Rechtskroniek voor het Notariaat

Het Instituut voor Notarieel Recht van de Faculteit Recht en Criminologie van de UGent beoogt door de "Rechtskroniek voor het Notariaat" in het bijzonder ten behoeve van de notarissen en de kandidaat-notarissen, de advocaten en de advocaten-stagiairs, de magistraten en hun aller medewerkers, alsook in het algemeen aan alle praktijkjuristen, een accurate, wetenschappelijk onderbouwde toelichting te geven bij nieuwe wetten of nieuwe ontwikkelingen in rechtspraak of rechtsleer.

De publicaties in deze reeks komen tot stand n.a.v. het congres aan de RUGent, Instituut Notarieel Recht.

De reeks "Rechtskroniek voor het Notariaat" wordt sedert november 2019 uitgegeven door KnopsPublishing. De wetenschappelijke leiding is in handen van de professoren Annelies Wylleman, Jan Bael, Diederik Bruloot en Gerd Verschelden.

In een reeks van drie bijdrages komen drie evoluties met betrekking tot de oprichting van vennootschappen aan bod. In dit eerste artikel focussen de auteurs op de bijzondere aspecten van de oprichting van BV’s.

Afschaffing van de notie ‘kapitaal’ in de BV

Eén van de meest opvallende ingrepen bij de hervorming van het BVBA-recht was de afschaffing van het volledige kapitaalconcept, inclusief minimumkapitaalverplichting. Voor de oprichting van een BV geldt dus niet langer een bij wet vooraf bepaalde minimumomvang van de inbrengen die men bij oprichting (en evenmin naderhand) in de vennootschap dient te plaatsen.

Het voorgaande belet niet dat nog steeds een inbreng is vereist om een BV rechtsgeldig te kunnen oprichten: men dient geld, een goed of nijverheid in te brengen Het doen van een inbreng betreft immers een bestaansvoorwaarde voor alle vennootschappen, en dus ook de BV. Een inbreng kan, algemeen gesteld, worden omschreven als de toezegging vanwege een vennoot/aandeelhouder om een bepaald vermogensbestanddeel vanuit zijn eigen vermogen ter beschikking van de vennootschap te stellen. Dat inbrengen een bestaansvoorwaarde uitmaken van vennootschappen, heeft grotendeels te maken met het ultieme doel van die inbrengen. Met de ingebrachte vermogensbestanddelen zal de vennootschap over een ver mogen beschikken dat kan worden gebruikt ter ontplooiing van haar activiteiten, in de hoop uit deze activiteiten aan de vennoten/aandeelhouders een vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.

Om aandelen in de BV te kunnen verwerven op het moment van de oprichting, is aldus een inbreng vereist; de afschaffing van de notie ‘minimumkapitaal’ in de BV verandert hieraan niets.

Afschaffing van het kapitaalbegrip in de BV impliceert logischerwijze dat aandelen in de BV niet langer een kapitaalvertegenwoordigende waarde hebben. Dit leidt ertoe dat er geen noodzakelijke band meer bestaat tussen de waarde van een inbreng en de in ruil voor die inbreng toegekende lidmaatschapsrechten.

Toereikend aanvangsvermogen en financieel plan

Voor de BV geldt, zoals hierboven uiteengezet, geen minimumkapitaalverplichting; de inbrengen dienen (bij oprichting en naderhand) geen bij wet op voorhand bepaalde minimumomvang te bereiken. Dit doet evenwel geen afbreuk aan de juridische verplichting in hoofde van de oprichters om de vennootschap van een toereikend aanvangsvermogen te voorzien. Om deze verplichting in de verf te zetten, heeft zij een expliciete wettelijke basis in het WVV verkregen (en wordt zij niet langer afgeleid uit de algemene zorgvuldigheidsplicht). Artikel 5:3 WVV bepaalt voortaan dat de oprichters erop toezien dat de besloten vennootschap bij de oprichting over een eigen vermogen beschikt dat, gelet op de andere financieringsbronnen, toereikend is in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid. Schending van de verplichting kan enerzijds aanleiding geven tot gemeenrechtelijke aansprakelijkheid, anderzijds tot oprichtersaansprakelijkheid.

Opdat de oprichters de oefening inzake het toereikend aanvangsvermogen terdege zouden maken, en niet lichtzinnig tot de oprichting van een BV overgaan, dienen de oprichters net zoals vroeger een financieel plan op te maken. Het plan dient alle relevante informatie te bevatten ter staving van het oordeel dat de aanvangsfinanciering waarover de vennootschap zal kunnen beschikken volgens de redelijkerwijze te verwachten ontwikkelingen zal volstaan om de activiteiten van de vennootschap tijdens de eerste twee jaar na haar oprichting te financieren. Het financieel plan is er in de eerste plaats in het belang van de oprichters zelf, vermits zij hierdoor zichzelf een bewijsstuk verschaffen dat kan worden gebruikt in een eventuele procedure waarbij hun aansprakelijkheid wordt ingeroepen wegens een ontoereikend aanvangsvermogen bij oprichting van de vennootschap.

