Pleidooi voor revolutie: over horen, zien maar niet zwijgen cover

30 okt 2026 | Column

Pleidooi voor revolutie: over horen, zien maar niet zwijgen

Door Joke Bleys

  • Joke Bleys

    Joke Bleys is sinds oktober 2008 advocaat aan de Balie van
    Antwerpen. Als advocaat counsel bij Desdalex Advocaten behartigt ze
    dossiers in het strafrecht en het jeugdrecht.

    Al tijdens haar studies specialiseerde ze zich in de
    rechtsgebieden strafrecht en strafprocesrecht. Zo behaalde ze na
    haar Master in de Rechten nog een Master in de Criminologische
    Wetenschappen.

    Ze behaalde in 2015 het getuigschrift van de bijzondere opleiding
    Cassatieprocedure in Strafzaken. Een jaar later slaagde zij ook voor
    de Bijzondere Opleiding Jeugdrecht.

Recente Jobs

Manager
Finance
5+ jaar
Oost-Vlaanderen
Advocaat
Ondernemingsrecht Vennootschapsrecht Bouwrecht
0 - 3 jaar
Brussel Vlaams-Brabant
Management Assistent
Ondernemingsrecht
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen
Juridisch adviseur
Commercieel recht
1 - 4 jaar
Oost-Vlaanderen
Notarieel jurist
Notariaat
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant

Mijnheer de stafhouder,
Mijnheer de voorzitter,
Geachte vergadering,

Het is mij een grote eer om voor u te mogen spreken. Ik wil u vandaag graag een boodschap brengen. Over onrecht, ongelijkheid, pijn, verdriet, frustratie en kwaadheid. Maar ook over hoop, moed, passie en strijdvaardigheid.

Het verhaal van véél te veel kinderen

Ik geef u één cijfer om te beginnen:

  • 200.177: zoveel nieuwe jeugdbeschermingszaken zijn er nationaal bij de parketten ingestroomd in 2025, het hoogste cijfer sinds de start van de officiële jaarstatistiek van de jeugdparketten.

Al die criminele jongeren, hoor ik u denken. Dat beeld leeft hardnekkig: alsof vooral stoute kinderen bij de jeugdrechter terechtkomen. Laat mij die misvatting meteen uit de wereld helpen: dat klopt niet.

Het overgrote deel van de jongeren die met justitie in aanraking komen, bevindt zich in een verontrustende opvoedingssituatie (VOS). Maar liefst 87% van de dossiers bij de jeugdrechters in Vlaanderen zijn VOS-dossiers. Veruit de meeste jongeren zijn dus enkel slachtoffers. En het is ook vooral dat cijfer dat de afgelopen 10 jaar het sterkste steeg. Daarbij komt dat héél veel jongeren die delicten plegen, te kampen hebben met onderliggende problemen, vaak in de thuissituatie.

We zijn dit jaar, spijtig genoeg, heel vaak geconfronteerd met de realiteit van kinderen in nood. Een hoog aantal kinderen groeit op in onveilige omstandigheden en de schrijnende verhalen over de vele tekorten in de jeugdzorg laten diepe indrukken na.

Baby’s die verslaafd geboren worden. Kinderen die seksueel misbruikt worden. Jongeren die uitgebuit worden en in de criminaliteit worden ingezet. Kinderen die in een ziekenhuiskamer moeten verblijven, of zelfs terug naar een onveilig thuismilieu worden gestuurd omdat er nergens plaats is. Kinderen met gedragsproblemen en complexe psychiatrische problematieken, die overal uitgesloten worden. Tieners die zelfmoord plegen. Kinderen, zo klein nog, die zo zwaar mishandeld worden dat zij sterven door toedoen van wie hen had moeten beschermen.

De realiteit overtreft hier alle fictie.

En toch merk ik dat deze zo belangrijke problematiek, en alle mensen erin betrokken, niet de aandacht, en al zeker niet de aanpak, krijgt die het ‘verdient’. Er heerst

verontrusting over het huidige momentum waarin het steeds moeilijker wordt om uitgelegd te krijgen hoe belangrijk het is om te investeren in kinderen.

De cijfers zijn beangstigend. De gevolgen zijn dat evenzeer. En de echte oplossingen blijven, nog steeds, uit.

Het wetgevend kader: aan goede intenties geen gebrek?

Even beginnen bij het begin.

Waar wil ik het met u over hebben? Het jeugdrecht, en meer specifiek het jeugdbeschermingsrecht.

Dit richt zich in hoofdzaak op twee deelgroepen: de jongeren in probleemsituaties (VOS) en de jongeren die worden vervolgd wegens een jeugddelict (MOF). Zie hier ook de twee grote luiken van het jeugdbeschermingsrecht: het jeugdhulprecht en het jeugddelinquentierecht.

‘Vossers’ en ‘Moffers’. Al is de scheidingslijn tussen die twee groepen in de praktijk helemaal niet zo zwart-wit.

Van de Kinderbeschermingswet van 15 mei 1912, over de Jeugdbeschermingswet van 8 april 1965, kronkelend langs de staatshervormingen, naar het uitwerken van wetten en (kader)decreten in het kader van het Vlaamse jeugdhulprecht en het Jeugddelinquentierecht.

De wetgever is op zich wel een bezig bijtje geweest. Af en toe moest het Grondwettelijk Hof bijsturen.

Plannen, beleidsnota’s, analyses, werkgroepen, aanbevelingen, pilootprojecten … ze hebben allemaal mee vorm gegeven aan het huidige jeugdbeschermingsrecht.

