Een repliek op de column van Romy Geysen, “Hoe de laatst te overwegen straf de meeste impact heeft” (Jubel, 16 oktober 2026), geschreven vanuit het perspectief van een vader wiens dochter om het leven werd gebracht. Het perspectief is gekozen; elke gelijkenis met een bestaande situatie is fictief.
De kamer
Op zaterdag 10 oktober 2026 ging een advocate vrijwillig in een cel van De Kade, om te ondervinden wat detentie met een mens doet. Een dag later ging ze naar huis. Wat zij die twee dagen inleverde, kreeg ze terug. Wat wij inleverden, komt niet terug.
Bij ons is dat onze dochter. Ze was twintig. Wat wij kwijt zijn, kent geen einddatum. Dat is wat een experiment per definitie niet kan nabootsen: het definitieve.
Ik bracht datzelfde weekend door zoals ik al achttien maanden elk weekend doorbreng: op de kamer van mijn dochter, met de deur dicht.
Een routine die ik nooit meer terugkrijg
De gevangene werd ’s ochtends in de grootkeuken verwacht, en daar verliep volgens haar alles gestroomlijnd. Haar dag vloog voorbij. Ze had de hele tijd sociaal contact. Ze voelde zich nuttig. ’s Avonds was er de wandeling buiten en kon ze samen met medegedetineerden nadenken. Het personeel was behulpzaam en vriendelijk. De cel was ruim en alles was aanwezig. Ze beschrijft ook het andere: de gsm die ze moest afgeven, de fouilleringen, het luikje waardoor iemand komt kijken, het tijdsbesef dat wegvalt, de avonden alleen op cel.
Ik lees dat eerste rijtje en ik herken er geen straf in. Ik herken er een dag in. Structuur, werk, collega’s, buitenlucht, mensen om mee te praten, iemand die langskomt om te kijken of alles in orde is. Dat is vrijwel exact de lijst van wat al achttien maanden uit mijn leven verdwenen is. Mijn dagen vliegen niet voorbij. Ik voel mij niet nuttig. Niemand komt dagelijks kijken.
Daarmee ontken ik niet wat zij wel voelde. Het verlies van controle, de deur die een ander opent, het gevoel geleefd te worden: dat is echt en dat is zwaar. Maar het ligt wel ingebed in een leven dat intussen gewoon doorloopt, met een kalender die weer van haar is zodra de poort opengaat. Er werd dat weekend dus één soort eenzaamheid gemeten, en het was niet de mijne. Niemand organiseert een testweekend op haar kamer. Dat kan ook niet: wat na te bootsen valt, krijgt gewicht in het debat, en wat definitief is, verdwijnt eruit.
Als de redenering is dat wie over opsluiten oordeelt, moet weten wat dat inhoudt, dan geldt ze ook in de andere richting
Als de redenering is dat wie over opsluiten oordeelt, moet weten wat dat inhoudt, dan geldt ze ook in de andere richting. Wie over alternatieven oordeelt, moet weten hoe een dag eruitziet wanneer er iemand nooit meer terugkomt. Daar is geen weekend in een cel voor nodig. Een avond aan onze keukentafel volstaat.
Wat artikel 27 werkelijk zegt
Het nieuwe Strafwetboek wordt vaak teruggebracht tot één zin: de gevangenisstraf is de laatst te overwegen straf. Dat staat er. Ik heb het artikel laten uitleggen door iemand die er verstand van heeft, en het daarna zelf nagelezen aan de keukentafel, met de deur boven dicht. Die zin staat er pas in de vierde alinea. Wat ervoor komt, heeft niemand mij ooit voorgelezen.
De wet geeft de rechter eerst vier opdrachten mee. Hij moet laten zien dat de samenleving afkeurt wat er gebeurd is. Hij moet het herstel bevorderen, van het evenwicht in de samenleving en van de schade die het misdrijf heeft aangericht. Hij moet de dader helpen om terug te keren. En hij moet de samenleving beschermen. Ik las die vier opdrachten en bij twee ervan dacht ik: dat gaat over ons. De afkeuring is die van de samenleving en niet de mijne, maar ze is wel de reden waarom een vonnis iets anders is dan een factuur. En de schade die hersteld moet worden, is de schade die hier in huis is.
Dan komt een stuk dat ik eerst oversloeg. De rechter moet ook wegen wat een straf kapotmaakt, voor de betrokkenen, hun omgeving en de samenleving. Ik dacht: dat stuk is voor hem geschreven. Zijn ouders, zijn werk. Maar er staat niet de dader. Er staat de betrokkenen. Wij zijn betrokkene. De straat waar het gebeurde is omgeving. Men heeft mij uitgelegd dat het hoogste hof in maart over bijna dezelfde woorden in een andere wet heeft beslist dat de rechter er niets over hoeft te zeggen zolang hij er zelf niet over begint. Hij heeft daar dus iemand die spreekt, en wij hebben daar niemand. Mijn bezwaar gaat niet over wat er staat. Het gaat over wie erover mag beginnen.