Het financieel plan dient voorafgaand aan het verlijden van de oprichtingsakte te worden overhandigd aan de notaris, die het plan niet dient neer te leggen op de griffie van de bevoegde ondernemingsrechtbank maar het louter dient te bewaren om het desgevallend later op verzoek van de rechter-commissaris of de procureur des Konings over te maken aan de rechtbank die het faillissement van de vennootschap behandelt.

De inbreng van nijverheid

Conform het WVV is alles wat het voorwerp van een verbintenis kan zijn en in geld waardeerbaar is, vatbaar voor inbreng in de BV. Men classificeert de inbrengen traditioneel naar hun voorwerp: inbreng in geld versus inbreng in natura, met als specifieke variant de voortaan door het WVV toegelaten inbreng van nijverheid in de BV.

Een nieuwigheid sinds de inwerkingtreding van het WVV betreft de mogelijkheid tot de zgn. “inbreng van nijverheid” in de BV, hetgeen expliciet wordt bevestigd door artikel 5:10 WVV. De inbreng van nijverheid is luidens artikel 1:8, § 2, derde lid WVV de inbreng van een “verbintenis om arbeid of diensten te presteren”.

De inbreng van nijverheid moet duidelijk worden onderscheiden van de inbreng van voorheen geleverde diensten, zoals oprichtersinspanningen, die evenzeer kunnen worden ingebracht in ruil voor aandelen, maar dan onder de generieke categorie van de inbrengen in natura vallen.

Storting van de inbrengen

Het WVV huldigt het principe dat inbrengen onmiddellijk vanaf de oprichting moeten worden volgestort, tenzij de oprichtingsakte anders bepaalt (art. 5:8 WVV). Dit betekent dat, behoudens andere afspraken, onmiddellijk uitvoering moet worden gegeven aan de verbintenissen om iets te doen en/of aan de verbintenissen om iets te geven waartoe de inbreng aanleiding geeft, waarbij dan desgevallend tevens de formaliteiten moeten worden nageleefd om de inbreng tegenwerpelijk te maken aan derde partijen. Men kan immers aannemen dat de vervulling van deze formaliteiten om de tegenwerpelijkheid ten aanzien van derde partijen te verkrijgen, als een essentieel onderdeel van de volstortingsplicht van de in- breng moet worden beschouwd.

Om de werkelijke vorming van het eigen vermogen te garanderen, heeft men (na enige discussie onder de opstellers van het WVV) ervoor geopteerd om de gekende regeling inzake de inbreng in geld te behouden. Deze houdt in dat indien een inbreng in geld wordt geleverd op het moment van de oprichting, een storting van dat geld vereist is op een geblokkeerde rekening geopend op naam van de vennootschap in oprichting, te bewijzen aan de hand van een bankattest (zie art. 5:9 WVV). Dit bankattest moet door de oprichters aan de notaris worden overhandigd vóór de ondertekening van de oprichtingsakte. Zodra de vennootschap is opgericht, komt dit geld bij wijze van preconstitutieve handeling automatisch toe aan de vennootschap, waarna dit geld door de financiële instelling wordt vrijgegeven nadat deze de bevestiging van de notaris heeft verkregen dat de vennootschap is opgericht.

De (papieren en elektronische) effectenregisters in het WVV

Het WVV bevat een aantal wijzigingen met betrekking tot de door vennootschappen te houden effectenregisters. Vooral de verhoogde aandacht voor het houden van effectenregisters op een elektronische wijze springt hierbij in het oog. Met deze verhoogde aandacht poogt de vennootschapswetgever om meer dan vroeger de brug naar de digitale wereld te maken, zonder daarbij evenwel de aandacht te verliezen voor de noodzakelijk geachte bescherming van de in dergelijke registers opgenomen persoonsgegevens. Hieronder wordt het (vernieuwde) wetgevende kader inzake effectenregisters onder de loep genomen en verder geduid.

Diederik Bruloot – Kristof Maresceau – Gauthier Vandenbossche

U leest een uitgebreide versie van het bovenstaande artikel in “Recente ontwikkelingen rond de oprichting van vennootschappen”, Rechtskroniek voor het Notariaat, Deel 38.

Rechtskroniek voor het Notariaat

Het Instituut voor Notarieel Recht van de Faculteit Recht en Criminologie van de UGent beoogt door de "Rechtskroniek voor het Notariaat" in het bijzonder ten behoeve van de notarissen en de kandidaat-notarissen, de advocaten en de advocaten-stagiairs, de magistraten en hun aller medewerkers, alsook in het algemeen aan alle praktijkjuristen, een accurate, wetenschappelijk onderbouwde toelichting te geven bij nieuwe wetten of nieuwe ontwikkelingen in rechtspraak of rechtsleer.

De publicaties in deze reeks komen tot stand n.a.v. het congres aan de RUGent, Instituut Notarieel Recht.

De reeks "Rechtskroniek voor het Notariaat" wordt sedert november 2019 uitgegeven door KnopsPublishing. De wetenschappelijke leiding is in handen van de professoren Annelies Wylleman, Jan Bael, Diederik Bruloot en Gerd Verschelden.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.