Belangrijke afdwingbare wetsinstrumenten zoals het VN-Kinderrechtenverdrag en de Grondwet verankerden de basisrechten van het kind. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vanuit de toepassing van het EVRM, gaf mee vorm aan het vertalen van rechten naar het kind toe.

Ook het Decreet Rechtspositie van minderjarigen, dat recent nog zijn 20ste verjaardag vierde, verankerde de rechten van het kind.

Samen met het wettelijk beschermen van specifieke kinderrechten kwam er ook een kinderrechtenbeweging op gang.

Verschillende organisaties en initiatieven ontstonden rond kinderen en het beschermen van hun rechten, nationaal en internationaal.

Ook maatschappelijk blijven er zaken bewegen in positieve richting rond aandacht van en voor kinderrechten, vanuit allerlei hoeken en instanties.

En daarnaast ontstaan en bestaan er vele projecten, initiatieven en organisaties voor en rond jongeren.

Onder internationale impuls wordt nagedacht over een meer kindvriendelijke justitie, wat we alleen maar kunnen toejuichen.

Op papier lijkt het er eigenlijk allemaal best goed uit te zien, al zijn er zeker nog verbeterpunten.

Maar, waar een wil is, is een wet, zeg maar.

Het nieuwe jeugddelinquentiebeleid: quo vadis?

Laten we even focussen op dat jeugddelinquentierecht.

Er klinkt vandaag opnieuw een maatschappelijke roep om repressie.

Media-artikelen over extreem gewelddadige, verkrachtende en/of terroristische jongeren spreken als het ware tot de verbeelding en zorgen vooral voor maatschappelijke onrust en een verhoogde gevoeligheid voor jeugdcriminaliteit.

Maar angst is een slechte raadgever.

De slinger dreigt dan door te slaan, (te) ver weg van een hulpverleningsmodel.

Met die shift naar repressie lijkt men ook de realiteit uit het oog te verliezen.

Vooreerst helpt repressie (alleen) niet, ook niet bij volwassenen trouwens.

Verder denken jongeren niet op dezelfde manier als volwassenen. Dit heeft simpelweg te maken met hoe onze hersenen zich ontwikkelen.

Daar komt nog bij dat er ook rekening dient gehouden te worden met de ontwikkelingsdynamiek van jongeren. In hun overgang van jongere naar volwassene willen ze verkennen en experimenteren, wat niets te maken heeft met afwijkend of antisociaal gedrag.

En dan is er natuurlijk nog deze realiteit: dezelfde jongere die het ene moment stoer, opstandig, boos en gewelddadig reageert, toont zich op een ander moment vaak als een kwetsbaar, bang en verdrietig kind.

Risicofactoren, kwetsbaarheidsfactoren en de continue dynamische interacties die tussen kind en omgeving spelen, kunnen allemaal interageren en een rol spelen in de ontwikkeling van een kind.

Een groot deel van de jonge delinquenten die in een instelling worden geplaatst, kampt met psychische problemen. Daarnaast is er ook vaak sprake van trauma. Geestelijke gezondheidsproblemen en trauma zijn dan weer gerelateerd aan een hoger recidiverisico en aan een verminderde kwaliteit van leven en welzijn. Daar zitten we met een belangrijk spanningsveld tussen genezen en sanctionering.

Hoewel op beleidsniveau verder wordt nagedacht over het uitwerken van een ketenaanpak, is het opsplitsen van de bevoegdheden binnen het jeugdrecht over verschillende agentschappen geen goede, noch logische zaak.

We moeten kijken wat er achter het gedrag van jongeren schuilgaat. Gedragsproblemen zijn een signaal.

In de jaarverslagen van verschillende kinderrechtenorganisaties vinden we hierover treffende passages terug:

“Jongeren, vaak kinderen nog, die al hun hele leven doorbrengen in instellingen, die al zoveel voorzieningen achter de rug hebben dat hun oorspronkelijke dialect vervaagd is. Jongeren die gevangen zitten in machteloosheid. Die vertellen over hun drugsgebruik en hun doodswens met vrolijke Olaf-pantoffels aan de voeten. Van wie de fugues, de opstandigheid, de agressie door de buitenwereld nog te vaak beschouwd worden als persoonlijkheidskenmerken, en niet als een reactie op de omgeving waarin ze opgroeien, op moeizame ouder-kindrelaties, op trauma.”

“Welke opties heeft een kind in een moeilijke of uitzichtloze situatie? Ofwel valt het zichzelf aan, ofwel valt het de wereld aan. Zichzelf aanvallen betekent depressie, angst of suïcidegedachten. De maatschappij aanvallen is agressief gedrag en om je heen schoppen. Dat zijn allemaal symptomen van een onderliggend probleem, waar we te vaak de ogen voor sluiten. Ook door tijdsgebrek en procedures.”

Een van de jongeren omschreef het zelf als volgt:

“Ik voelde mij een monster dat moest opgesloten worden. En als ik dan een monster was, dan zou ik laten zien hoe een monster er uitziet.”

Een delictgerichte werking is niet datgene wat ze (het meest) nodig hebben. “Zij hebben nood aan een traject dat tegemoetkomt aan hun complexe noden en beperkingen.”

De tekorten in ondersteuning en hulpverlening lossen we dus zeker niet op door strafmaten strenger te maken en door het volwassenenstrafrecht voor jongeren strikter te vertalen. Het jeugddelinquentierecht kan en mag overigens nooit samenvallen met het volwassenenstrafrecht.

