De bekentenis heeft doorheen de geschiedenis een bijzondere plaats ingenomen in het strafproces. Hoewel moderne onderzoeken steeds vaker steunen op digitale sporen, camerabeelden en forensische technieken, blijft de bekentenis een bewijsmiddel van groot belang. De bekende uitdrukking confessio est regina probationum weerspiegelt die eeuwenoude overtuiging.
Het doel van een verhoor is niet het afdwingen van een bekentenis, maar de waarheidsvinding, waarvan de bekentenis een belangrijk onderdeel vormt. Vanaf de 18e eeuw geldt een bekentenis pas als volledig bewijs wanneer zij wordt ondersteund door andere elementen, zoals context, controleerbare feiten, daderkennis en een aannemelijk motief.
Van fysieke dwang naar moderne verhoortechnieken
In de 19e eeuw werd nog sterk geloofd dat schuld zich tijdens een verhoor zou verraden via emoties zoals schaamte, nervositeit of wroeging. Verhoorders besteedden daarom veel aandacht aan de houding en reacties van verdachten. In een samenleving die sterk beïnvloed werd door het katholieke gedachtegoed sloot deze benadering nauw aan bij het boeteritueel, waarin schulderkenning en biecht een centrale plaats innamen. Tegen het einde van de 19e eeuw verschoof de focus onder invloed van de positivistische criminologie naar objectieve vaststellingen en wetenschappelijke observatie.
Vandaag wordt in wetenschappelijke literatuur een kunstmatig onderscheid gemaakt tussen beschuldigende en informatieverzamelende verhoormethoden. Beschuldigende technieken vergroten de kans op een ware bekentenis het meest, maar kunnen ook het risico op valse bekentenissen verhogen. Verhoorders combineren doorgaans elementen uit beide technieken, afhankelijk van de ernst van de feiten, de persoonlijkheid van de verdachte, de beschikbare bewijzen en het verloop van het verhoor.
Een goede werkrelatie met de verdachte bevordert de medewerking, maar volstaat op zich meestal niet om een niet-meewerkende verdachte tot openheid van zaken te bewegen. Daarom wordt in de praktijk en de rechtspraak aanvaard dat een verhoor een zekere mate van geoorloofde druk kan bevatten. Wat precies ontoelaatbare druk vormt, is niet eenduidig omschreven in wetgeving, rechtspraak of wetenschappelijke literatuur en wordt geval per geval beoordeeld. Daarbij wordt rekening gehouden met de aard van de feiten, de persoonlijkheid van de verdachte, de duur van het verhoor, de wijze van ondervragen en de algemene context. De uiterste grens ligt bij dwang, geweld, mishandeling of andere ongeoorloofde methoden.
Het bekomen van een bekentenis blijft een legitieme doelstelling, mits de rechten en de integriteit van de verdachte worden gerespecteerd. Voor sommige misdrijven, in het bijzonder wanneer weinig materiële sporen beschikbaar zijn zoals bij zedenmisdrijven, vormt de bekentenis van de verdachte zelfs een essentieel onderdeel van de waarheidsvinding. Een bekentenis kan bovendien bijdragen aan herstel voor slachtoffers, een efficiëntere afhandeling van de strafprocedure en voor daders de toegang tot begeleiding of behandeling bevorderen.
Valse bekentenissen
De bezorgdheid dat verhoortechnieken soms valse bekentenissen kunnen uitlokken, is terecht. Maar ook het omgekeerde probleem heeft maatschappelijke gevolgen: schuldige daders die ten onrechte hun betrokkenheid blijven ontkennen.
Het onderzoek naar valse bekentenissen steunt vooral op laboratoriumexperimenten met studenten. Daarbij worden deelnemers ertoe gebracht wangedrag of een beperkt fictief vergrijp te bekennen. Hoewel dergelijke studies waardevolle inzichten kunnen opleveren, verschillen zij fundamenteel van de werkelijkheid van een strafrechtelijk onderzoek. Zo duren die verhoren meestal slechts enkele minuten, ontvangen de proefpersonen een beloning voor hun deelname in de vorm van studiepunten of geld, terwijl verdachten in strafzaken geconfronteerd kunnen worden met een vrijheidsstraf.
