Aviniti

Tiberghien

Tiberghien is een toonaangevend fiscaal advocatenkantoor, gespecialiseerd in cliëntgerichte oplossingen voor complexe juridische zaken. Met kantoren in Brussel, Antwerpen, Gent, Luxemburg en Zürich is Tiberghien bekend om zijn ondernemers- en bedrijfsgerichte aanpak.

Dankzij zijn krachtige netwerk met een aantal internationale (fiscale) advocatenkantoren kan Tiberghien zijn cliënten consistent grensoverschrijdend belastingadvies aanbieden.

De vaderlijke afstammingsband kan worden vastgesteld op verschillende manieren:

– door de wet, door de toepassing van een wettelijk vermoeden van vaderschap in hoofde van de echtgenoot, indien het kind geboren is tijdens het huwelijks of binnen de 300 dagen die volgen op de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk (onder voorbehoud van enkele wettelijke uitzonderingen).
– door erkenning, indien het vaderschap niet vastgesteld werd op basis van voormeld wettelijk vermoeden.
– door een rechterlijke beslissing, in het kader van een procedure van onderzoek van het vaderschap, indien het vaderschap niet is vastgesteld op basis van het wettelijk vermoeden, noch door erkenning.

Indien het vaderschap is vastgesteld door het wettelijk vermoeden of door erkenning, kan zij het voorwerp uitmaken van een betwisting, met inachtneming van verschillende voorwaarden.

Meer bepaald met betrekking tot het vaderschap, vastgesteld door de wet, ingevolge het wettelijk vermoeden, bepaalt artikel 318 het volgende:

Ҥ 1.
Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, de man die het vaderschap van het kind opeist en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist.

§ 2.
De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is. De vordering van de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn.

Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn. Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige echtgenoot.

§ 3.
Onverminderd het bepaalde in §§ 1 en 2, wordt het vermoeden van vaderschap teniet gedaan indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader is.
De betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot wordt bovendien, behoudens tegenbewijs, gegrond verklaard :
1° in de gevallen bedoeld in artikel 316bis ;
2° wanneer de afstamming van moederszijde door erkenning of bij rechterlijke beslissing is vastgesteld;
3° wanneer de vordering werd ingesteld vooraleer de afstamming van moederszijde is komen vast te staan.

§ 4.
De vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is niet ontvankelijk, als de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn.

§ 5.
De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De familierechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen.

§ 6.
De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, is maar gegrond als bewezen wordt dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet 6 van juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten heeft toegestemd in de medisch begeleide voortplanting en de verwekking van het kind hiervan het gevolg kan zijn. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van een afstammingsband ten opzichte van de verzoekster met zich. De familierechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies, §§ 1, 1/1, 2 en 4, is voldaan. Zo niet, wordt de vordering afgewezen.”

De wetgeving bepaalt dus op limitatieve wijze de titularissen van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap en de termijn waarbinnen ieder van hen zijn vordering moet instellen. Zij voert evenzeer als middel van niet-ontvankelijkheid van de vordering, het bestaan van een bezit van staat in (de situatie van het kind, behandeld als een zoon/dochter van de echtgenoot van zijn moeder), zodat wanneer het kind dat bezit van staat heeft ten opzichte van de echtgenoot, de betwisting van het vermoeden niet meer mogelijk zou zijn.

Bepaalde voorwaarden, voorzien door die wetsbepaling, werden meermaals ongrondwettelijk verklaard door het Grondwettelijk Hof.

Aldus, op het vlak van de termijn, heeft het Hof in zijn arrest van 31 mei 2011 (n°96/2011), geoordeeld dat in de hypothese waar het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot “met geen enkele biologische noch socio-affectieve realiteit overeenstemt”, artikel 318 §2 van het burgerlijk wetboek “de artikelen 10,11 en 22 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens”.

