Opiniemakers

Op deze pagina komen diverse eminente juristen aan het woord. Vanuit hun professionele ervaring, als magistraat, advocaat, academicus, ... kijken ze met een eigenzinnige blik naar de juridische actualiteit.

De standpunten en opinies vertolkt in de bijdragen die onder de naam 'Opiniemakers' verschijnen, binden enkel de auteur van de bijdrage zelf en vertegenwoordigen niet noodzakelijk de mening van Jubel, de Jubel-redactie of KnopsPublishing.

Bent u geïnteresseerd om opiniestukken te publiceren via Jubel.be? Contacteer de Jubel-redactie

De magistraten in ons land onderhandelen al geruime tijd over hun statuut. Dat daarover moet onderhandeld worden, is op zich al erg opmerkelijk”, stelt rechter op rust Walter De Smedt in dit opiniestuk.

Reeds enige tijd zijn er aangehouden besprekingen tussen het politiek beleid en de Adviesraad van de magistratuur, het College van het Openbaar Ministerie, het College van de zetel en de vakbondsinstanties van de magistratuur over het statuut van de magistraten. Dat daarover moet onderhandeld worden, is op zich al erg opmerkelijk.

Hebben onze magistraten dan geen statuut? Of gaat het enkel over het ‘sociaal’ statuut? En wat moet daarin dan voor de magistraten anders zijn ten overstaan van de andere in dienst van de staat werkende burgers? Zijn de materiële, zeg maar ‘pecuniaire’ elementen, dan belangrijker dan wat een echt statuut moet waarborgen, de specificiteit van het ambt en de daaraan verbonden rechten en plichten?

De magistraten vragen een modern en aantrekkelijk sociaal statuut dat de mogelijkheid biedt rekening te houden met het evenwicht tussen privé- en beroepsleven. Dat statuut zou met name het volgende moeten behelzen:

a) Volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbrekingen.
b) Een deeltijdse arbeidsregeling.
c) Een loopbaaneinderegeling die het aantrekkelijk maakt om de loopbaan na de leeftijd van 65 jaar voort te zetten.

In alle gevallen moet worden gewaarborgd dat de aan het ambt verbonden eigenheden worden geëerbiedigd, zoals het beginsel dat een magistraat in zijn gerechtelijk ambt onafhankelijk is zonder dat van enige interne of externe inmenging sprake is ( Voorstel van resolutie Vanessa Matz 4 februari 2022 De Kamer DOC 55 2488/001 ).

Uit de tekst van dit voorstel kan je reeds het onderscheid opmerken tussen wat eerst wordt gevraagd, een sociaal statuut, en wat er als bijkomende waarborg wordt aan toegevoegd: de onafhankelijkheid zonder dat van enige interne of externe inmenging sprake kan zijn. Dat de aandacht vooreerst naar het sociaal statuut gaat en de interne en externe onafhankelijkheid eraan wordt toegevoegd, doet vermoeden dat er over het echt statuut weinig betwisting bestaat. Dat is in de feitelijkheid echter een onjuiste bewering.
Dat er voldoende en duidelijke bepalingen zijn die aanduiden wat het statuut uitmaakt, belet niet dat er in de feitelijkheid zowel extern als intern wordt van afgeweken om redenen die niet als behoorlijk kunnen worden omschreven.

De Belgische Grondwet heeft reeds in meerdere belangrijke bepalingen voorzien:
– De rechters zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden.
– De rechters worden voor het leven benoemd.
– Zij worden in ruste gesteld op de bij de wet bepaalde leeftijd en genieten het bij de wet bepaalde pensioen.
– Geen rechter kan uit zijn ambt worden ontzet of worden geschorst dan door een vonnis.
– De overplaatsing van een rechter kan niet geschieden dan door een nieuwe benoeming en met zijn toestemming.
– De wedden van de leden der rechterlijke orde worden door de wet vastgesteld. Geen rechter mag van een regering bezoldigde ambten aanvaarden, tenzij hij die onbezoldigd uitoefent en behoudens de gevallen van onverenigbaarheid bij de wet bepaald. Maar ook: het Openbaar Ministerie is onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen;
de Koning benoemt en ontslaat de
ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij de hoven en rechtbanken.