Het bekendste voorbeeld is het Alt-key experiment van Kassin en Kiechel (1996). Studenten werden tijdens het typen ten onrechte beschuldigd van het veroorzaken van een computercrash, waarna een deel van hen verklaarde dat zij mogelijk op de verboden toets hadden gedrukt. De studie werd gerepliceerd in verschillende varianten, telkens met dezelfde resultaten, en had een grote invloed op het onderzoek naar valse bekentenissen.
Latere onderzoekers hebben echter gewezen op een belangrijke beperking. Volgens Cole et al. (2013) is het voor de meeste mensen aannemelijk dat zij tijdens een typetest onoplettend of onbewust op een verkeerde toets drukken. Cole et al. (2013) beschuldigden de studenten in een andere experimentele opdracht van het breken van een lamp, waarvan zij bij de aanvang van het experiment zagen dat die reeds beschadigd was. Hoewel de beschuldiging stress veroorzaakte, bekende geen enkele deelnemer. Dit wijst erop dat valse bekentenissen minder waarschijnlijk worden wanneer betrokkenen zeker weten dat zij de verweten handeling niet hebben verricht. Misdrijven bestaan doorgaans uit doelgerichte en bewuste gedragingen.
Onderzoek wijst niet steeds in dezelfde richting: volgens Paton et al. (2018) leidt een vijandige verhoorder zelfs tot minder valse bekentenissen. Daarnaast wijzen onderzoekers op het fenomeen van plea bargaining, waarbij verdachten schuld bekennen in ruil voor een gunstigere afhandeling van hun zaak, als belangrijke bron van valse bekentenissen.
De Belgische context
Vrijwel alle literatuur en empirisch onderzoek over valse bekentenissen is afkomstig uit Engelstalige landen met een adversair rechtssysteem. De bevindingen uit die onderzoeken kunnen dan ook niet zonder meer worden overgenomen voor België.
De Belgische strafrechtspleging is ingebed in een gemengd inquisitoir systeem. Het onderzoek wordt onder leiding van de gerechtelijke autoriteiten gevoerd en moet zowel belastende als ontlastende elementen verzamelen. Bovendien worden bekentenissen in de praktijk niet geïsoleerd beoordeeld, maar getoetst aan andere bewijselementen. Controleerbare details, objectieve vaststellingen en elementen van daderkennis spelen daarbij een belangrijke rol.
Daarnaast bevat het Belgische strafproces verschillende controlemechanismen, onder meer via het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten en uiteindelijk de vonnisrechter. Daardoor vormt een bekentenis slechts één onderdeel van een ruimer bewijsgeheel.
Voor de verhoorder volgt hieruit een dubbele opdracht. Enerzijds moet hij alert blijven voor het risico op valse bekentenissen, ook wanneer uitsluitend geoorloofde beïnvloedingstechnieken worden toegepast. Anderzijds moet hij, wanneer een verdachte geheel of gedeeltelijk bekent, de betrouwbaarheid van die verklaring kritisch toetsen. Dat gebeurt onder meer door te onderzoeken of de verdachte beschikt over kennis die enkel de dader kan hebben en of de verklaring overeenstemt met de objectief vastgestelde feiten.
Besluit
Bekentenissen blijven een essentieel onderdeel van de strafrechtsbedeling. Zij kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de waarheidsvinding, het herstel van slachtoffers en een correcte rechtspleging. De uitdaging bestaat erin dergelijke bekentenissen op een rechtmatige, professionele en controleerbare wijze te verkrijgen en vervolgens kritisch te toetsen aan de overige bewijselementen van het dossier. Alleen dan behoudt de bekentenis haar waarde als sleutelelement in het strafproces.
Valse bekentenissen zijn een reëel fenomeen dat voortdurende aandacht verdient. De wetenschappelijke literatuur toont echter geen eenduidig beeld over de omstandigheden waaronder zij ontstaan. Bovendien zijn de meeste onderzoeksbevindingen gebaseerd op onrealistische laboratoriumexperimenten en Angelsaksische rechtscontexten, die niet zonder meer vergelijkbaar zijn met de Belgische strafrechtspleging.
Tegen deze achtergrond zijn er in België geen algemeen bekende of gedocumenteerde gevallen waarin gedurende de afgelopen decennia een veroordeling uitsluitend steunde op een door verhoorders veroorzaakte valse bekentenis.
Dr. Marc Bockstaele
Het volledige doctoraat van Marc Bockstaele is nu ook beschikbaar bij Maklu onder de titel “Evolutie, analyse en verdieping van verhoortechnieken. Een verkenning van de kloof tussen theorie en praktijk”.


0 reacties