Het Hof is inderdaad van oordeel dat “(…) door te bepalen dat een kind het vermoeden van vaderschap dat is vastgesteld ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder niet meer kan betwisten na de leeftijd van tweeëntwintig jaar of na het jaar te rekenen vanaf de ontdekking van het feit dat diegene die de echtgenoot van zijn moeder was, niet zijn vader is, terwijl dat vermoeden met geen enkele biologische, noch socio-affectieve realiteit overeenstemt, wordt evenwel op discriminerende wijze afbreuk gedaan aan het recht op de eerbiediging van het privéleven van dat kind. Door de korte verjaringstermijn zou het kunnen dat dat kind niet meer beschikt over de mogelijkheid om zich tot een rechter te wenden die rekening kan houden met de vaststaande feiten, alsook met het belang van alle betrokken partijen, zonder dat een en ander kan worden verantwoord door de zorg om de rust der families te bewaren terwijl de familiale banden te dezen onbestaande zijn.”

En op het vlak van de voorwaarde van bezit van staat, bepaalt het Hof in zijn arrest van 3 februari 2011   (n°20/2011) dat artikel 318, §1 van het burgerlijk wetboek, artikel 22 van de Grondwet schendt, gelezen in samenhang met artikel 8 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens, “doordat de vordering van betwisting van het vaderschap niet kan worden toegelaten als het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder”. Het Hof is inderdaad van mening dat “ (…) door het « bezit van staat » als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt de echtgenoot van de moeder die te goeder trouw het socio-affectieve vaderschap heeft opgenomen, op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om zijn vaderschap te betwisten omdat zijn handelen te goeder trouw precies heeft bijgedragen tot de totstandkoming van de feiten die de criteria uitmaken van het bezit van staat.
Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de vaststaande feiten en de belangen van alle betrokken partijen.
Een dergelijke maatregel is onevenredig met de door de wetgever nagestreefde, legitieme doelstellingen, en derhalve niet bestaanbaar met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.”

Het Grondwettelijk Hof heeft dit standpunt bevestigd in zijn arresten van 9 juli 2013 (n°105/2013) en 7 november 2013 (n°147/2013).

In het recent arrest van 3 februari 2016 (n°18/2016) (http://www.const-court.be/) heeft het Grondwettelijk Hof zich opnieuw uitgesproken over twee préjudiciële vragen die haar gesteld zijn door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel in een zaak waarin een kind (intussen meerderjarig) een vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap heeft ingesteld tegen de ex-echtgenoot van zijn moeder en een vordering van onderzoek naar het vaderschap tegen de vermeende biologische vader.

– De eerste vraag heeft betrekking op het verbod voor het kind, ouder dan 22 jaar om het vaderschap te betwisten van de echtgenoot van zijn moeder, meer dan een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot niet zijn vader is. Merk op dat in het geval dat hier voorlag aan het Hof, er een bezit van staat zou bestaan tussen het kind en de echtgenoot van zijn moeder. De situatie is dus verschillend van de deze, die aan bod komt in voormeld arrest van 31 mei 2011 waar het vermoeden van vaderschap niet overeenstemde met de socio-affectieve waarheid en waar er geen bezit van staat aanwezig was.

In haar arrest van 3 februari 2016, zegt het Hof voor recht dat artikel 318 §2 van het burgerlijk wetboek artikel 22 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens, “in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is om een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen”.

Het Hof meent in het bijzonder dat: “ (…) In een gerechtelijke procedure tot vaststelling van de afstamming dient het recht van eenieder op vaststelling van zijn afstamming in beginsel dan ook de overhand te krijgen op het belang van de rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden (…) Ook al bestaan er familiale banden, geconcretiseerd door het bezit van staat, of ook al hebben ze bestaan, toch doet de in het geding zijnde bepaling op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op eerbiediging van het privéleven van het kind, door de korte verjaringstermijn die aan het kind de mogelijkheid zou kunnen ontzeggen om zich tot een rechter te wenden die rekening kan houden met de vaststaande feiten, alsook met het belang van alle betrokken partijen. (…)”.

