Opiniemakers

Op deze pagina komen diverse eminente juristen aan het woord. Vanuit hun professionele ervaring, als magistraat, advocaat, academicus, ... kijken ze met een eigenzinnige blik naar de juridische actualiteit.

De standpunten en opinies vertolkt in de bijdragen die onder de naam 'Opiniemakers' verschijnen, binden enkel de auteur van de bijdrage zelf en vertegenwoordigen niet noodzakelijk de mening van Jubel, de Jubel-redactie of KnopsPublishing.

Bent u geïnteresseerd om opiniestukken te publiceren via Jubel.be? Contacteer de Jubel-redactie

Het arrest dat het Europees Hof van Justitie op 12 januari 2023 heeft geveld met betrekking tot de begroting van het advocatenereloon (C-395/21) is zonder enige twijfel een bombshell te noemen. Het Hof beslist in het arrest immers onomwonden dat een beding tussen een advocaat en een consument waarin de kosten voor de diensten van de advocaat worden vastgelegd op basis van een uurtarief – zonder verdere voorafgaande informatie aan die consument over de economische consequenties – niet voldoet aan de vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten geformuleerd zijn.

Ongetwijfeld zal heel wat inkt vloeien over wat dit arrest allemaal teweegbrengt in de relatie tussen een cliënt-consument en de advocaat. Zonder daaraan afbreuk te willen doen (het belang van het arrest kan moeilijk overschat worden) lijkt het ook nuttig even stil te staan bij een drietal zaken die het Hof in het arrest niet heeft beslist.

1) Ten eerste heeft het Hof niet beslist dat het werken op basis van uurtarief niet zou mogen worden bedongen en/of dat dit steeds een onduidelijk en onbegrijpelijk beding zou zijn. Het Hof viseert deze manier van werken alleen wanneer de consument daarbij geen informatie ontvangt die hem in staat stelt om – met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de economische consequenties die het sluiten van de overeenkomst met zijn advocaat met zich brengt – zijn beslissing te nemen. Wanneer men bijvoorbeeld een inschatting geeft van de normaal te verwachten erelonen of aangeeft welke de minimumafrekening zal zijn, dan kan een uurtariefbeding wel door de beugel. Hetzelfde geldt wanneer de advocaat zich ertoe verplicht regelmatig tussentijdse staten op te maken.

2) Ten tweede heeft het Hof niet beslist dat wanneer een overeenkomst zo’n onduidelijk/onbegrijpelijk en derhalve niet-transparant ereloonbeding bevat, dit beding ipso facto als een oneerlijk beding in de zin van artikel 3, 1 Richtlijn 95/31 en artikel I.8, 22° WER moet worden beschouwd. Natuurlijk zal het niet-transparante karakter meespelen in de beoordeling van het al dan niet oneerlijk karakter (dit is trouwens uitdrukkelijk zo bepaald in artikel VI.82, tweede lid WER) maar dit is geen vooraf uitgemaakte zaak. Artikel 3, 1 Richtlijn 95/31 voorziet immers dat een beding slechts als oneerlijk wordt beschouwd wanneer het, “in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort”. Het nationale recht kan op dit vlak strenger zijn dan de Richtlijn maar onze Belgische wetgeving is dat niet. Artikel I.8, 22° WER vereist immers het scheppen van een kennelijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument vooraleer te kunnen spreken over een oneerlijk beding. De nietigheidssanctie van artikel VI.84, § 1 WER mag dus niet zonder meer worden toegepast op een uurtariefbeding louter omdat dergelijk beding niet transparant is.