Er moet ingezet worden op verbinding in plaats van repressie, verharding en uitsluiting. En neen, ook bootcamps zijn dus niet de oplossing.

De ‘correctie’ van de uithandengeving blijft op dat vlak ook een belangrijk pijnpunt. Er bestaat twijfel rond de verenigbaarheid van dit systeem met het Kinderrechtenverdrag. Er zijn zelfs indicaties dat de berechting van jongeren als volwassenen contraproductief is, want dit kan leiden tot een hogere graad van recidive.

We zien de ‘adultificatie’ van het jeugddelinquentierecht ook elders terugkomen. Bijvoorbeeld bij de elektronische monitoring (EM).

Of het dragen van een enkelband eigenlijk wel ‘kinderrechten-proof’ is en of het überhaupt ‘evidence-based’ is, daar bestaan momenteel nog ernstige vragen rond. Verder onderzoek zal moeten uitwijzen of het echt werkt.

Een betere evenwichtsoefening tussen het jeugddelinquentierecht en het volwassenenstrafrecht zien we bij de oprichting van de jeugdopvolgingskamers (JOK), al blijft hun toepassingsgebied op dit ogenblik nog behoorlijk beperkt.

Quid overigens met het idee van een volwaardig afzonderlijk jongvolwassenstrafrecht of het uitbreiden van het jeugdrecht naar jongvolwassenen? Nederland en Duitsland zijn bijvoorbeeld landen waar er sprake is van een aparte bejegening van jongvolwassenen.

Dreigen we met een repressievere aanpak overigens niet twee keer dezelfde fout te maken: steeds repressiever in het volwassenenstrafrecht, nu ook in het jeugddelinquentierecht?

De wetgever heeft met haar nieuwe doelstellingen van de bestraffing nochtans een duidelijk signaal gegeven. Daarbij vraagt zij ook om rekening te houden met de ongewenste neveneffecten van de straf voor de omgeving van de gestrafte. Onderzoek wijst uit dat het kinderrechtenperspectief bij straftoemeting en strafuitvoering evenwel slechts beperkt aanwezig is. Kinderen zijn dus ook hier het slachtoffer.

Er zijn nochtans duizenden kinderen die opgroeien met een ouder in de gevangenis. Een aantal jaren geleden werd dat aantal in België op meer dan 17.000 geschat. 17.000 kinderen …

En ouderdetentie is, wat men noemt, een ‘adverse childhood experience’, “een ingrijpende gebeurtenis in de kindertijd die een langdurige negatieve invloed kan hebben op iemands gezondheid en welzijn”. Op korte termijn ervaren kinderen gevoelens van gemis en verdriet, schaamte en verwarring. In de adolescentie kunnen ze vaker last hebben van mentale gezondheidsproblemen. Vooral gedragsveranderingen, -problemen en -stoornissen worden het meest gerapporteerd. Deze kinderen hebben dan ook nog een grotere kans op problemen op school. En jongens met een vader in detentie hebben een verhoogde kans om later zelf in de gevangenis terecht te komen. Door het stigma hebben deze kinderen ook een groter risico om in een sociaal isolement te geraken en hebben ze meer moeite om hechte vriendschapsrelaties te onderhouden. De negatieve effecten kunnen doorwerken tot in de volwassenheid. Alles hangt natuurlijk ook af van de verdere context. Hoorde ik u ‘vicieuze cirkel’ zeggen?

Effectief: de echte uitdaging van het jeugd(beschermings)recht ligt in preventie.

We moeten de vicieuze cirkel doorbreken: van kinderen die hun toekomst door een samenspel van risicofactoren gehypothekeerd zien tot kinderen die door het gebrek aan tijdige en adequate hulpverlening bijkomend blootgesteld worden aan risicofactoren, aan trauma.

Hoe wij als samenleving met kinderen omgaan, bepaalt hun kansen.

De meerderheid van de ‘delinquente’ jongeren in gemeenschapsinstellingen komt uit een kwetsbare situatie, waarin ze zelf slachtoffer zijn.

Jongeren met een rugzak.

Deze realiteit is ook gekend bij de jeugdrechters.

Bij jongeren die strafbare feiten plegen, zien we dat dit vaak een uiting is van een dieperliggend probleem, een hulpkreet.

Professor Mark Bellis (UK), een internationaal gerenommeerd expert, berekende de kostprijs van negatieve jeugdervaringen. De cijfers rond deze ACE’s (Adverse Childhood Experiences) liggen enorm hoog. Vele kinderen die blootgesteld worden aan negatieve jeugdervaringen kampen met problemen op het vlak van mentale en fysiek gezondheid, op korte en lange termijn. Risicogedrag is daarin vaak een copingmechanisme. Door de omvang en levenslange impact kunnen we hier zelfs spreken van een ernstig volksgezondheidsprobleem.

Onveilig opgroeien kan dus diepe sporen nalaten, in lichaam en geest. Het ‘slechte jeugd’-discours komt nu eenmaal niet uit de lucht gevallen.

We moeten daarom evolueren naar een traumasensitieve maatschappij, een maatschappij die erkent dat het meemaken van trauma een impact heeft op je functioneren, op wie je wordt als persoon en op je gezondheid.

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie kost jeugdtrauma België, houd u vast, 6,7 miljard euro per jaar. Professor Bellis verdedigt dus dat elke euro die je in een kind investeert, zich later veelvuldig terugbetaalt.

Werken vanuit het belang van het kind is wel degelijk ook werken vanuit het belang van de maatschappij.