Pas daarna komt de zin waar het debat mee begint: opsluiten alleen als het niet anders kan. Ik snap dat sommigen daaruit lezen dat de cel de uitzondering wordt, en ik ga daar niet tegenin. Maar de wet maakt die uitleg maar op één plaats verplicht: bij de lichtste feiten waarvoor opsluiten nog kan. Daar moet de rechter die toch voor de cel kiest, zeggen waarom het niet anders ging. Hogerop, waar ons dossier ligt, hoeft de rechter dat niet apart uit te leggen, en daar is de gevangenis ook gewoon de straf waar de wet van uitgaat. Wie die ene zin uit het artikel trekt en op elk dossier plakt, ook op het onze, verzwijgt dat.
Zelfs levenslang heeft een horizon
Een gevangenisstraf, ook de zwaarste, moet uitzicht bieden op vrijlating. Dat heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 2013 beslist, in de zaak Vinter tegen het Verenigd Koninkrijk: wie levenslang krijgt, moet ergens een deur hebben, echt en niet alleen op papier, en iemand moet ooit opnieuw naar hem kijken. In de praktijk van andere landen zag het Hof steun voor een eerste herbeoordeling na uiterlijk vijfentwintig jaar, zonder daar een regel van te maken. Vijfentwintig jaar. Mijn dochter zou dan tegen de vijftig lopen. Een van de rechters noemde het in haar aparte opinie het recht op hoop. Ik heb dat woord lang bekeken. België is in 2014 zelf veroordeeld, in de zaak Trabelsi, omdat het iemand had uitgeleverd aan een land waar die deur niet bestond.
Ook bij ons is levenslang niet levenslang. Wie dertig tot veertig jaar kreeg, of levenslang, kan na vijftien jaar vragen om voorwaardelijk vrij te komen, en pas later als hij al eerder zwaar veroordeeld was. Ik zeg er eerlijk bij dat de wet dat in 2013 strenger heeft gemaakt en niet soepeler: die deur bestond al, ze is alleen verder weg gezet.
Ik weet dat de rechter die de straf uitspreekt en de rechtbank die later over zijn vrijlating beslist, twee verschillende mensen zijn, met twee verschillende wetten. Maar aan onze kant zit bij allebei dezelfde stoel leeg. Straatsburg zegt dat zelfs de zwaarste straf een horizon moet hebben en af en toe opnieuw bekeken moet worden. Aan onze kant is er geen horizon, en er is niets om opnieuw te bekijken.
Niet dat de wet ons vergeet. De wet die zijn vrijlating regelt, heeft ons zelfs in haar naam staan: de rechten van het slachtoffer. En die bestaan. Wie het schriftelijk vraagt, wordt op de hoogte gehouden en mag komen zeggen welke voorwaarden wij nodig hebben, en de rechtbank kan die opleggen. Wordt het verzoek van de dader afgewezen, dan komt het dossier later terug en mogen wij opnieuw komen spreken. Voor wie weet dat dat kan, maakt het verschil. Maar het blijft procedure rond zijn traject. Aan zijn kant staat een moment waarop iemand opnieuw weegt of hij nog vast moet zitten. Aan de onze staat niets. Niemand belt. Er komt geen brief waarin staat dat het voorbij is.
Wanneer dan geschreven wordt dat een gevangenisstraf niet te lang mag duren, klinkt dat alsof de duur van het leed een beslissing is. Aan zijn kant is dat ook zo. Aan de onze niet.
Een capaciteitsprobleem is geen rechtvaardigheidsargument
Over de cijfers ga ik niet redetwisten, want wat ze tonen is niet te verdedigen. In maart telden de gevangenissen 13.580 mensen voor 11.296 plaatsen, en twee weken later sliepen er 701 op een matras op de grond, meer dan ooit. De raad die toezicht houdt op de gevangenissen schrijft zelf in zijn jaarverslag dat het alleen maar erger wordt, en de Raad van Europa zegt al jaren dat België hierin faalt. Dat is beschamend. Ik heb niets te winnen bij een cel waarin iemand op de grond ligt, ook niet als hij het is. Diezelfde Raad vraagt België om minder mensen op te sluiten in plaats van meer cellen te bouwen. Voor wie in voorhechtenis zit of een korte straf kreeg, ga ik daarin mee. Voor wat hier gebeurd is, niet.
Maar uit te weinig plaatsen volgt niet te veel straf. Dat is een verhaal over begrotingen en bouwplannen dat zich voordoet als een verhaal over rechtvaardigheid. Dat de overheid er al decennia niet in slaagt mensen menswaardig op te sluiten, is geen eigenschap van mijn dossier. Het is een eigenschap van die overheid.