Omdat al wat met justitie te maken heeft nu ook en voor een erg belangrijk deel door Europa wordt bepaald mag aan onze grondwettelijke voorzieningen de onder Belgisch voorzitterschap genomen Aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 17 november 2010 over de onafhankelijkheid, de doeltreffendheid en de verantwoordelijkheid van de rechters worden toegevoegd ( CM/Rec(2010)12). Daarin zijn volgende bepalingen opgenomen:
– De externe onafhankelijkheid van rechters is geen prerogatief of voorrecht dat wordt verleend in hun persoonlijk belang, maar in dat van de rechtsstaat en van alle personen die om onpartijdige gerechtigheid vragen en deze verwachten.
– De onafhankelijkheid van rechters moet worden gezien als een garantie voor vrijheid, eerbiediging van de mensenrechten en onpartijdige toepassing van de wet.
– De onpartijdigheid en onafhankelijkheid van rechters zijn essentieel om de gelijkheid van partijen voor de rechtbanken te waarborgen.
– Op voorwaarde dat hun onafhankelijkheid wordt geëerbiedigd, dienen rechters en de rechterlijke macht constructieve werkrelaties te onderhouden met instellingen en overheidsinstanties die betrokken zijn bij het beheer en de administratie van rechtbanken, alsook met beroepsbeoefenaren wier taken verband houden met die van rechters, om een doeltreffende recht te doen.
– Alle nodige maatregelen dienen te worden genomen om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters te eerbiedigen, te beschermen en te bevorderen.
– De wet dient te voorzien in sancties tegen personen die rechters op ongeoorloofde wijze willen beïnvloeden.
– Uitspraken moeten met redenen worden omkleed en in het openbaar worden uitgesproken.
– Van rechters mag niet worden verlangd dat zij op andere wijze verslag uitbrengen over de inhoud van hun uitspraken.
– De beslissingen van rechters mogen niet worden getoetst buiten de wettelijk voorziene beroepsprocedures of heropeningsprocedures.
– Met uitzondering van besluiten betreffende amnestie, gratie of soortgelijke maatregelen, mogen de uitvoerende en wetgevende macht geen besluiten nemen die rechterlijke beslissingen ongeldig maken.
– Het beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid veronderstelt de onafhankelijkheid van elke rechter bij de uitoefening van zijn rechterlijke taken.
– Rechters moeten hun beslissingen onafhankelijk en onpartijdig nemen en kunnen optreden zonder beperkingen, ongepaste invloeden, druk, bedreigingen of inmenging, direct of indirect, van welke autoriteit dan ook, inclusief de gerechtelijke autoriteiten zelf.
-De hiërarchische organisatie van rechtbanken mag de individuele onafhankelijkheid niet aantasten.
– Hogere rechtbanken mogen rechters geen instructies geven over de wijze waarop zij in een bepaalde zaak moeten beslissen, behalve in het kader van prejudiciële procedures of door gebruik te maken van rechtsmiddelen, onder de voorwaarden waarin de wet voorziet.
– Bij de verdeling van zaken binnen een rechtbank moeten vooraf vastgestelde objectieve criteria worden gevolgd, om het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter te waarborgen.
– Het mag niet worden beïnvloed door de wensen van een partij in de zaak of iemand anders die wordt beïnvloed door de uitkomst van die zaak.
– Rechters moeten de vrijheid hebben om beroepsorganisaties op te richten en zich erbij aan te sluiten om hun onafhankelijkheid te waarborgen, hun belangen te beschermen en de rechtsstaat te bevorderen.

