Er is in elk onderzoek een uur waarop de richting kantelt. Een verdachte zegt het. De verbalisant typt het, laat nalezen en ondertekenen, en belt de magistraat. Vanaf dat ogenblik is het dossier een ander dossier. Onderzoeksdaden die op de planning stonden, worden minder dringend. Een alternatieve piste die vorige week nog open lag, wordt niet meer uitgewerkt. De vraag verschuift ongemerkt van wat is hier gebeurd naar hoe krijgen we dit rond. Dat is het punt waarbij ik in dit stuk wil stilstaan. Niet bij de verhoorkamer, maar bij wat erna met het onderzoek gebeurt. Een bekentenis is geen besluit maar een hypothese, en zij verdient precies dezelfde toetsing als elk ander spoor in een dossier.
De wet vraagt dat ook met zoveel woorden. De praktijk maakt het moeilijker dan de wet laat vermoeden, en die moeilijkheid ligt niet bij de verhoortechniek maar bij de dynamiek die een bekentenis in een ploeg, een dossier en een kalender op gang brengt.
Wat de kritiek op het onderzoek naar valse bekentenissen juist ziet
In het artikel “De bekentenis als sleutelelement in het strafproces” werd onlangs betoogd dat het doel van een verhoor niet de bekentenis is maar de waarheidsvinding, en dat de bekentenis daar een belangrijk onderdeel van uitmaakt. Daarbij werd erop gewezen dat het onderzoek naar valse bekentenissen grotendeels steunt op laboratoriumexperimenten met studenten en op Angelsaksische, adversaire rechtssystemen, en dat die bevindingen niet zomaar overdraagbaar zijn naar een gemengd inquisitoir stelsel waarin het onderzoek zowel belastende als ontlastende elementen moet verzamelen. De conclusie luidde dat er in België geen algemeen bekende gevallen zijn waarin een veroordeling uitsluitend steunde op een door verhoorders veroorzaakte valse bekentenis.
Op die punten klopt de redenering, en het is goed dat iemand ze maakt. Het verschil tussen een typetest in een universiteitslokaal en een verdachte die een moord moet uitleggen is reëel, en wie dat verschil wegpoetst, bouwt beleid op een wankele basis. Dat er geen Belgische veroordeling bekend is die enkel op een uitgelokte bekentenis berustte, is bovendien geen detail: het zegt iets over de controlemechanismen die wij wel degelijk hebben.
Alleen kijkt die vaststelling naar iets anders dan het lijkt. Zij gaat over de uitkomst van het proces, niet over de weg ernaartoe. Een zaak die eindigt in een vrijspraak omdat de rechter de verhoren weert, telt in die redenering als een geslaagde controle. Vanaf de kant van het onderzoek ziet diezelfde zaak er anders uit.
Wat de wet van het onderzoek vraagt, ook na een bekentenis
De wet is op dit punt duidelijker dan het debat. Artikel 56, § 1, Sv. bepaalt dat de onderzoeksrechter de verantwoordelijkheid draagt voor het gerechtelijk onderzoek dat zowel à charge als à décharge wordt gevoerd, en dat hij waakt over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee zij worden verzameld. Voor het opsporingsonderzoek legt artikel 28bis, § 3, Sv. dezelfde waakplicht bij de procureur des Konings.
Die bepalingen kennen geen uitzondering voor het dossier waarin er een bekentenis is. Er staat niet dat het onderzoek à décharge eindigt zodra de verdachte toegeeft. De verplichting is procedureel en loopt door tot de regeling van de rechtspleging, los van wat de verdachte in de tussentijd verklaart.
De verhoorwet zelf gaat nog een stap verder. Artikel 47bis, § 1, Sv. geeft elke ondervraagde persoon uitdrukkelijk het recht te vragen dat een bepaalde onderzoekshandeling wordt verricht of een bepaald verhoor wordt afgenomen. De wetgever heeft de toetsing dus niet alleen aan de verbalisant overgelaten, maar ook in handen van de verhoorde gelegd. Dat recht is weinig waard wanneer het dossier intussen al als afgerond wordt beschouwd.