– De tweede vraag gaat over het absolute karakter van de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vaderschap indien er sprake is van een bezit van staat. Merk op dat in het geval dat hier voorligt aan het Hof, het kind het bezit van staat had laten voorduren nadat hij had vernomen dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn biologische vader is. De situatie is dus verschillend van deze die aan bod komt in voormeld arrest van 7 november 2013.

In zijn arrest van 3 februari 2016, zegt het Hof voor recht dat artikel 318 §1 van het burgerlijk wetboek, artikel 22 van de Grondwet schendt, gelezen in samenhang met artikel 8 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens, “in zoverre de door het kind ingestelde vordering tot betwisting van het vaderschap niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder heeft”.

Het Hof bevestigt dus haar standpunt van 7 november 2013, specificerend dat de omstandigheid waar een kind het bezit van staat heeft laten voorduren, nadat hij heeft vernomen dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn biologische vader is, niet van die aard is om haar standpunt te veranderen. Het Hof meent in het bijzonder dat:
“ (…) het aanvoeren van een grond van niet-ontvankelijkheid, zelfs in een dergelijke hypothese, tegen de door het kind ingestelde vordering tot betwisting van het vaderschap, wegens het bestaan van een bezit van staat tussen dat kind en zijn wettige vader, leidt immers ertoe dat de rechter op absolute wijze wordt verhinderd rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen. (…) Daarenboven kunnen er velerlei redenen zijn waarom een kind niet heeft geprobeerd een einde te maken aan het bezit van staat, gesteld dat het in staat zou zijn geweest zulks te doen, zodra het heeft vernomen dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader was. Die houding moet daarom nog niet noodzakelijkerwijze worden beschouwd als de vrije en weloverwogen uiting van de onherroepelijke wil van dat kind om zijn wettelijke afstamming op zijn biologische afstamming te zien prevaleren.
Bovendien had het bezit van staat dat reeds tussen het kind en zijn wettige vader bestond, zelfs indien het kind daaraan een einde had gemaakt, ook ertoe kunnen leiden dat de vordering tot betwisting van het vaderschap onontvankelijk werd verklaard. (…)”

De Brusselse Familierechtbank zal nu moeten oordelen of hij de vordering tot betwisting ontvankelijk acht of niet, rekening houdende met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, alle gegevens van de zaak en alle belangen van de betrokken partijen. Acht hij de zaak ontvankelijk, kan hij oordelen over de gegrondheid. Indien de zaak gegrond is, kan tot vrijwillige erkenning door de biologische vader dan wel tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap worden overgegaan.

Indien u hieromtrent bijkomende vragen hebt of inlichtingen wenst, kunt u steeds contact opnemen met Larissa De Wulf – larissa.dewulf@tiberghien.com en Lore Lemmens – lore.lemmens@tiberghien.com

Larissa De Wulf en Lore Lemmens • 19/05/2016

 

Tiberghien is een toonaangevend fiscaal advocatenkantoor, gespecialiseerd in cliëntgerichte oplossingen voor complexe juridische zaken. Met kantoren in Brussel, Antwerpen, Gent, Luxemburg en Zürich is Tiberghien bekend om zijn ondernemers- en bedrijfsgerichte aanpak. Dankzij zijn krachtige netwerk met een aantal internationale (fiscale) advocatenkantoren kan Tiberghien zijn cliënten consistent grensoverschrijdend belastingadvies aanbieden.

Tiberghien

Tiberghien is een toonaangevend fiscaal advocatenkantoor, gespecialiseerd in cliëntgerichte oplossingen voor complexe juridische zaken. Met kantoren in Brussel, Antwerpen, Gent, Luxemburg en Zürich is Tiberghien bekend om zijn ondernemers- en bedrijfsgerichte aanpak.

Dankzij zijn krachtige netwerk met een aantal internationale (fiscale) advocatenkantoren kan Tiberghien zijn cliënten consistent grensoverschrijdend belastingadvies aanbieden.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.