En de rekening komt bij ons. Als het aantal bedden de echte reden wordt voor vervroegde vrijlating, enkelbanden en korte straffen die niet worden uitgevoerd, dan betalen wij twee keer: een keer voor het misdrijf en een keer voor een beleid waarover ons nooit iets gevraagd is. Dat een nieuwe gevangenis het probleem niet oplost, klopt. Dat de oplossing dan maar minder straf moet zijn, volgt daar niet uit.
De alternatieven, gezien vanaf onze kant
Drie voorstellen uit die column lijken redelijk zolang je ze van één kant bekijkt, en één ervan is intussen geen voorstel meer.
Het eerste is om wie zijn voorwaarden schendt, een langere proeftijd te geven in plaats van hem terug te halen. Maar die voorwaarden zijn er vaak voor de andere kant, voor wie het wel overleefde. Een contactverbod of een straatverbod is geen begeleiding voor hem. Het is de reden waarom een vrouw op zaterdag weer durft te gaan winkelen. Wie daarop antwoordt met meer tijd, legt het risico bij haar.
Het tweede is om de enkelband de regel te maken. Dat is sinds 1 oktober de wet. Wie zes tot achttien maanden moet zitten, krijgt hem voortaan vanzelf, en wie tot tien jaar kreeg, krijgt hem voor de laatste achttien maanden. De wet zet daar een lijst van uitzonderingen naast, onder meer voor een reeks zware misdrijven en voor drugsfeiten, en ik was daar dankbaar voor. Tot ik verder las. Voor de kortste straffen mag de Koning die uitzonderingen opzijschuiven zodra er geen menswaardige slaapplaats meer is voor iedereen. Zo staat het er. Dat raakt mijn dossier niet, hij kreeg meer dan dat. Maar het principe staat er wel: wat de wet aan onze kant beschermt, geldt onder voorbehoud van het aantal bedden. Het jaar voordien moest de wetgever al apart in de wet zetten dat een enkelband niet mag worden uitgevoerd op het adres van het slachtoffer. Twee keer op rij is het alternatief afgeschermd zodra wij in beeld kwamen, en nu is die afscherming, voor wie minder kreeg dan hij, zelf voorwaardelijk. En als het ooit zover komt, betekent een enkelband in een gemeente van zesduizend inwoners dat hij zijn straf thuis uitzit, op twee kilometer van deze kamer.
Het derde is dat een werkstraf of een zware boete voor wie hervalt vaak harder aankomt. Misschien. Dat is een bewering over mensen en die vraagt cijfers. Eén ding wringt: een werkstraf kan alleen als de beklaagde ermee instemt, zelf of via zijn advocaat. Men heeft mij verteld dat dat niet is omdat dwangarbeid verboden is, maar omdat het anders niet lukt. Een straf waarvoor de dader eerst ja moet zeggen, is een wonderlijke manier om afkeuring uit te spreken.
Wat ik wel vraag
Ik vraag geen wraak. Wraak is een gevoel en geen beleid, en ik weet dat met mijn gevoel geen wetboek geschreven mag worden. Ik geloof ook echt dat lang opsluiten mensen slechter maakt, en dat wie slechter buitenkomt een volgend slachtoffer maakt. Dat argument is ook het mijne.
Wat ik vraag, is dat men de hele rekening maakt. Dat wie pleit voor minder cel ook zegt wat daar tegenover staat, en niet alleen wat een cel kost. Dat de stoel die leeg blijft meetelt, want die staat aan onze kant en niet aan de zijne. Dat de afkeuring en het herstel uit artikel 27 niet alleen op papier bestaan. En dat een slachtoffer in de strafuitvoering meer is dan een adres dat vermeden moet worden.
Ik vraag ook dat men beseft wat er met het vertrouwen gebeurt als dat uitblijft. Dat is een vermoeden, geen vaststelling. Een rechtsstaat die zijn straffen verzacht omdat zijn cellen vol zitten en dat humaan noemt, verliest op een dag de mensen die hun recht aan de rechter hebben toevertrouwd in plaats van het zelf te nemen. Wat daarna komt, is geen milder strafrecht. Wat daarna komt, is een harder.
Dat weekend gun ik elke beleidsmaker en elke magistraat. Ik vraag er een in ruil, en niet in een cel, waar het eten gebracht wordt, de dag gevuld is en iemand komt kijken of alles in orde is. Twee dagen op deze kamer, met de deur open en niemand die komt.
Nils Devreker is commissaris bij de federale gerechtelijke politie Oost-Vlaanderen, auteur en lesgever. Dit stuk is geschreven in de ik-vorm van een vader wiens dochter om het leven werd gebracht, als gekozen perspectief en niet als getuigenis van een concreet dossier.



0 reacties