Praktijk

Tegenover voorgaande, toch erg duidelijke bepalingen staat evenwel de praktijk. Zo werd een strafrechter op aangeven van een justitieminister strafrechtelijk vervolgd wegens de gemotiveerde inhoud van zijn vonnis waarbij een veelpleger werd vrijgesproken omdat de vorige veroordeling niet was uitgevoerd, wat werd omschreven als uitlokking. Deze rechterlijke beslissing werd dus getoetst buiten de wettelijk voorziene beroepsprocedures of heropeningsprocedures. Het ging ook niet om een besluit betreffende amnestie, gratie of soortgelijke maatregelen, maar om een poging van de uitvoerende macht om een rechterlijke beslissing ongeldig te maken. Geen enkele hogere rechter werd echter bereid gevonden om zichzelf te veroordelen. Maar er werden evenmin de nodige maatregelen genomen om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters te eerbiedigen, te beschermen en te bevorderen door een wet met sancties tegen personen die rechters op ongeoorloofde wijze willen beïnvloeden. Alle representatieve vertegenwoordigingen van magistraten bleven stil. Nog om dezelfde reden werd de strafrechter bij zijn op ruste stelling de eretitel van het ambt ontzegd.

Door de Raad van State werd dit element van het koninklijk besluit wegens een gebrek aan motivering vernietigd. Een later gunstig advies van de eerste voorzitter werd echter voor ongelezen gehouden. Het oogt onbelangrijk, maar het is het wél. Een rechter is naar de Grondwet voor het leven benoemd. De omschrijving bij koninklijk besluit die deze benoeming omzet in een eretitel is dus zonder belang of gevolg, hooguit een onjuiste overname uit het ambtenarenstatuut. Eens rechter benoemd, blijf je het voor het gehele leven tenzij je er voor afgezet wordt. Overigens laat deze grondwettelijke voorziening toe dat rechters op rust opnieuw hun ambtsbezigheden kunnen hernemen wanneer er behoefte aan is.

Volgens de Grondwet zijn de terechtzittingen van de rechtbanken openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden. In dat geval wordt dit door de rechtbank bij vonnis verklaard. Inzake politieke misdrijven en drukpersmisdrijven kan het sluiten der deuren niet dan met algemene stemmen worden uitgesproken. Elk vonnis is met redenen omkleed. Het wordt openbaar bekendgemaakt op de wijze bepaald door de wet. In strafzaken wordt het beschikkend gedeelte uitgesproken in openbare terechtzitting. Bovendien vereisen de voorwaarden voor een eerlijk proces dat gerechtigheid ook zichtbaar moet worden gedaan. Dat kan enkel door een openbare behandeling. De gewijzigde afkoopwet heeft deze vereiste nog steeds niet ingevuld: er wordt gehandeld met ‘gesloten deuren’.

Volgens de aanbeveling mag de hiërarchische organisatie van rechtbanken de individuele onafhankelijkheid niet aantasten. Voorheen was iedere kamer in de rechtbank een rechtbank op zich en had enkel de kamervoorzitter er het gezag over. Het reglement van de rechtbank werd door de algemene vergadering bepaald. Nu zorgt enkel de superchef er voor en duidt hij ook adjuncten aan om zijn beslissing te bewaken. Er was ook een politieke poging om tot een eengemaakte rechtsspraak te komen. Op strafrechtelijk gebied werd deze wil om de organisatie van een bottom-up naar een topdownvorm te brengen versterkt door de toewijzing van het strafrechtelijk beleid aan één lid van de uitvoerende macht en werd er een maatregel aan toegevoegd die de parketmagistraten verplicht de ministeriële richtlijnen uit te voeren.

Door deze recente hervormingen komt de vraag naar het statuut van de parketmagistraat opnieuw en in gewijzigde omstandigheden naar voor. Dat enkel rechters voor het leven worden benoemd en de Koning de ‘ambtenaren’ van het Openbaar Ministerie ‘bij’ de hoven en rechtbanken benoemt en ontslaat verkrijgt hierin opnieuw zijn oorspronkelijke betekenis. Het mag ook worden opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof bij de afkeuring van de afkoopwet heeft weerstaan aan de politieke druk om naast de grondwettelijke bepalingen en de uitspraken van het Europese Mensenrechtenhof te kijken. Daardoor werd de evolutie van een steeds verder rijkende quasirechterlijke bevoegdheidstoemeting aan het Openbaar Ministerie gestopt en het daadwerkelijk toezicht van de rechter op de handelingen tussen de beide procespartijen, enerzijds het Openbaar Ministerie en anderzijds de verdediging, opnieuw in ere hersteld.

