De wrakingsprocedure is in het Belgische procesrecht lange tijd behandeld als een onaantastbaar onderdeel van het eerlijk proces. Wie een rechter wraakt, legt in principe de procedure stil. Die automatische schorsing wordt vaak voorgesteld als een noodzakelijke waarborg voor onpartijdigheid. Maar precies daar wringt vandaag het schoentje. Het debat over een hervorming van de wrakingsprocedure — en meer bepaald over het afschaffen van de automatische schorsende werking — verdient een sereen juridisch kader, los van slogans over “fundamentele rechten” die zelden nauwkeurig worden ingevuld. De vraag is immers niet of wraking moet blijven bestaan, maar of het huidige model nog verenigbaar is met een efficiënte rechtsbedeling en met artikel 6 EVRM.
De kern van het probleem ligt in een paradox. Het recht op een eerlijk proces wordt vaak ingeroepen om elke beperking van wraking te wantrouwen
De kern van het probleem ligt in een paradox. Het recht op een eerlijk proces wordt vaak ingeroepen om elke beperking van wraking te wantrouwen. Tegelijk legt datzelfde artikel 6 EVRM staten positieve verplichtingen op om een effectieve toegang tot de rechter en een behandeling binnen een redelijke termijn te waarborgen. Een systeem waarin procedures herhaaldelijk worden stilgelegd door wrakingsverzoeken — soms ernstig, maar soms ook manifest dilatoir — kan zelf in spanning komen met dat eerlijk proces. Het debat over hervorming is dus geen aanval op artikel 6 EVRM, maar eerder een poging om deze verdragsrechtelijke verplichting opnieuw in haar geheel te lezen.
Wie het EVRM en de rechtspraak ernstig neemt, kan moeilijk volhouden dat een automatische schorsing een verdragsrechtelijke verplichting zou zijn. Artikel 6 garandeert een onafhankelijke en onpartijdige rechter, wapengelijkheid en toegang tot de rechter, maar schrijft geen specifieke technische vorm van wrakingsprocedure voor. De concrete modaliteiten — termijnen, vormvereisten en de vraag of een verzoek al dan niet schorst — behoren tot de autonomie van de lidstaten, binnen de bekende margin of appreciation. Dat betekent dat de Belgische wetgever ruimte heeft om het huidige model te herdenken, zolang de essentie van het eerlijk proces behouden blijft.
Opvallend is dat die evolutie al voorzichtig zichtbaar is in de cassatierechtspraak. Het Hof van Cassatie heeft erkend dat een wrakingsverzoek dat enkel de schijn heeft van een werkelijk verzoek en kennelijk bedoeld is om de rechtsgang te blokkeren, geen schorsende gevolgen hoeft te hebben. Daarmee wordt impliciet erkend dat de automatische schorsing geen absoluut beginsel is. De bestaande rechtspraak over strikte vormvereisten en tijdigheid wijst in dezelfde richting: wraking wordt steeds meer gezien als een uitzonderlijk rechtsmiddel dat zorgvuldig moet worden afgebakend.
Soms wordt tegengeworpen dat rechters zonder automatische schorsing minder geneigd zouden zijn om een collega te wraken. Die redenering overtuigt niet. Onder dezelfde logica zou men moeten aannemen dat appelrechters terughoudend zouden zijn om een vonnis te hervormen of dat het Hof van Cassatie aarzelt om arresten te vernietigen, wat manifest niet het geval is. De rechterlijke functie steunt op professionele onafhankelijkheid en beroepsethiek. Rechters wraken wanneer dat juridisch noodzakelijk is, niet omdat een procedurele prikkel hen daartoe aanzet. Het vertrouwen in die ethiek is geen naïviteit, maar een structureel uitgangspunt van de rechtsstaat zelf.
Wie vreest dat een niet-automatisch schorsend model een breuk zou betekenen met onze rechtscultuur, kijkt bovendien te weinig naar het eigen Belgische recht. In de arbitrage bestaat al jaren een wrakingsmechanisme zonder automatische schorsing. Het scheidsgerecht kan voortwerken, zelfs met de gewraakte arbiter, terwijl de rechter nadien controle uitoefent. Dat systeem wordt niet beschouwd als strijdig met fundamentele rechten. Het toont dat het mogelijk is om de waarborg van onpartijdigheid te verzoenen met procedurele efficiëntie. De vraag dringt zich op waarom wat in arbitrage aanvaardbaar is, in de klassieke rechtsbedeling plots problematisch zou zijn.