3) Ten derde is het zo dat het Hof niet heeft beslist dat wanneer een nationale rechter beslist dat zo’n beding wel degelijk oneerlijk is en vervolgens tot de conclusie komt dat de overeenkomst volledig nietig wordt verklaard, de advocaat op geen enkele wijze nog vergoeding zou kunnen ontvangen voor reeds geleverde prestaties. Het tegendeel zou men op het eerste zicht kunnen afleiden uit volgende overweging van het Hof van Justitie: “In het geval dat de nationale rechter zou oordelen dat de overeenkomsten volgens de relevante bepalingen van nationaal recht na de schrapping van het kostenbeding niet kunnen voortbestaan, staat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 er dan ook niet aan in de weg dat die overeenkomsten nietig worden verklaard, zelfs wanneer dit ertoe leidt dat de verkoper geen vergoeding ontvangt voor zijn diensten”. Een aandachtige lezing leert echter dat het Hof met voorgaande overweging enkel wil duidelijk maken dat het feit dat de advocaat reeds prestaties heeft geleverd geen beletsel mag vormen voor het uitspreken van de nietigheidssanctie en het bevrijden van de consument van zijn gehoudenheid op basis van het oneerlijke beding. Dit wil evenwel niet zeggen dat die consument niet op basis van een andere rechtsgrond dan de nietige overeenkomst (denk aan ongerechtvaardigde verrijking) tot vergoeding van geleverde prestaties zou kunnen gehouden zijn. Dat het Hof dit wel degelijk zo ziet, blijkt ontegensprekelijk uit volgende overweging: “het [is] immers niet uitgesloten dat de nietigverklaring van een overeenkomst die betrekking heeft op reeds verrichte juridische diensten de consument in een situatie van rechtsonzekerheid brengt, met name wanneer het nationale recht de advocaat de mogelijkheid biedt om op basis van een andere rechtsgrond dan de nietig verklaarde overeenkomst vergoeding voor zijn diensten te eisen”.

Tot slot nog een uitsmijter die het arrest wel bevat maar mogelijk over het hoofd zal worden gezien. Zoals gesteld, besliste het Hof van Justitie dat een louter uurtariefbeding zonder verdere informatie die de consument in staat moet stellen om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen, niet transparant is. Wat die informatie concreet inhoudt, varieert volgens het Hof afhankelijk van de aard en het voorwerp van de juridische diensten waarin de overeenkomst voorziet. Dit is logisch, de ene advocatenopdracht is de andere niet. Maar het Hof voegt er nog aan toe dat de te verschaffen informatie ook afhankelijk kan zijn van de ‘toepasselijke beroeps- en gedragsregels’. Ligt hier dan toch nog een rol weggelegd voor het door sommigen verfoeide artikel 446ter Gerechtelijk Wetboek?

Nicolaas Vinckier

Lees hier wat Jubel-columnist Hugo Lamon schreef over het arrest van het Hof.

Lees meer artikels over het ereloon van de advocaat:


Uw opiniestuk ook op Jubel? Contacteer de redactie.

Opiniemakers

Op deze pagina komen diverse eminente juristen aan het woord. Vanuit hun professionele ervaring, als magistraat, advocaat, academicus, ... kijken ze met een eigenzinnige blik naar de juridische actualiteit.

De standpunten en opinies vertolkt in de bijdragen die onder de naam 'Opiniemakers' verschijnen, binden enkel de auteur van de bijdrage zelf en vertegenwoordigen niet noodzakelijk de mening van Jubel, de Jubel-redactie of KnopsPublishing.

Bent u geïnteresseerd om opiniestukken te publiceren via Jubel.be? Contacteer de Jubel-redactie

Bekijk alle artikelen

1 reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  • Het arrest is op vele punten interessant, ook voor wat betreft de onrechtmatige bedingenleer. En ook na je heldere uiteenzetting blijft het voor mij een raadsel hoe een beding dat een partijbeslissing zou uitmaken aan de transparantieverplichting kan voldoen. Dat levert toch geen nuttige informatie voor inschatting van de zaak voor de cliënt?
    Je verwijst terecht naar de overweging van het hof naar deontologische normen. Die zijn er bij ons NIET. In Nederland wel, zodat daar de toepassing van de deontologie de cliënt tegemoetkomt in de transparantie.
    Ik herinner eraan dat in uitvoering van de wet Geens inzake rechtsbijstand er een KB is met overzichten van prestaties per soort zaak. Art 446ter Ger w geeft daar een berperkte draagwijdte aan, maar het zou kunnen helpen bij het nader invullen van de transparantieverplichting.