Een win-winsituatie: geef de nodige aandacht en middelen aan jeugdzorg en zelfs het probleem van de overbevolking in de gevangenissen kan zo structureel opgelost worden.

De huidige praktijk: jeugdhulp in crisis – het kind als lijdend voorwerp

Tekorten en tijdsgebrek: ik verwees er eerder al naar. Maar wat betekenen die woorden concreet voor het huidige jeugdbeschermingslandschap?

We zien en horen onder meer de volgende zaken:

  1. Een stijging van het aantal jeugdbeschermingszaken, met een uitgesproken toename van de VOS-dossiers gedurende de laatste 10 jaar.
  2. Een stijging van het aantal dossiers bij de vertrouwenscentra kindermishandeling, die de werkdruk problematisch zien toenemen. Over 11.367 kinderen ontvingen deze centra in 2025 meldingen dat zij mogelijk gevaar lopen door kindermishandeling. Op basis van onderzoek wordt berekend dat jaarlijks ruim 45.000 kinderen in Vlaanderen en Brussel te maken krijgen met kindermishandeling.
  3. Een toename van (erg) jonge kinderen in gesloten ‘voorzieningen’.
  4. Een stijging van de druk op de jeugdinstellingen.
  5. Een aanhoudende stijging van het aantal crisisaanvragen. In november 2025 werd vanuit de jeugdrechtbanken in Antwerpen en Limburg nog gecommuniceerd dat 4 op de 10 crisismeldingen voor jongeren geen gevolg krijgt door plaatsgebrek. Ondertussen zou dit cijfer nog significant gestegen zijn, zo blijkt uit recente gesprekken met magistraten.
  6. Duizenden jongeren die op een wachtlijst staan binnen de jeugdzorg; er zijn lange wachtlijsten voor vrijwel alle maatregelen. De kinderrechtencommissaris benoemt het als “schrijnend lange wachtlijsten die steeds dieper inhakken op de rechten van kinderen en jongeren”. Haar rapport verwijst ook naar extreme gevallen van kinderen met een zware problematiek die naar huis gestuurd worden wegens plaatsgebrek in de jeugdhulp, of jongeren die in crisissituaties in ziekenhuizen of zelfs rusthuizen moeten verblijven wegens geen plaats in de jeugdhulpvoorziening.
  7. Hoge cijfers van jongeren met mentale problemen, waarbij steeds jongere kinderen met steeds complexere problemen voor extra uitdagingen zorgen; in 2023 werd door de Vlaamse Vereniging van Kinderpsychiaters berekend dat er 23.749 kinderen en jongeren op een vorm van hulp wachtten.
  8. Een structureel personeelstekort en een hoog personeelsverloop binnen de jeugdzorg.

Al méér dan 20 jaar wordt er gewezen op een chronisch plaatstekort binnen de jeugdzorg en op de druk op de gemeenschapsinstellingen.

Het moge duidelijk zijn: er is sprake van een crisis binnen de jeugdhulp.

Na jaren van alarmerende berichtgeving in de media en hallucinante rapporteringen vanuit allerlei betrokken organisaties en instellingen vond de rechtbank in Brussel het welletjes: op 20 april 2026 werd de Vlaamse gemeenschap veroordeeld wegens het falen van het systeem binnen de Vlaamse jeugdzorg. Dit vonnis is de kroniek van een aangekondigde dood.

Gezien het belang ervan sta ik er graag wat langer bij stil.

De feiten zijn, zoals wel vaker binnen het jeugdrecht, bijzonder schrijnend. Een liefdevol gezin adopteert een babyjongetje. Vanaf de kleuterklas al wordt duidelijk dat het kindje met moeilijkheden kampt. De ouders gaan meteen op zoek naar hulp. Een diagnose van DMDD (disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis), hechtingsmoeilijkheden en separatieangst wordt gesteld.

Een jarenlang hulpverleningstraject wordt gestart, maar kent een moeizaam verloop. Ettelijke wachtlijsten dienen zich aan. Tot vier keer toe wordt een prioritaire aanvraag voor een plaats in een multifunctioneel centrum (MFC) ingediend, een plaats waarvan men het erover eens is dat die nodig én noodzakelijk is voor de jongen in kwestie. Evenveel keren wordt die aanvraag afgewezen. De motivaties daartoe zijn, op zijn zachtst gezegd, bedenkelijk te noemen. Het voorspelbare gebeurt: escalatie thuis en op school, met alle gevolgen van dien. De jeugdrechter wordt bij hoogdringendheid door het parket gevorderd wegens een “acute verontrustende situatie” in toepassing van het decreet Integrale Jeugdhulp. De jongen wordt van crisisverblijf naar gemeenschapsinstelling en terug geslingerd. Pas drie jaar na de eerste aanmelding op de wachtlijst start hij eindelijk in het multifunctioneel centrum …

De ouders, moedige mensen, nemen juridische stappen en stellen zowel de Vlaamse decreetgever als de uitvoerende macht aansprakelijk. Wat de decreetgever betreft, verwijten zij haar onder meer de schending van de Grondwet, evenals van het EVRM en het IVRK. Dit houdt het verwijt in dat een wettelijk kader in stand wordt gehouden dat structurele tekorten niet corrigeert. Dit argument volgt de rechtbank niet, want de decretale regeling is niet het probleem. De rechtbank meent voor deze stelling grond te vinden in het arrest van het Grondwettelijk Hof van 29 augustus 2019, waarin wordt geoordeeld dat tekortkomingen in de uitvoering niet aan de decretale regeling als zodanig kunnen worden verweten, maar aan de uitvoering ervan. Daar is iets voor te zeggen, want in het decreet Integrale Jeugdhulp lijken al de nodige ‘wettelijke’ waarborgen verankerd te zijn en, zo zegt de rechtbank, de overheidsmiddelen zijn nu eenmaal niet onbeperkt. Artikel 6 van het decreet Integrale Jeugdhulp verwijst expliciet naar “het beschikbare jeugdhulpaanbod en de beschikbare kredieten”.