Door de oprichting van een tuchtrechtbank werd ook de mogelijke willekeur van de korpschef vermeden. Maar ook daar is de feitelijkheid niet in overeenstemming met de wettelijke voorziening. Een fiscaal substituut had een meningsverschil met de procureur-generaal over de toepassingsmodaliteiten van de eerste afkoopwet. De substituut maakte gebruik van het principe dat enkel de pen en niet de persoon van de parketmagistraat slaafs is en verdedigde zijn opvatting over de noodzaak van het rechterlijk toezicht op de uitgebreide minnelijke schikking. Hoewel de uitspraak van het Grondwettelijk Hof zijn stelling bevestigde, werd de substituut zowel strafrechtelijk als tuchtrechtelijk aangepakt. Dat heeft nu nog tot gevolg dat de magistraat zonder enige rechtsgrond belet wordt zijn ambtsbezigheden terug op te nemen.

Als je deze feitelijkheid vanuit een voor een parketmagistraat noodzakelijk statuut bekijkt is deze situatie een aberratie van al wat in de Gids voor alle magistraten wordt aangegeven. Hoewel deze ‘catechismus’ in dermate uitgebreide verplichtingen voorziet dat zij als bovenmenselijk kunnen worden aangezien is er één begrip niet in opgenomen: de nu algemeen aanvaarde verplichting dat een proces ook eerlijk moet zijn.

Mag er tot slot nog één bedenking worden aan toegevoegd? Terecht hebben wij grote aandacht voor wat er in Polen en Hongarije met de magistratuur gebeurt. Even terecht is de aandacht voor het sociaal statuut wegens het groeiend overwicht van de vrouwelijke magistraten een nuttig item. Er zijn evenwel ook andere elementen die bij het bekijken van het echte statuut van de magistraat, ook in ons land, niet kunnen ontkend worden. Dat er een verschil is tussen het statuut van een rechter en dat van een parketmagistraat kan geen reden zijn om het debat uit de weg te gaan. Het ambt van parketmagistraat is in niets minderwaardig dan dat van rechter. Dat het verschillen inhoudt kan niet door feitelijkheden worden bepaald. Mede gezien de recente evolutie van het strafrechtelijk beleid is verduidelijking hier aangewezen. Daar heeft iedereen en in de eerste plaats de parketmagistraat zelf belang bij. Bij de te maken keuze tussen beide gelijkwaardige opdrachten moet het evenwel duidelijk zijn dat er maar één mogelijkheid mag zijn om rechterlijke opdrachten te kunnen uitoefenen: daarvoor moet je voor het leven tot rechter worden benoemd.

Walter De Smedt

Lees ook deze eerdere bijdragen van Walter De Smedt.
– Wie heeft nog toegang tot het ‘Openbaar Ministerie’?
“Hou magistraten ver weg van het beheer van centen”
Hoe de toegang tot de rechter wordt aangetast

Opiniemakers

Op deze pagina komen diverse eminente juristen aan het woord. Vanuit hun professionele ervaring, als magistraat, advocaat, academicus, ... kijken ze met een eigenzinnige blik naar de juridische actualiteit.

De standpunten en opinies vertolkt in de bijdragen die onder de naam 'Opiniemakers' verschijnen, binden enkel de auteur van de bijdrage zelf en vertegenwoordigen niet noodzakelijk de mening van Jubel, de Jubel-redactie of KnopsPublishing.

Bent u geïnteresseerd om opiniestukken te publiceren via Jubel.be? Contacteer de Jubel-redactie

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.