De echte uitdaging ligt niet in het afschaffen van de automatische schorsing op zich, maar in het ontwerpen van een geloofwaardig alternatief
De echte uitdaging ligt niet in het afschaffen van de automatische schorsing op zich, maar in het ontwerpen van een geloofwaardig alternatief. Een hervorming kan slechts standhouden als zij gepaard gaat met duidelijke waarborgen. Een snelle ontvankelijkheids- en misbruiktoets lijkt daarbij essentieel. Een onafhankelijke wrakingskamer zou onmiddellijk moeten kunnen nagaan of een verzoek tijdig is, voldoet aan de vormvereisten en niet kennelijk ongegrond is. Alleen wanneer die eerste filter wordt doorstaan, zou een gerichte schorsing mogelijk zijn. Dat model respecteert zowel het recht van partijen om een rechter te wraken als de noodzaak om procedures niet nodeloos te blokkeren.
Een tweede denkspoor is differentiatie. Niet elke procedure vereist dezelfde intensiteit van schorsende werking. In strafzaken waarin vrijheidsbeneming aan de orde is, kan een ruimere mogelijkheid tot schorsing gerechtvaardigd blijven, mits een zeer snelle beslissing over het wrakingsverzoek. In burgerlijke en economische geschillen daarentegen lijkt een basisregel zonder automatische schorsing perfect verdedigbaar. Het EVRM verlangt geen uniformiteit, maar proportionaliteit.
Critici vrezen dat een hervorming het vertrouwen in de rechterlijke onpartijdigheid zou aantasten. Dat argument verdient nuance. Transparantie en motivering zijn minstens zo belangrijk als schorsing van de procedure. Een duidelijk gemotiveerde beslissing over wraking, snel genomen en publiek verantwoord, kan het vertrouwen versterken. Een systeem waarin procedures maandenlang stilvallen zonder inhoudelijke vooruitgang draagt daarentegen weinig bij tot het gezag van justitie.
Wanneer elk wrakingsverzoek automatisch de procedure stillegt, ontstaat de verleiding om het incident zelf strategisch uit te lokken
Het huidige model bevat bovendien een moeilijk te negeren perverse prikkel. Wanneer elk wrakingsverzoek automatisch de procedure stillegt, ontstaat de verleiding om het incident zelf strategisch uit te lokken. Een partij kan dan aansturen op een conflict om een wrakingsgrond artificieel te creëren, niet zozeer om onpartijdigheid te waarborgen, maar om de voortgang van de zaak te blokkeren en de redelijke termijn onder druk te zetten. Het wegvallen van die automatische schorsing kan het proces net meer sereniteit geven: het debat verschuift opnieuw naar de inhoud, incidenten verliezen hun strategische waarde en artikel 6 EVRM wordt versterkt in zijn dubbele dimensie van onpartijdigheid en efficiënte rechtsbedeling.
Misschien is de belangrijkste les uit het debat dat wraking opnieuw moet worden begrepen als wat het in essentie is: een ultimum remedium. Het middel is bedoeld om objectief gerechtvaardigde twijfels aan de onpartijdigheid weg te nemen, niet om strategische vertraging te organiseren. Door de automatische schorsing te relativeren, verschuift de focus opnieuw naar de kernvraag: is er werkelijk een probleem van onpartijdigheid? Die heroriëntatie kan de geloofwaardigheid van het instrument net versterken.
De Belgische rechtsstaat staat voor een klassieke evenwichtsoefening. Enerzijds moet zij elke schijn van partijdigheid vermijden; anderzijds moet zij voorkomen dat procedures verzanden in eindeloze incidenten. Artikel 6 EVRM biedt geen pasklaar antwoord, maar wel een kompas: rechten moeten praktisch en effectief zijn, niet louter theoretisch. Een hervormde wrakingsprocedure zonder automatische schorsing kan precies dat doel dienen, mits zij zorgvuldig wordt uitgewerkt en gepaard gaat met sterke procedurele waarborgen.
Het debat verdient daarom minder retoriek en meer juridische precisie. De vraag is niet of de automatische schorsing ‘heilig’ is — dat is zij niet — maar of zij vandaag nog het juiste evenwicht biedt tussen onpartijdigheid en efficiëntie. Misschien is het tijd om te erkennen dat het beschermen van het eerlijk proces soms betekent dat men oude zekerheden herbekijkt. Dat is geen verzwakking van de rechtsstaat, maar een teken van maturiteit.
Pierre Thiriar, Raadsheer in het hof van beroep te Antwerpen – Lector gerechtelijk recht AP Hogeschool Antwerpen – Onderwijsassistent UAntwerpen
Deze bijdrage vertolkt louter de opinie van de auteur in eigen naam
Lees over de wraking ook het opiniestuk van Bruno Luyten en Dirk Van Overloop: “Een zeer terechte oproep om ernstig te blijven over het procesrechtsmisbruik van de wrakingsverzoeken”




0 reacties