En er is wat de wet net niet doet. Zij kent aan de bekentenis geen bijzondere bewijswaarde toe. In het Belgische strafrecht geldt de vrije bewijswaardering: de rechter beoordeelt onaantastbaar in feite wat een verklaring waard is, in het licht van het geheel van het dossier. Het oude adagium confessio est regina probationum heeft in ons recht geen grondslag. Wat ervan overblijft, is geen regel maar een reflex.
De dynamiek die daarna op gang komt
Wat een bekentenis in beweging zet, is zelden slechte wil. Het is iets veel gewoners. Een ploeg die maanden in een zaak zit, krijgt eindelijk een lijn die klopt. De magistraat heeft een dossier dat kan worden afgewerkt. De capaciteit die op dit onderzoek stond, is elders al beloofd. En wie dan nog een piste wil natrekken die tegen de verklaring ingaat, moet uitleggen waarom hij twijfelt aan iets waar iedereen opgelucht over is.

Vanaf dat punt verandert niet de hoeveelheid werk, maar de richting ervan. Er wordt verder gerechercheerd, alleen gaat het zoeken nu naar wat de verklaring bevestigt. Een telefoniemast die de verdachte in de buurt plaatst, wordt belastend genoemd; dat hij daar ook woont, is een detail. Een verklaring die niet strookt met de vaststellingen, wordt een geheugenprobleem in plaats van een signaal. Niemand beslist dat; het gebeurt gewoon.
Op dit platform werd in 2020 een zaak beschreven waarin die dynamiek tot het einde doorliep (“The Belgian Confession Tapes: de zaak waar men een onschuldige toch een moord liet bekennen”). De correctionele rechtbank van Dendermonde weerde op 19 oktober 2020 alle verhoren van een bijzonder kwetsbare verdachte die een moord had bekend, en sprak hem en zijn medebeklaagden vrij. De verdediging schreef nadien dat de speurders na de bekentenissen vooral nog zochten naar elementen die de verklaringen konden onderbouwen, terwijl gegevens die ze tegenspraken geen gevolg kregen. Het vonnis stelde vast dat de verhoren onbetrouwbaar waren en onder ongeoorloofde druk tot stand waren gekomen.
Dat is één zaak, en zij is door de verdediging verteld. Maar de uitkomst is wel controleerbaar, en die uitkomst is het argument: na negen jaar was er geen veroordeling, geen bruikbaar dossier en geen dader. Een zaak die op een bekentenis gaat leunen en daarna uit elkaar valt, laat niemand tevreden achter. Zeker het slachtoffer en zijn nabestaanden niet.
Die uitkomst is niet voorbehouden aan moordzaken. In een zedendossier waar het woord van de ene tegenover dat van de andere staat, in intrafamiliaal geweld waar een partner de schuld op zich neemt, in een drugsdossier waar de minst weerbare schakel verklaart wat de ploeg wil horen: telkens is de prijs van een niet-getoetste bekentenis dezelfde. De zaak houdt niet, en de echte vraag is nooit gesteld.
Salduz is een minimum, geen kwaliteitslabel
Tegen die dynamiek wordt vaak één antwoord gegeven: sinds Salduz zit er een advocaat bij. Dat antwoord is te gemakkelijk, en het is opvallend dat het zowel bij politie als bij verdediging opduikt.
Het arrest Salduz t. Turkije van 27 november 2008 en, voor ons land, Beuze t. België van 9 november 2018 waarborgen de toegang tot een advocaat en beoordelen het proces vervolgens in zijn geheel. Dat is een waarborg over de wijze waarop een verklaring tot stand komt. Het is geen uitspraak over de vraag of wat de verdachte zegt waar is. Een rechtmatig verkregen verklaring kan feitelijk onjuist zijn, en het EHRM heeft dat nooit anders beweerd.