Persoonlijk wil ik hier toch de volgende bedenking maken: is dat zo? Valt de veiligheid van een kind te begrenzen door de beschikbaarheid van overheidsmiddelen? Moet het uitgangspunt niet zijn dat het recht op jeugdhulp gegarandeerd moet zijn, los van het beschikbare aanbod en/of krediet? Kinderrechten mogen toch niet onderhandelbaar zijn?

Dit gezegd zijnde, heeft de rechtbank te Brussel wél een fout weerhouden in hoofde van de uitvoerende macht. De uitvoerende macht heeft niet de inspanningen geleverd die van een normaal zorgvuldige overheid verwacht mochten worden. Voor die argumentatie vindt de rechtbank steun in het jaarverslag 2022-2023 van het Kinderrechtencommissariaat dat, toen al, waarschuwde dat “de hele keten van de jeugdhulp dreigt uiteen te vallen” en melding maakt van een lawine aan escalaties en een systeem dat op ad-hoc-oplossingen draait. De rechtbank maakt nog een mooie strik rond haar redenering door te verwijzen naar de oprichting van een taskforce door de Vlaamse regering en de goedkeuring van een crisisplan op 31 maart 2023: want, wie een crisisplan opstelt, erkent namelijk impliciet dat er een crisis is. Logisch, toch?

Besluit: de rechtbank acht het bewezen dat de Vlaamse gemeenschap “foutief handelde door de systeemcrisis in de jeugdhulp in stand te houden, of nog, door niet tijdig adequate maatregelen te treffen om aan deze crisis te verhelpen, wat in het concrete geval resulteerde in het onredelijk lang uitblijven van een plaats in een MFC”.

De Vlaamse gemeenschap kan zich nog net troosten met de gedachte dat zij niet veroordeeld werd voor een inbreuk op artikel 3 EVRM, al dankt zij dat aan de mensen op het terrein, de hulpverleners en de oeverloze inspanningen die zij geleverd hebben om het belang van het kind als primordiaal uitgangspunt te blijven vooropstellen.

Dit is geen uitzonderlijk verhaal. Het vonnis legt het systeemfalen bloot.

Dit is de harde dagelijkse praktijk voor zovele kinderen, ouders, opvoeders en begeleiders. Voor magistraten en advocaten.

Dit kan toch zo niet verder?

Het systeem is zelf deel van het probleem geworden. Door het structurele falen ontstaan bijkomende trauma’s en worden de problemen erger. Waar we al erkennen dat er hulp moet zijn, slagen we er vaak niet in die tijdig en voldoende te bieden.

Begeleiders doen hun uiterste best om jongeren te geven wat zij nodig hebben, maar botsen voortdurend op grenzen die hen verhinderen om hun job deftig te kunnen doen.

Onze Vlaamse minister van Welzijn erkent anno 2026 dat de jeugdhulp onder “zware druk” staat. Haar collega, de Vlaamse minister van Justitie, (her)bevestigt in dezelfde zin de druk op de gemeenschapsinstellingen.

Er wordt hoop gegeven met beleidsplannen en conceptnota’s, maar er is “meer nodig dan woorden en ambitieuze plannen”.

Ondanks de beleidsaandacht blijft dat wat wij vandaag doen dus niet genoeg is.

De hamvraag blijft ook wanneer de extra aangekondigde plaatsen en capaciteit er komen en of die oplossingen structureel en duurzaam genoeg gaan zijn.

De Vlaamse kinderrechtencommissaris is duidelijk: er is géén tijd meer, terwijl de factor ‘tijd’ in een kinderleven net gigantisch is.

De pijnlijke realiteit is dat het systeem ondertussen blijft falen in individuele dossiers, voor de jongeren die vandaag hulp nodig hebben.

Werken in de jeugdzorg voelt voor velen aan als een zware, bijna onmogelijke taak. Hulpverleners vragen zich openlijk af hoelang ze dit werk op deze manier kunnen blijven doen. Het is dweilen met de kraan open.

De vraag is wat de verankering van kinderrechten dan nog waard is binnen een systeem dat structureel faalt.

Jeugdrechters worden ‘vleugellam’ gemaakt en kaarten al jaren het gebrek aan plaatsen in voorzieningen en gemeenschapsinstellingen en het gevolg daarvan aan: jongeren krijgen simpelweg niet de hulp en begeleiding die ze nodig hebben. Een jeugdrechter zou erop moeten kunnen rekenen dat er altijd onmiddellijk en adequaat hulp geboden kan worden. Dat is gewoonweg niet de realiteit.

Zelfs het principe van de scheiding der machten staat onder druk.

In 2025 besliste het hof van beroep te Gent dat een gebrek aan aanbod door het Agentschap Opgroeien of een plaatsgebrek “geen element vormt dat eigen is aan het dossier en dat regelmatig in de oordeelsvorming kan worden betrokken en dus niet voor gevolg kan hebben dat de jeugdrechter niet de meest passende maatregel zou uitspreken. De werkelijke uitvoering van maatregelen is de verantwoordelijkheid van de uitvoerende macht, niet van de jeugdrechter”, zo stelt het hof.

