18; VLAAMS PARLEMENT, ‘Lange reistijd bij leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs’, Vlaams Parlement 11 december 2018, https://vlaamsparlement.tv/lange-reistijd-bij-leerlingenvervoer-buitengewoon-onderwijs/ (geraadpleegd op 25 november 2025); BELGA, ‘Bijna alle busritten in het buitengewoon onderwijs korter dan 90 minuten’, VRT NWS 17 oktober 2025, https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/10/17/bijna-alle-busritten-in-het-buitengewoon-onderwijs-korter-dan-90/ (geraadpleegd op 25 november 2025).
[11] VERHEYEN W. en TOMO A., ‘De Homo mobilis: Tax Policy for active Ageing?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1385-1386.
[12] VERHEYEN W. en TOMO A., ‘De Homo mobilis: Tax Policy for active Ageing?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1386.
[13] VERHEYEN W. en TOMO A., ‘De Homo mobilis: Tax Policy for active Ageing?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1389.
[14] VERHEYEN W. en TOMO A., ‘De Homo mobilis: Tax Policy for active Ageing?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1391.
[15] VERHEYEN W. en TOMO A., ‘De Homo mobilis: Tax Policy for active Ageing?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1401.
[16] Zie bv. de uitspraak van de Hoge Administratieve Rechtbank van Zweden (Högsta Förvaltningsdomstolen), die op 13 mei 2008 al oordeelde dat mobiliteitsdiensten (Färdtjänst) zijn vrijgesteld van btw. Het betrof vervoer dat uitsluitend werd verstrekt aan personen die recht hadden op kosteloos transport, zie Högsta Förvaltningsdomstolen 13 mei 2008, 1830-05.
[17] VERHEYEN W. en TOMO A., ‘De Homo mobilis: Tax Policy for active Ageing?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1397-1400.
[18] Op Europees niveau wint de pigouviaanse benadering aan belang. Als voorbeeld kan worden verwezen naar het Annual Report on Taxation 2024, waarin de Europese Commissie energie- en vervoersbelastingen naar voren schuift als pigouviaanse heffingen die negatieve externaliteiten moeten corrigeren, zie EUROPEAN COMMISSION, Annual Report on Taxation 2024, Review of taxation policies in EU Member States, 2 juli 2024, SWD(2024) 172 final.
[19] VERHEYEN W. en TOMO A., ‘De Homo mobilis: Tax Policy for active Ageing?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1399.
[20] VERHEYEN W. en TOMO A., ‘De Homo mobilis: Tax Policy for active Ageing?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1395.
[21] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 261.
[22] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 263. Zie de door De Broe en Bettens naar voren geschoven stelling, waarin wordt benadrukt dat elke aanpassing van fiscale regels moet worden getoetst aan de vraag “of de wereld daar beter van wordt”.
[23] Zie ook CEJIE K., ‘Let’s End the Fuss about Home Offices as Permanent Establishments for Cross-Border Teleworking’, Bulletin for International Taxation 2024/78, nr. 11. In haar, voor de recente 2025 OESO-update, bijdrage onderzoekt Cejie de problematiek rond thuiskantoren als vaste inrichtingen bij grensoverschrijdend telewerk en toont zij aan dat uiteenlopende administratieve interpretaties leiden tot aanzienlijke rechtsonzekerheid voor vennootschappen. Dat spanningsveld doet Cejie de vraag opwerpen: “Is it worth it?”, aangezien de administratieve last en complexiteit nauwelijks opwegen tegen de beperkte vennootschapsbelastingopbrengsten die met dergelijke vaste inrichtingen verbonden zijn.
[24] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 282.
[25] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 266.
[26] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 270.
[27] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 264.
[28] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 266.
[29] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 286.
[30] Zie ook GADŽO S., ‘Rethinking the Allocation of the Rights to Tax Business Income in the Digital Age: Remote Work as a Further Challenge to the Permanent Establishment Concept?’ in KOSTIĆ S.V., MORENO A., CHAND V. e.a. (eds.), Mobility of Individuals and Workforces: Tax Challenges Raised by Digitalization, IBFD, 2022, 332: “This would only add uncertainty for the taxpayers and lead to an increase in the overall number of PEs, each demanding a difficult exercise in profit attribution. As succinctly put by Baker: ‘Is it not time to accept that the corollary to the recognition of a significant digital presence is that an insignificant physical presence at a home office should not constitute a permanent establishment and a sufficient nexus for taxing profits in a country?’” (eigen cursivering).
[31] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 283.
[32] OECD, The 2025 Update to the OECD Model Tax Convention, OECD Publishing, 2025, DOI: 10.1787/5798080f-en, hierna: OECD MTC Update.
