Rik Deblauwe

Vroeger advocaat en nu wetenschappelijk adviseur bij Tiberghien Advocaten.

Auteur van o.a. Inleiding tot de Successierechten (2013), Het Recht van terugkeer of de anomale erfopvolging (2014), Inleiding tot de Vlaamse Registratiebelasting (2017) en 'Inleiding tot de Vlaamse Erfbelasting, 3de editie (2021') en 'Het erfrecht praktisch toegelicht – Modellen van brieven en akten – 2de editie, 2021 - alle uitgegeven bij KnopsPublishing.

Vakgebieden: Vlaamse registratie- en successiebelasting, erfrecht.

Rik Deblauwe is lid van de redactiecomités van diverse wetenschappelijke tijdschriften en veelgevraagd spreker.

Geadopteerde kinderen hebben ook erfrecht in hun adoptieve familie, en vroeger was dat zelfs het belangrijkste gevolg. Er zijn jaarlijks zo’n 700 à 800 adopties in België [1]; de materie is dus niet zonder belang.

Een kind dat geadopteerd werd met gewone adoptie, en ook zijn afstammelingen krijgen in de nalatenschap van de adoptant of adoptanten dezelfde rechten als een kind of zijn afstammelingen daarop recht zouden hebben. Ze behouden bovendien al hun erfrecht in hun oorspronkelijke familie: ze kunnen dus twee keer erven (art. 353-15 BW).

Bij volle adoptie krijgt het kind hetzelfde statuut, met dezelfde rechten en verplichtingen, als ware het geboren uit de adoptant of uit de adoptanten. De adoptant verliest hier echter wel zijn erfrecht in de oorspronkelijke familie (art. 356-1).

Erfbelasting

Voor de successierechten gold vroeger artikel 52-2 W. Succ., dat bepaalde: “Voor de toepassing van dit wetboek, wordt er geen rekening gehouden wordt met de verwantschapsband voorspruitend uit de gewone adoptie”, tenzij in 4 gevallen. Het ging grosso modo over :

  1. stiefouderadoptie;
  2. kinderen onder voogdij van het OCMW.
  3. kinderen die vóór hun 21e minstens 3 jaar hulp en verzorging van de adoptant gekregen hebben;
  4. personen, geadopteerd door iemand van wie alle afstammelingen ‘voor België gestorven zijn’.

Voor meer details hierover verwijzen we naar onze Inleiding tot de successierechten, randnr. 406 ev.

Let wel: “voor de toepassing van dit wetboek”, luidde art. 52-2. De bepaling stond weliswaar in Hoofdstuk VI, bij het “Tarief der rechten”, maar de bepaling gold voor het gehele wetboek, niet alleen voor het tarief. Bovendien was zij beperkt tot de gewone adoptie; zij gold niet voor de volle adoptie.

Wie dus met volle adoptie geadopteerd was, gold als een gewoon kind van de erflater, en erfde ook tegen het tarief in rechte lijn. De burgerrechtelijke fictie (‘als ware het kind…’) werd onder het Wetboek ook voor successierechten toegepast [2]. Wie enkel met gewone adoptie geadopteerd was, gold enkel als een kind in de vier gevallen.

Legistieke wijziging door de Codex

In de Codex staan de bepalingen over adoptie helemaal vooraan: bij de definitieartikelen in artikel 1.1.0.0.2, 6e lid, 5°. Men zou dan ook denken dat ze uiteraard ook gelden voor alle bepalingen van de erfbelasting, en misschien zelfs van de hele Codex, maar bij nader toezien is dat niet zo. Er is immers alleen een definitie opgenomen van ‘verkrijging in rechte lijn’, niet van ‘kinderen’ [3]. En het begrip ‘verkrijging in rechte lijn’ vinden we in het wetboek enkel terug bij het tarief.

De situatie is dus exact het tegenovergestelde als in het Wetboek. In het Wetboek stond de bepaling in het hoofdstuk over het Tarief, maar zij gold voor het hele wetboek. In de Codex staat zij vooraan bij de definitie-artikelen, maar ze geldt enkel voor het tarief.