Voor de verbalisant betekent dat iets heel concreets. De aanwezigheid van een raadsman ontslaat hem niet van de plicht om na te gaan of het verhaal klopt. Voor de advocaat geldt het spiegelbeeld: de vaststelling dat de vormen werden nageleefd, maakt de inhoud van de verklaring van zijn cliënt niet betrouwbaar, ook niet wanneer die cliënt zelf aan de bekentenis vasthoudt. In het dossier dat hierboven ter sprake kwam, was een deel van de verhoren audiovisueel geregistreerd, en de rechtbank oordeelde dat dit aan de onbetrouwbaarheid ervan niets afdeed.
Een bekentenis toetsbaar maken
Wat ik voorstel is geen nieuwe regel en geen nieuwe bevoegdheid. Het is de bestaande verplichting uit de artikelen 28bis en 56 Sv. zichtbaar maken in het dossier zelf, op het ogenblik dat zij het meest onder druk staat.
Dat begint bij daderkennis. Die is pas iets waard wanneer vaststaat dat de verdachte ze niet elders kon oppikken: niet uit de pers, niet uit een cel, niet uit de vraagstelling van de verbalisant. In de praktijk vraagt dat dat wij bijhouden welke gegevens publiek circuleerden en welke elementen de verdachte zelf aanbracht vóór ze hem waren voorgehouden. Een bekentenis die enkel herhaalt wat de speurder al had gezegd, bevestigt niets.
Het vraagt ook dat wat niet klopt in het dossier blijft staan. Een verdachte die feiten verkeerd situeert of verwondingen beschrijft die er niet waren, levert een even belangrijk gegeven als wie het wel juist heeft. Die tegenstrijdigheden horen in het proces-verbaal, niet in het hoofd van de verbalisant die ze wegredeneert.
En het vraagt dat de onderzoeksdaden die vóór de bekentenis gepland stonden, hun beloop krijgen of dat gemotiveerd wordt waarom niet. Wie na een bekentenis een piste laat vallen, neemt een beslissing. Die beslissing hoort bij de magistraat te liggen en in het dossier leesbaar te zijn.
Wat dat voor elk van ons betekent
Voor de verbalisant is de conclusie het minst comfortabel. Het ogenblik waarop een zaak eindelijk meevalt, is precies het ogenblik waarop hij het meest moet opletten. Een bekentenis verdient niet minder onderzoek dan een ontkenning, maar ander onderzoek: gericht op de vraag of het verhaal standhoudt tegen de vaststellingen.
Voor de magistraat gaat het om het ogenblik van de beslissing. Na een bekentenis verschuift de vraag vanzelf naar wanneer het dossier kan worden afgesloten. Wie dan vraagt welke ontlastende pistes zijn afgewerkt en waarom de andere zijn stilgevallen, oefent gewoon de leiding uit die de artikelen 28bis en 56 Sv. hem toevertrouwen.
Voor de advocaat zit de winst in het dossier zelf. De vraag is niet alleen of de Salduz-waarborgen zijn nageleefd, maar ook wat er na de bekentenis nog is onderzocht, welke gegevens de verklaring tegenspreken, en welke daderkennis al was meegedeeld voor ze werd bevestigd. Artikel 47bis, § 1, Sv. geeft zijn cliënt uitdrukkelijk het recht een bepaalde onderzoekshandeling te vragen, ook nadat hij heeft toegegeven. Dat recht wordt zelden gebruikt.
Een bekentenis blijft een sleutelelement in het strafproces. Zij opent alleen niet de deur naar het einde van het onderzoek, maar naar de laatste fase ervan.
Nils Devreker is commissaris en teamchef bij de federale gerechtelijke politie Oost-Vlaanderen, auteur en lesgever. Hij schrijft deze bijdrage op persoonlijke titel.



0 reacties