[33] De eerdere passage uit § 18 van het Commentaar op artikel 5 (geschrapt in de update van 2025) verduidelijkte dat het gebruik van een thuiswerkplek door een werknemer niet volstaat om deze ruimte als ‘een ter beschikking staande vaste plaats’ van de vennootschap toe te rekenen: “Even though part of the business of an enterprise may be carried on at a location such as an individual’s home office, that should not lead to the automatic conclusion that that location is at the disposal of that enterprise…”. Dit uitgangspunt is in de wijziging van 2025 behouden en hernomen in paragraaf 44.6, die het principe verankert in de nieuwe sectie over grensoverschrijdend thuiswerk: “The mere fact that a place is used by an individual (…) should not lead to the automatic conclusion that that place is a place of business of that enterprise” (eigen cursivering).
[34] De OESO heeft in de update van 2025 de (vroegere) § 18 en 19 van het Commentaar op artikel 5 geschrapt, waardoor de expliciete formulering “at the disposal of the enterprise” in de context van thuiswerk is verdwenen. De nieuwe thuiswerksectie (§ 44.1–44.21) vervangt dit criterium o.a. door een beoordeling of de werkplek een ‘place of business’ van de vennootschap vormt, afhankelijk van feiten en omstandigheden.
[35] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 268.
[36] Zie OECD MTC Update, § 44.8.
[37] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 264: “In die zin is, zoals gezegd, de 50 %-grens die opgenomen werd in de VI Belgisch-Nederlandse overeenkomst een passend gatewaycriterium dat eerst dient te worden vervuld vooraleer het beschikkingsrecht van de onderneming over het thuiskantoor wordt onderzocht.”
[38] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 282, vn. 84.
[39] Zie OECD MTC Update, § 44.8. e.v.
[40] Zie OECD MTC Update, § 44.12.
[41] Zie OECD MTC Update, § 44.17.
[42] Zie OECD MTC Update, § 44.12.
[43] De OESO heeft in § 44.21 van het Commentaar op art. 5 in een aantal voorbeelden voorzien die de toepassing van lid 1 in situaties van grensoverschrijdend thuiswerk en andere relevante werkplekken verduidelijken.
[44] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 286.
[45] Zie OECD MTC Update, § 44.20.
[46] DE BROE L. en BETTENS D., ‘Earth to OECD: leg terughoudendheid aan de dag bij de vaststelling van de Home Office-VI’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 274.
[47] Overeenkomst 23 november 2023 tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en België over de interpretatie van art. 5 van het belastingverdrag (vaste inrichting) bij thuiswerkende werknemers, BS 12 december 2023, 117345.
[48] Zie vn. 39.
[49] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1067.
[50] Het is belangrijk om even aan te stippen dat art. 21 oorspronkelijk een veel centralere plaats innam binnen de verdragsstructuur dan vandaag het geval is. Een bepaling die overeenkomt met het huidige art. 21 van het OESO-modelverdrag, werd al opgenomen in de vroegste belastingverdragen aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw. De bepaling over ‘andere inkomsten’ werd toen soms als basisregel beschouwd en vooraan geplaatst, zie: RUST A., ‘Article 21’ in REIMERT E. en RUST A. (eds.), Klaus Vogel on Double Taxation Conventions, Wolters Kluwer Law International, 2022, 2067.
[51] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1069.
[52].De League of Nations Technical Experts stelden in 1928 al dat de inkomstenbelasting geheven over het totale inkomen van een belastingplichtige, ongeacht de bron, in beginsel alleen door de staat van domicilie (State of domicile) moet worden opgelegd, zie RUST A., ‘Article 21’ in REIMERT E. en RUST A. (eds.), Klaus Vogel on Double Taxation Conventions, Wolters Kluwer Law International, 2022, 2089, vn. 6.
[53] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1071.
[54] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1072.
[55] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1073.
[56] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1074-1077.
[57] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1077.
[58] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1080.
[59] De analyse van Stefaan Van Crombrugge toont aan dat het OESO-modelverdrag via het restartikel kan worden gehanteerd als een uitgesproken residentiegericht model dat de bronstaatbevoegdheid sterk beperkt. Dit contrasteert met het UN-Modelverdrag, dat in lijn met de belangen van ontwikkelingslanden doorgaans meer bronheffingsrechten voor de investerings-hoststaat behoudt dan het OESO-model.
[60] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025.
[61] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1070-1071.
[62] VAN CROMBRUGGE S., ‘Het restartikel als hoofdingang van de dubbelbelastingverdragen’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1081.
[63] VANDERKERKEN C., ‘Cum-ex-fraude: kan je door de Zwitsers uitgeleverd worden als je ‘gevlucht’ bent naar Zwitserland?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1292.
