Philip Daeninck

Philip Daeninck is sinds 2000 advocaat aan de balie van Limburg. Hij was tevens onderzoeker aan het NICC en wetenschappelijk medewerker aan de KULeuven, alwaar hij thans ook praktijklector is. Daarnaast is hij sinds 2016 lid van de Commissie Strafrecht van de OVB en publiceert hij geregeld over diverse onderwerpen aangaande het straf(proces)recht.

De taak van het strafrecht bestaat erin om op een beschaafde manier te reageren op gepleegde criminaliteit.

Het is wellicht passend om in deze sinterklaasperiode een overzicht te geven van enkele opmerkelijke uitspraken van het Hof van Cassatie over de motiveringsplicht inzake voorlopige hechtenis. Daar waar het Hof aanvankelijk een eerder minimalistische invulling gaf aan deze motiveringsplicht, lijkt men de lat thans terecht hoger te leggen, zeker wanneer de verdachte zijn standpunt ontwikkeld heeft in een conclusie. De reeds eerder ingezette koers lijkt bijgevolg verder te worden gezet (Antwoorden op een schriftelijke conclusie? Eigenlijk een kwestie van hoffelijkheid! ).

Motiveringsplicht en antwoordverplichting: twee handen op één buik

Wanneer de raadkamer oordeelt dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd, moet haar beslissing gemotiveerd worden op dezelfde wijze als de onderzoeksrechter dit moet doen bij het verlenen van een bevel tot aanhouding (art. 21, § 5 en 22, lid 7 VHW). De wet voorziet immers in limitatieve gronden waarop het bevel tot aanhouding kan steunen, indien het maximum van de wettelijk voorziene straf vijftien jaar opsluiting niet te boven gaat, met name in geval van recidive-, onttrekkings- of collusiegevaar. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling de voorlopige hechtenis handhaaft, geldt dezelfde motiveringsplicht als voor de raadkamer.

In het verlengde hiervan voorziet de Voorlopige Hechteniswet in een bijkomende, bijzondere motiveringsplicht. Artikel 23, 4° VHW stelt uitdrukkelijk dat de raadkamer moet antwoorden op de conclusies van partijen. Verder wordt gepreciseerd dat wanneer de partijen in hun conclusies het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld betwisten en wanneer zij dit doen onder vermelding van feitelijke gegevens, de raadkamer moet preciseren welke gegevens volgens haar dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken, indien zij de voorlopige hechtenis handhaaft. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling de voorlopige hechtenis handhaaft, geldt dezelfde motiveringsplicht als voor de raadkamer, inclusief de verplichting om op conclusies te antwoorden (art. 30, § 3, lid 3 VHW).

Deze verplichting om te antwoorden op een conclusie, wordt evenwel strikt geïnterpreteerd. Zo moet er uitsluitend op conclusies geantwoord worden in zoverre de betwisting die in conclusie opgeworpen wordt, betrekking heeft op de voorwaarden waarvan de wet de wettigheid van de voorlopige hechtenis doet afhangen, en bijgevolg relevant is bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis. Er moet dus niet automatisch op elk argument opgenomen in de conclusie geantwoord worden. Evenmin moet er geantwoord worden op een conclusie indien er geen rechtsgevolgen worden gekoppeld aan hetgeen opgeworpen werd. Tot slot moet er evenmin geantwoord worden op een door de verdachte hernomen conclusie die tot eerdere over de zaak gewezen uitspraken hebben geleid.

Een strengere invulling van de dubbele motiveringsplicht

Het Hof van Cassatie sloeg reeds eerder de weg in van de strengere antwoordverplichting wanneer de verdediging in een schriftelijke conclusie een omstandig verweer had gevoerd waarbij heel concreet, met verwijzing naar stukken uit het strafdossier, werd aangeduid om welke reden de verdediging van mening was dat het onderzoek onverantwoorde vertraging had opgelopen. Er werd terecht geoordeeld dat de loutere stelling van de kamer van inbeschuldigingstelling dat het gevoerde onderzoek een normaal verloop kent, geen antwoord vormde op zulk een verweer (arresten van 5 januari 2021, P.20.1318.N; 29 december 2020, P.20.1290.N en 15 juli 2020, P.20.0754.N).

In een paar recente arresten herinnerde het Hof van Cassatie er aan dat ook inzake de ‘klassieke’ criteria voor voorlopige hechtenis de redenen die worden aangenomen ter staving van het actueel karakter van het recidive-, onttrekkings- of collusiegevaar niet dermate algemeen mogen zijn dat ze kunnen gelden ter verantwoording van om het even welke voorlopige hechtenis. De redenen ter staving van het oordeel dat de voorlopige hechtenis moet gehandhaafd worden, moeten voldoende concreet zijn opdat ze als een antwoord kunnen worden beschouwd op het in conclusie ontwikkelde verweer. Evenmin mag er bij de motivering sprake zijn van automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis (arresten van 15 november 2022, P.22.1472.N; 13 september 2022, P.22.1170.N en 6 september 2022, P.22.1159.N).

Opmerkelijk is dat het Hof van Cassatie – ook wanneer er in een conclusie over bepaalde punten geen standpunt werd ingenomen – eveneens strenger toekijkt op de motiveringsplicht. In twee arresten van 9 november 2022 oordeelde het Hof dat de hoogte van de borgsom niet regelmatig werd gemotiveerd, en besliste tot een verbreking (arresten P.22.1407.F en P.22.1413.F). Vooreerst stelt het Hof weliswaar dat de rechter de hoogte van de borgsom soeverein bepaalt en dat bij gebreke aan een conclusie op dit punt, hij niet verplicht is zijn beslissing dienaangaande te motiveren. Niettemin moet de rechter rekening houden met de doelstelling van de borgsom. Zo moet de rechter, wanneer de borgsom opgelegd wordt teneinde het vluchtgevaar te neutraliseren, rekening houden met de financiële draagkracht van de verdachte, of – in voorkomend geval, conform artikel 35, § 4 VHW – moeten de ernstige vermoedens beoordeeld worden dat gelden of waarden afkomstig van het misdrijf in het buitenland zijn geplaatst of verborgen worden gehouden. Bij gebreke aan motivering op dit vlak, is de beslissing niet regelmatig gemotiveerd.

Uitnodiging tot een zinvol debat

Deze evolutie moet alleszins toegejuicht worden. Gelet op het uitzonderingskarakter van de voorlopige hechtenis, moeten de criteria streng beoordeeld worden en moet zulks ook blijken uit de motivering van de beslissing tot handhaving. Dit geldt des te meer wanneer de verdachte zijn standpunt uiteenzet in een schriftelijke conclusie. Uiteindelijk vormt dit ook de essentie van rechtspraak: de rechter wordt uitgenodigd om een mening te vormen over het standpunt van de verdachte en om hierover een beslissing te nemen, met weergave van diens overwegingen. Op deze manier kan de verdachte hiervan kennis nemen, minstens met het inzicht waarom zijn standpunt desgevallend niet werd gevolgd.

Philip Daeninck

Lees hier meer artikel en opiniestukken van meester Daeninck.

Philip Daeninck

Philip Daeninck is sinds 2000 advocaat aan de balie van Limburg. Hij was tevens onderzoeker aan het NICC en wetenschappelijk medewerker aan de KULeuven, alwaar hij thans ook praktijklector is. Daarnaast is hij sinds 2016 lid van de Commissie Strafrecht van de OVB en publiceert hij geregeld over diverse onderwerpen aangaande het straf(proces)recht.

De taak van het strafrecht bestaat erin om op een beschaafde manier te reageren op gepleegde criminaliteit.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.