Volle adoptie

Een tweede formele wijziging is dat de volle adoptie ook fiscaal wordt opgenomen bij de verkrijging in rechte lijn: art. 1.1.0.0.2, 6e lid, 5° bepaalt nu uitdrukkelijk dat “personen die ingevolge volle adoptie overeenkomstig artikel 356-1 van het Burgerlijk Wetboek een statuut hebben met dezelfde rechten verplichtingen” ook verkrijgen in rechte lijn.

Inhoudelijk wijzigt dat niets, vermits dat, zoals we gezien hebben, ook vroeger het geval was.

De vraag rijst wel of adopties die gebeurd zijn volgens een vreemde wetgeving ook gelijkgesteld worden met afstamming. Het komt ons voor dat dit wel het geval is, zoniet zou het een discriminatie zijn, in strijd met het verdrag voor de rechten van de mens. Hof van Straatsburg besliste immers op 13 juli 2004 dat een adoptie het kind dezelfde rechten en plichten geeft als een natuurlijke afstammeling [4]:

“En l’occurrence, la Cour ne décèle pas le but légitime poursuivi par la décision litigieuse ni sur quelle justification objective et raisonnable pourrait reposer la distinction opérée par la juridiction interne. D’après elle, un enfant ayant fait l’objet d’une adoption – qui plus est d’une adoption plénière – se trouve dans la même position juridique que s’il était l’enfant biologique de ses parents, et cela à tous égards : relations et conséquences liées à sa vie de famille et droits patrimoniaux qui en découlent. La Cour a affirmé à maintes reprises que seules des raisons très fortes pourraient amener à estimer compatible avec la Convention une distinction fondée sur la naissance hors mariage. »

« et cela à tous égards », zegt het Hof. Dus ook tegenover de fiscus.

Zo werd ook inzake inkomstenbelasting aanvaard dat aftrek van onderhoudsgeld mogelijk was op grond van verplichtingen uit buitenlandse wetgeving, ook toen de wet nog uitdrukkelijk alleen maar naar de Belgische wet verwees [5].

Gewone adoptie: stiefouderadoptie

Voor de gewone adoptie zijn er in de Codex maar drie gevallen meer waarin het tarief in rechte lijn verkregen wordt, nl. het 2e, 3e en 4e geval uit het Wetboek. Het eerste geval is weggevallen.

Dat was ook logisch, want elk stiefkind, of beter ‘kind van de partner van de overledene’ kan nu erven tegen het tarief in rechte lijn [6].

En toch had dit wel gevolgen, met name voor de kinderen van het geadopteerde stiefkind. Kinderen van een stiefkind erven immers niet tegen het tarief in rechte lijn, en daar is zelfs een beslissing over van het Grondwettelijk hof [7]. Dat is wel het geval voor de kinderen van de geadopteerde [8]. Stiefouderadoptie kon dus nog altijd belangrijk zijn voor het tarief van de successierechten, en wel voor de kinderen van de geadopteerde, de ‘stiefkleinkinderen’ dus.

Dit is nu opnieuw gewijzigd. Door het decreet van 17 juli 2015 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit [9] wordt de eerste categorie van gewoon geadopteerde kinderen die kunnen erven tegen het tarief in rechte lijn weer ingevoerd, met name als “het adoptiekind een kind is van de partner van de adoptant”.

Volgens de memorie van toelichting [10] was dat trouwens altijd al de bedoeling van de Vlaamse wetgever:

“Bepaalde rechtsleer interpreteert de huidige bepaling in die zin dat de kinderen van gewoon geadopteerde stiefkinderen niet meer in aanmerking komen voor het voordeligste tarief. Dit wordt opgehangen aan het feit dat niet langer meer vermeld wordt dat rekening wordt gehouden met de verwantschapsband die ontstaat tussen de adoptant en het geadopteerde stiefkind. Op dit vlak werd de rechtspraktijk evenwel niet gewijzigd. Uit de memorie van toelichting bij het decreet van 19 december 2014 tot wijziging van het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit blijkt immers duidelijk de intenties van de wetgever om de bepaling van het opgeheven artikel 52² Vl.Wb.Succ. i.v.m. stiefouderadoptie op te vangen in art. 1.1.0.0.2, zesde lid, 5° b) van de VCF.