[64] VANDERKERKEN C., ‘Cum-ex-fraude: kan je door de Zwitsers uitgeleverd worden als je ‘gevlucht’ bent naar Zwitserland?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1293, vn. 4: Bundesstrafgericht (CH), Beschwerdekammer 20 december 2021, RR 2021.200. bstgtr.ch.
[65] VANDERKERKEN C., ‘Cum-ex-fraude: kan je door de Zwitsers uitgeleverd worden als je ‘gevlucht’ bent naar Zwitserland?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 2025, 1291.
[66] Zwitserland paste met de ‘TRAF-hervorming’ zijn belastingstelsel aan de internationale normen aan en kwam daarmee zijn toezeggingen aan de EU na. Daardoor werd het land in oktober 2019 geschrapt uit bijlage II, de lijst van landen die wel samenwerken maar nog openstaande hervormingen hebben. Momenteel staan elf landen op die lijst, waaronder Seychellen, Marokko en Turkije. Zie RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, ‘EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties op belastinggebied’, 10 oktober 2025, https://www.consilium.europa.eu/nl/policies/eu-list-of-non-cooperative-jurisdictions/ (geraadpleegd op 27 november 2025); STATE SECRETARIAT FOR INTERNATIONAL FINANCE SIF, ‘EU removes Switzerland from its watch list’, State Secretariat for International Finance SIF 15 december 2020, https://www.sif.admin.ch/en/eu-removes-switzerland-from-its-watch-list (geraadpleegd op 27 november 2025).
[67] VANDERKERKEN C., ‘Cum-ex-fraude: kan je door de Zwitsers uitgeleverd worden als je ‘gevlucht’ bent naar Zwitserland?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1295.
[68] VANDERKERKEN C., ‘Cum-ex-fraude: kan je door de Zwitsers uitgeleverd worden als je ‘gevlucht’ bent naar Zwitserland?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1296.
[69] VANDERKERKEN C., ‘Cum-ex-fraude: kan je door de Zwitsers uitgeleverd worden als je ‘gevlucht’ bent naar Zwitserland?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1297-1298.
[70] VANDERKERKEN C., ‘Cum-ex-fraude: kan je door de Zwitsers uitgeleverd worden als je ‘gevlucht’ bent naar Zwitserland?’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks, 2025, 1302.
[71] Woonplaatsverklaringen zijn van belang omdat art. 4, § 1 OESO-modelverdrag voor de bepaling van het begrip ‘inwoner’ uitdrukkelijk naar het nationale recht verwijst. Bij de totstandkoming van een verdrag wordt er bovendien van uitgegaan dat de betrokken staten inzicht hebben in elkaars regels inzake fiscale woonplaats, ook wanneer die regels ficties bevatten. Laat een verdragspartij daarover niets weten, dan wordt dit doorgaans opgevat als een stilzwijgende instemming met die interne kwalificaties, zie BROSENS L., ‘De (al dan niet) doorwerking van woonplaatsficties in dubbelbelastingverdragen’, TFR 2016, afl. 502, 485.
[72] PEETERS B., ‘Over de loyale uitvoering van dubbelbelastingverdragen in het bijzonder bij woonplaatsconflicten’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks.com, 2025, 927.
[73] PEETERS B., ‘Over de loyale uitvoering van dubbelbelastingverdragen in het bijzonder bij woonplaatsconflicten’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks.com, 2025, 928. In zijn bijdrage verwijst Peeters naar een eerder door hem geschreven stuk, waarbij hij ter ondersteuning van zijn stelling ook aansluiting zoekt bij rechtspraak van de Nederlandse Hoge Raad.
[74] PEETERS B., ‘Over de loyale uitvoering van dubbelbelastingverdragen in het bijzonder bij woonplaatsconflicten’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks.com, 2025, vn. 3.
[75] PEETERS B., ‘Over de loyale uitvoering van dubbelbelastingverdragen in het bijzonder bij woonplaatsconflicten’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks.com, 2025, vn. 4.
[76] PEETERS B., ‘Over de loyale uitvoering van dubbelbelastingverdragen in het bijzonder bij woonplaatsconflicten’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks.com, 2025, 931 (Spaanse zaak) en 933 (Italiaanse zaak).
[77] PEETERS B., ‘Over de loyale uitvoering van dubbelbelastingverdragen in het bijzonder bij woonplaatsconflicten’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks.com, 2025, 934.
[78] PEETERS B., ‘Over de loyale uitvoering van dubbelbelastingverdragen in het bijzonder bij woonplaatsconflicten’ in VAN DE VIJVER A. en DE RAEDT S. (eds.), Liber Amicorum prof. dr. Bruno Peeters, KnopsBooks.com, 2025.





0 reacties