Deze discussie werd ook al gevoerd op het niveau van het Grondwettelijk Hof: de jeugdrechter beslist, de jeugdhulpregie is slechts “een instrument voor de jeugdrechter om de maatregel die hij gepast acht tot uitvoering te brengen en om te onderzoeken waar het gepaste jeugdhulpaanbod voorhanden is.”

Allemaal goed en wel, maar wat is hier dan finaal in het belang van de minderjarige? Rechterlijke beslissingen hebben toch slechts nut indien ze daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd?

En wat met de scheiding tussen de minderjarigheid en de meerderjarigheid?

Wie is er vandaag ‘volwassen’ op 18 jaar? Welke 18-jarige kan er echt voor zichzelf zorgen? Moeten we de beschermende paraplu van het jeugdrecht niet langer openlaten en kinderen vooral langer tijd geven om te helen?

Uitstromers uit de jeugdhulp worden nu aan hun lot overgelaten, met een verhoogd risico op dakloosheid of woononzekerheid tot gevolg. Verbaast het u dan dat ongeveer 1 op de 5 dak- en thuislozen jongeren tussen 16 en 25 jaar jong zijn?

Ook hier zijn er helaas gekende situaties. U herinnert zich vast nog het schrijnende verhaal van Jordy, die op zijn 18 jaar de deur van de jeugdinstelling achter zich dicht trok om dan op amper 19 jaar te sterven van honger en ontbering, moederziel alleen in een tentje op een Gents recreatiedomein. Dit was afgelopen zomer exact 10 jaar geleden.

De advocaat van de minderjarige: een atypische advocaat?

Hoe moeten wij, als jeugdadvocaten, onze rol zien binnen dit alles?

Als advocaat, ook als jeugdadvocaat, moeten wij ervoor zorgen dat de persoonlijke zienswijze van de minderjarige veruitwendigd wordt, tenminste voor zover de minderjarige voldoende onderscheidingsvermogen bezit. Jeugdadvocaten staan de minderjarige bij in alle onafhankelijkheid en met respect voor het beroepsgeheim en wij helpen de minderjarige om zijn standpunt te formuleren, wat niet per definitie hetzelfde standpunt is als dat van de jeugdadvocaat.

De meesten vullen de rol van jeugdadvocaat inderdaad in vanuit het model van die ‘avocat défenseur’: de advocaat waakt over het respecteren van de rechten van de minderjarige en van de belangen van de minderjarige zoals geformuleerd door de minderjarige zelf.

De vraag naar de ‘beste oplossing’ voor de minderjarige staat hier dus niet per definitie centraal.

In de praktijk is dat niet zo eenvoudig.

Want wat bij kinderen die dat onderscheidend vermogen niet bezitten of die bijzonder kwetsbaar zijn?

En wat als wat een kind zegt niet is wat het kind eigenlijk bedoelt? Of wanneer het gewoon niets zegt?

De jeugdadvocaat lijkt eerder een atypische advocaat te zijn.

Ik verklaar mij nader.

Ten eerste zijn er verschillende bepalingen, zowel internationaal, nationaal als binnen de deontologie, die voorschrijven dat de advocaat die een minderjarige bijstaat in het kader van het jeugdrecht, minstens bij voorrang, daarvoor een specifieke opleiding gevolgd heeft. De OVB heeft zo een gespecialiseerd opleidingsprogramma uitgewerkt, zijnde de bijzondere opleiding jeugd- en kinderrechten. Het statuut van de jeugdadvocaat kent dus een wettelijke basis.

Ten tweede is het zo dat de minderjarige alleszins automatisch de volledige kosteloosheid in het kader van de tweedelijnsbijstand geniet. De inrichting van eigen jeugdpermanenties draagt ook bij aan deze rechtsbescherming.

Een derde belangrijk principe is dat eens een jeugdadvocaat is aangesteld, deze de minderjarige blijft volgen tot aan de meerderjarigheid, en zelfs verder. Zo kan er een vertrouwensband opgebouwd worden. Jeugdadvocaat zijn houdt dus in feite een engagement in waarbij de advocaat de minderjarige continu hulp en bijstand verschaft tot aan de meerderjarigheid dan wel tot aan de opheffing van de maatregelen.

Aan mijn zoektocht naar de concrete invulling van dat engagement houd ik vooral de volgende twee kernprincipes over:

  1. Kinderen willen gezien en gehoord worden. Wij moeten luisteren naar kinderen en connectie maken.
  2. Voorspelbaarheid is belangrijk. Kinderen willen weten wat er komt, wat er kan, wat hun rechten zijn. Zij willen, op een betrouwbare wijze, geïnformeerd worden.

Vanuit die invulling is het dan ook essentieel dat de minderjarige binnen het jeugdbeschermingsrecht maximaal én zo snel mogelijk het recht op bijstand van een jeugdadvocaat kan genieten, ook in het kader van het buitengerechtelijk hulpverleningstraject.

Het is belangrijk dat de verschillende partners de meerwaarde van de jeugdadvocaat begrijpen, zodat deze ook actief mee(r) betrokken wordt.

Dat engagement vraagt ook wel heel wat van de jeugdadvocaat zelf, zeker omdat jeugddossiers emotioneel zwaar en menselijk complex kunnen zijn.