Om eventuele verwarring te vermijden wordt art. 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°, d vervangen zodat punt b) opnieuw de situatie van (feitelijke) stiefkinderen regelt, en punt d) de situatie van geadopteerde (stief)kinderen, mét verwijzing naar de verwantschapsband die voortkomt uit gewone adoptie. Wat punt d), 1 betreft, blijkt nu duidelijk dat zowel het (gewoon) geadopteerde stiefkind als zijn/haar kinderen in aanmerking komen voor het voordeligste tarief. ”

Dat wordt dus opgelost.

Bemerk overigens dat een kind van een partner ook een ‘stiefkind’ is, en dat kan bv. het kind zijn van een broer of zus waarmee men minstens één jaar feitelijk samenleeft en een gemeenschappelijke huishouding heeft [11]. Let dus op bij een neef of nicht of een van zijn ouders niet feitelijk samenwoonde met de erflater: er zijn neven en nichten die erven tegen het tarief in rechte lijn!

Indirecte gevolgen van de gelijkstelling

In het wetboek Successierechten gold de gelijkstelling van de gewone adoptie dus voor het gehele wetboek, onder bepaalde voorwaarden. Die tekst is er nu niet meer. Wat doen we nu met de artikelen waar sprake is van ‘kinderen’?

Denken we bv. aan artikel 2.7.3.2.7 (oud 16 W. Succ.), dat de terugnemingen en vergoedingen verwaarloost voor de berekening van het successierecht, als er ‘gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen’ zijn. Geldt een gewoon geadopteerd kind ook als zo’n ‘gemeenschappelijk kind’, als het door beide echtgenoten geadopteerd werd? En is dat ook zo als het niet in een van de 4 categorieën valt, bv. omdat de zorg gedurende drie jaar niet (meer) bewezen kan worden?

Mag een groepsverzekering ook afgesloten zijn in het voordeel van de geadopteerde kinderen? [12]

Tellen de aandelen van een familiale onderneming, die in handen van de gewoon geadopteerde kinderen van de broers en zussen van de erflater ook mee voor de participatievoorwaarde? [13]

Krijgt een gewoon geadopteerd kind ook de vermindering van 75 € per jaar als het nog geen 20 jaar is? [14]

Uiteraard worden ze gelijkgesteld, zegt u wellicht. Maar waar staat dat? M.i. moeten we hier terug naar de principes.

Door de adoptie, ook de gewone, wordt de geadopteerde persoon gelijkgesteld met een kind. Dat geldt voor alle bepalingen van het burgerlijk wetboek, maar ook van het fiscaal recht. Het fiscaal recht gebruikt het burgerlijk wetboek immers als ‘woordenboek’, met inbegrip van de ficties. We zien dat duidelijk bij de afwezigheid: in de Codex er geen bepaling meer die afwezigheid, in de juridische betekenis van ‘iemand die niet meer terugkeert en waar geen contact meer mee is’, gelijk stelt met een overledene, maar er is wel een artikel dat de aangifteplicht regelt [15]. De fiscale wetgever vertrouwt er dus op dat fiscale ficties doorwerken, en zijn ‘vertrouwen’ blijkt zo duidelijk uit de wet dat dit vertrouwen m.i. ook kracht van wet heeft.

Voor de toepassing van deze bepalingen geldt een adoptief kind, ook een gewoon geadopteerd kind, dus als een afstammeling.

En vermits de fiscale bepaling die de burgerrechtelijke gelijkstelling beperkte (art. 52-2 W. Succ.) niet meer bestaat, geldt deze gelijkstelling voor alle artikelen van het wetboek.

Enig voorbehoud: voor de ‘kinderen van de partner’ met wie de erflater alleen feitelijk samenleefde geldt dat de samenleving minstens drie jaar geduurd moet hebben als het om mee te tellen als ‘familie’ voor het gunsttarief voor familiale ondernemingen [16].

Samenvattend:

  • Het verlaagd tarief geldt bij volle adoptie, en dit geldt o.i. nog altijd voor adoptie op grond van buitenlandse wetgeving;
  • Het verlaagd tarief geldt nog altijd bij gewone adoptie bij kinderen van het OCMW, bij zorgverstrekking en bij optie van wiens kinderen voor België gestorven zijn. Het geldt ook voor het kind van een partner, of dat nu geadopteerd is of niet;
  • De kinderen van het kind van een partner verkrijgen niet tegen het verlaagd tarief, maar wel als hun ouder geadopteerd is. Dat zal uitdrukkelijk in de wet bevestigd worden;
  • De gelijkstelling met een kind geldt voor de andere artikelen van het wetboek voortaan voor beide vormen van adoptie, zowel de gewone als de volle adoptie.