Binnen een systeem dat voor alle betrokkenen onder zware druk staat delen jeugdadvocaten onmiskenbaar de gevoelens van verontwaardiging, boosheid, frustratie, droefheid en onmacht die de vele andere actoren binnen de jeugdhulp ongetwijfeld ook voelen.

Niet alleen de hulpverleners, maar ook jeugdmagistraten en jeugdadvocaten verdienen respect en waardering voor de moeilijke omstandigheden waarin zij hun job proberen te doen.

Ik hoop dat de tijd dat er ietwat neerbuigend gekeken werd naar het jeugdrecht definitief voorbij is.

Het moet worden gezegd: jeugdadvocaat zijn of blijven, het lijkt vaak meer een roeping.

Bart DE SMET, thans advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie, omschreef het, voor mij passend, als volgt:

“Jeugdmagistraten, advocaten en hulpverleners krijgen al eens bezorgde blikken van familie of vrienden, in de zin van “hoe hou je dit vol, met al die miserie?” Er is veel leed en mislukking in onze sector, maar ook geluk, boeiende ontmoetingen, herstel. Wij kennen allemaal jongeren die uit een diep dal kruipen. Die mits de nodige begeleiding, als steun in de rug, rechtveren, openbloeien, uitgroeien tot fijne volwassenen, met een warme persoonlijkheid. Af en toe kan de jeugdrechter rekenen op complimenten van ouders. De vlam in elk van ons, die door stress en tegenslag kan uitdoven, laait door deze mooie momenten op. Wat is er mooier dan de lach van een kind? Daarbij verbleken alle academische discussies.”

Ik geloof dat in de huidige systeemcrisis onze rol als jeugdadvocaat belangrijker is dan ooit.

We moeten onze rol blijvend versterken binnen een justitie die meer kindvriendelijk moet zijn én worden. Vanuit onze balies moeten wij samen en verenigd verder blijven strijden voor de rechten van onze minderjarigen, zoals verschillende confraters dat overigens reeds decennialang doen en gedaan hebben.

Pleidooi voor revolutie: gezien en gehoord ‘zijn’

“There is no field where the demand for justice is stronger than that of juvenile justice…”

“We moeten allemaal onze rol spelen als het gaat om de bescherming van kinderen.” Want “it takes a village to raise a child”: het opvoeden en ondersteunen van jongeren is niet de taak van één persoon of instantie, maar van een hele gemeenschap.

Jeugdbeschermingsrecht gaat nooit over recht alleen. Het gaat om kinderen die onze hulp nodig hebben om veilig te kunnen opgroeien. Daarin falen wij elke dag als maatschappij.

We hebben méér nodig, méér dan enkel plannen, goede bedoelingen en ad-hocinitiatieven of -projecten.

Méér (betere en gerichtere) effectmetingen, meer onderzoek, meer vroegdetectie- en signaleringsmechanismen, meer investeringen – in mensen én middelen, een betere verdeling van de middelen, meer samenwerking en afstemming, meer transparantie en toegankelijkheid, meer sensibilisering en destigmatisering, want de situatie waarin deze jongeren zich bevinden bepaalt hun identiteit niet.

Méér …

Dit houdt ook (veel) meer preventie in.

Preventie betekent niet alleen bestaande problemen bij kinderen tijdig en adequaat aanpakken, het betekent ook proberen jongeren te behoeden voor problemen.

Denken we bijvoorbeeld aan het aanpakken van: sociale media, pesten en geweld op school en dit binnen een ruimer kader van de geestelijke gezondheidszorg bij jongeren, capaciteitstekorten en gebrek aan ondersteuning in het onderwijs, bestrijden van racisme en discriminatie en zorgen voor meer inclusie van kinderen met een extra kwetsbaarheid, bestrijden van armoede binnen de gezinnen.

Deze crisis binnen het domein van het jeugd(beschermings)recht staat helaas niet geïsoleerd, ook niet binnen justitie.

Zij kadert binnen een breder debat dat daar het afgelopen jaar meermaals werd gevoerd: het is vijf voor twaalf. Magistraten klagen de aanhoudende structurele verwaarlozing van justitie aan. In een open brief van een aantal magistratenverenigingen wordt terecht benadrukt dat justitie geen kostenpost is, maar een voorwaarde van democratie en sociale vrede.

Ook de crisis binnen de jeugdzorg werd daar door de magistraten aangekaart.

“We stevenen af op het failliet van de rechtsstaat als hier geen verandering in komt… We hebben dit al zo vaak aangekaart, maar nu is de grens bereikt. Het moet gewoon anders”, gaf Antwerps procureur-generaal Guido Vermeiren aan.

Ook Bart Willocx, eerste voorzitter van het hof van beroep te Antwerpen, beaamt dit:

“Wanneer een rechter een kind wil beschermen maar de uitvoering onmogelijk is, wordt rechtspraak fictie. Dat raakt de kern van onze opdracht: zorg bieden waar gevaar dreigt. We kunnen geen kinderen beschermen als het systeem geen plaats meer heeft.”

Onze rechtsstaat staat onder immense druk door al die structurele problemen die al geruime tijd aangekaart worden vanuit alle hoeken van het justitieel spelersveld. Zijn wij als maatschappij bereid de consequenties daarvan te blijven aanvaarden?

Hoe kunnen we die maatschappelijke erkenning krijgen die we zo nodig hebben om deze crisis écht aan te pakken?

Ik hoop, met deze rede, hiertoe een steentje te kunnen bijdragen.