Rik Deblauwe

Deze tekst werd eerder gepubliceerd op www.lexfin.be en is een aanvulling op de Inleiding tot de Vlaamse Erfbelasting

[1] http://statbel.fgov.be/nl/modules/publications/statistiques/bevolking/downloads/bevolking_-_adopties_in_belgie.jsp

[2]           Decuyper nr. 1000 en 1026.

[3] De definitie van ‘kinderen’ die in art. 1.1.0.0.2, 1e lid, 12° is opgenomen, en die alle kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft omvat, wordt voor de Erfbelasting en voor de Registratiebelasting buiten werking gesteld door art. 1.1.0.0.2, 7e lid.

[4] van Terugkeer of de Anomale Erfopvolging, Knops Publishing, 2014, nr. 1085 p. 498.

[5] ComIB, nummer 104/7 :

“        In beginsel zijn slechts onderhoudsuitkeringen of kapitalen, betaald ter uitvoering van een verplichting op grond van de hierboven opgesomde artikelen van het Burgerlijk of het Gerechtelijk Wetboek, aftrekbaar. De aftrek wordt evenwel eveneens ten belope van 80 % toegestaan voor onderhoudsuitkeringen die een rijksinwoner verschuldigd is krachtens een buitenlandse wettelijke bepaling, mits deze laatste kan worden gelijkgesteld met een bepaling van het Belgisch Burgerlijk of Gerechtelijk Wetboek, die een verplichting tot onderhoud oplegt (zie PV nr. 7, 28.6.1977, Sen. Mevr. De Loore-Raeymaekers, Bull. 555, blz. 1941).”

[6] Art. 1.1.0.0.2, 6e lid, 5°, b.

[7] Arrest GwH nr. 181/2005, Decuyper, Successierechten, nr. 1081/1a: “het Hof zegt voor recht: Artikel 50 van het Wetboek der successierechten, zoals vervangen bij het decreet van het Vlaamse Gewest van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, schendt niet de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat het voor de vererving tussen een stiefgrootouder en een stiefkleinkind niet het tarief voor een vererving in de rechte lijn toepasselijk maakt.”

 

[8] Decuyper, Successierechten, nr. 1083/5: “De gelijkstelling van de adoptieve afstamming met bloedverwantschap werkt echter door in de rechte nederdalende lijn. Dit betekent dat de afstammelingen van de geadopteerde aan het tarief in rechte lijn van de adoptant kunnen erven.”

[9] http://docs.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2014-2015/g369-1_origineel.pdf,  B.S. 14 augustus 2015

[10] Memorie van toelichting, p. 3 en 4, doc. 369( (2014-2015) – Nr. 1, ingediend op 20 mei 2015.

[11] Art. 1.1.0.0.2, 6e lid, 4°, c.

[12] art. 2.7.1.0.6 § 2, 3e lid, 3°: ‘in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen…”

[13] Art. 2.7.4.2.2 § 2, 4° d: “de kinderen van broers en zussen van de erflater of aandeelhouder”

[14] Art. 2.7.5.0.2: “De door een kind van de erflater …”

[15] Art. 3.3.1.0.5: “De aangifte … moet … ingediend worden … : 1° bij overlijden of bij afwezigheid…”

[16] Art. 1.1.0.0.2, 6e lid, 4° c, verwijzend naar art. 2.7.4.2.2 (familiale ondernemingen).

Rik Deblauwe

Vroeger advocaat en nu wetenschappelijk adviseur bij Tiberghien Advocaten.

Auteur van o.a. Inleiding tot de Successierechten (2013), Het Recht van terugkeer of de anomale erfopvolging (2014), Inleiding tot de Vlaamse Registratiebelasting (2017) en 'Inleiding tot de Vlaamse Erfbelasting, 3de editie (2021') en 'Het erfrecht praktisch toegelicht – Modellen van brieven en akten – 2de editie, 2021 - alle uitgegeven bij KnopsPublishing.

Vakgebieden: Vlaamse registratie- en successiebelasting, erfrecht.

Rik Deblauwe is lid van de redactiecomités van diverse wetenschappelijke tijdschriften en veelgevraagd spreker.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.