Een ervaringsdeskundige en ambassadeur bij SOS Kinderdorpen hoorde ik pleiten voor revolutie. Een transformatie, waarbij we vertrekken vanuit de basis, van onderuit: de kinderen zelf en de begeleiders op het terrein.

Wát hebben kinderen nodig zodat zij krijgen waar zij recht op hebben en wat hebben begeleiders en hulpverleners nodig om dat te helpen bereiken?

Ook ik pleit voor die revolutie. Voor een snelle, ingrijpende en blijvende verandering die het jeugdbeschermingsrecht vraagt en verdient.

Ik schuif daarin alvast vijf zaken naar voren:

  1. Het (verder) afstand nemen van de leeftijdsgrens van 18 jaar als vaste bovengrens binnen het toepassingsgebied van het jeugdbeschermingsrecht: ook voor jongeren boven de 18 jaar moet bekeken worden hoe en onder welke omstandigheden het jeugdbeschermingsrecht nog van toepassing kan zijn.
  2. Het mogelijk maken van écht op maat uitgewerkte trajecten, waarbij meer tijd en aandacht aan de individuele jongere besteed kan worden, zonder te veel hokjesdenken (VOS, MOF …) en zonder te strakke procedures. Ik denk aan kleinere, flexibele leef- en woongroepen en -vormen, meer aangepaste schoolprogramma’s en vrijetijdsbestedingen, meer een-op-een-contacten met individuele begeleiders, hulpverleners, ouders (mama én papa), zorgfiguren en vrienden, meer aangepaste en complexe, multidisciplinaire begeleidingsvormen. Kortom: echte zorg op maat, waarin het welzijn en de veiligheid van het kind centraal staan. Dit betekent ook snel en, waar nodig, ingrijpend kunnen tussenkomen.
  3. Véél meer inzetten op (vroeg)signalering en preventie.
  4. Het versterken en verruimen van het recht op bijstand van een jeugdadvocaat voor alle minderjarigen.
  5. Het wettelijk verankeren, én effectief beschermen, van minstens twee extra kinderrechten: (i) het recht op een geweldloze opvoeding – waar al langer naar gevraagd wordt; en (ii) het recht op affectieve warmte.

Ik pik dit laatste er nog even uit, want dit is fundamenteel: het recht op affectieve warmte is méér dan het, reeds voorziene, recht op bescherming tegen emotionele verwaarlozing of mishandeling en het recht op (een gezonde emotionele) ontwikkeling. Het is een basisbehoefte voor een kind, een fundamenteel recht. Het verankert de nabijheid en betrokkenheid waar kinderen zo behoefte aan hebben. De vraag naar meer menselijkheid.

De effectieve bescherming van dit recht vraagt een shift in wat begeleiders en instellingen moeten kunnen voorzien als basis voor kinderen.

Ik geloof dat we als maatschappij kinderen het gevoel van affectie, troost, nabijheid en begrip als basis kunnen geven, MOETEN geven. Samen met het recht op zorg, veiligheid en bescherming moet dat recht op affectieve warmte de hoeksteen zijn van het volledige jeugdbeschermingsrecht.

Dit vraagt cruciale aanpassingen op het gebied van voorzieningen en instellingen, personeel, planning en begeleidingsprogramma’s. Er moet ook fundamenteel anders nagedacht worden over de invulling van geslotenheid, waarbinnen kinderen zich nu al te vaak ongelukkig en (extreem) eenzaam voelen. De terugkoppeling naar de hiervoor vernoemde zorg op maat maakt de cirkel rond.

De verankering van dit recht op affectieve warmte zal ons ertoe dwingen grondig na te denken over hoe dit vorm kan krijgen en praktisch ingevuld kan worden, voor kinderen met én zonder gezin, familie of steunfiguren.

Daarin moeten wij investeren massaal, ingrijpend én onmiddellijk.

Voor Raul, voor Hamza, voor Alexander, voor Jordy en nog zovele anderen …

Een pleidooi voor revolutie. We horen en zien, maar we zwijgen niet meer.

Want we zijn het onze kinderen verplicht om het beter te doen.

​Mr. Joke Bleys, Advocaat Counsel bij Desdalex

Openingsrede ter gelegenheid van de Plechtige openingszitting van de Conferentie bij de Balie Antwerpen op vrijdag 16 oktober 2026.

Deze tekst werd opgemaakt en gedrukt door Larcier-Intersentia. De volledige versie inclusief alle voetnoten is hier te downloaden.

  • Joke Bleys

    Joke Bleys is sinds oktober 2008 advocaat aan de Balie van
    Antwerpen. Als advocaat counsel bij Desdalex Advocaten behartigt ze
    dossiers in het strafrecht en het jeugdrecht.

    Al tijdens haar studies specialiseerde ze zich in de
    rechtsgebieden strafrecht en strafprocesrecht. Zo behaalde ze na
    haar Master in de Rechten nog een Master in de Criminologische
    Wetenschappen.

    Ze behaalde in 2015 het getuigschrift van de bijzondere opleiding
    Cassatieprocedure in Strafzaken. Een jaar later slaagde zij ook voor
    de Bijzondere Opleiding Jeugdrecht.

Recente Jobs

Manager
Finance
5+ jaar
Oost-Vlaanderen
Advocaat
Ondernemingsrecht Vennootschapsrecht Bouwrecht
0 - 3 jaar
Brussel Vlaams-Brabant
Management Assistent
Ondernemingsrecht
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen
Juridisch adviseur
Commercieel recht
1 - 4 jaar
Oost-Vlaanderen
Notarieel jurist
Notariaat
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *