Aviniti

Rik Deblauwe

Vroeger advocaat en nu wetenschappelijk adviseur bij Tiberghien Advocaten.

Auteur van o.a. Inleiding tot de Successierechten (2013), Het Recht van terugkeer of de anomale erfopvolging (2014), Inleiding tot de Vlaamse Registratiebelasting (2017) en 'Inleiding tot de Vlaamse Erfbelasting, 3de editie (2021') en 'Het erfrecht praktisch toegelicht – Modellen van brieven en akten – 2de editie, 2021 - alle uitgegeven bij KnopsPublishing.

Vakgebieden: Vlaamse registratie- en successiebelasting, erfrecht.

Rik Deblauwe is lid van de redactiecomités van diverse wetenschappelijke tijdschriften en veelgevraagd spreker.

  1. Sinds 1 januari 2015 heft Vlaanderen zelf zijn registratie- en successierechten, en deze laatste zijn herdoopt tot ‘erfbelasting’. Bij die gelegenheid werden beide wetboeken ingevoegd in de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Vooral de procedure werd gewijzigd, maar er zijn ook een aantal materiële wijzigingen gebeurd. Sommige daarvan werden gesignaleerd in de memorie van toelichting, andere zijn gebeurd zonder commentaar.

Een van de wijzigingen die – tot verbazing van sommigen – niet gebeurd was, betreft de onvoorwaardelijke toebedeling.

Wat vooraf ging

  1. Ter herinnering: als het gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot wordt toebedeeld, op voorwaarde van overleving is dat burgerrechtelijk geen legaat, maar die toebedeling wordt toch met successierecht belast: het vroegere artikel 5 W. Succ., nu art. 2.7.1.0.4 van de Codex. De clausule luidt dan bv.:

“Bij ontbinding van het huwelijk door overlijden, zal het gemeenschappelijk vermogen toebehoren aan de langstlevende echtgenoot”.

De helft van dat gemeenschappelijk vermogen werd dan belast met successierechten.

Als de toebedeling gebeurt aan één van de echtgenoten, zonder voorwaarde van overleving, was dat echter niet belastbaar. Dat werd vooral gebruikt door echtgenoten waarvan een van beide ziek was – vandaar de term ‘sterfhuisclausule’. De clausule luidde dan bv. als volgt, als meneer ziek was:

“Bij ontbinding van het huwelijk zal het gemeenschappelijk vermogen toebehoren aan mevrouw Y”.

Mevrouw werd dan niet belast op wat zij kreeg krachtens die clausule, zo besliste het Hof van Cassatie op 10 december 2010. De fiscus heeft dat nooit aanvaard, en begon telkens gerechtelijke procedures… die hij steevast verloor. Sinds de anti-misbruikbepaling werd ingevoerd door de wet van 29 maart 2012 had de fiscus wel een argument, en de sterfhuisclausule was een van de eerste voorbeelden die opgenomen werden op de zogenaamde ‘zwarte lijst’ in de circulaire over die wet (circulaire 5/2013 van 10 april 2013). Later stond ze ook op de zwarte lijst van de Vlaamse omzendbrief (nr. 2014/2 van 20 december 2014).

Toch was er ook nu nog twijfel of dat wel een ‘misbruik’ was: mag men de andere echtgenoot niet beschermen bijvoorbeeld tegen de reserve van de kinderen, ook met een onvoorwaardelijke toebedeling?

wijziging

  1. Daarom wordt de tekst van de wet nu aangepast: “Door de voorwaarde van overleven te schrappen is de omweg via de antimisbruikbepaling niet meer nodig en wordt voor alle partijen rechtszekerheid gecreëerd.”, aldus de memorie van toelichting [1].

Art. 24 van het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015 bepaalt:

“In artikel 2.7.1.0.4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, worden de woorden “op voorwaarde van overleving” opgeheven.”

Dat nieuwe artikel luidt dus voortaan als volgt:

“De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereen­komst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, op voorwaarde van overleving meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.”

Als een van de echtgenoten dus meer dan de helft krijgt van het gemeenschappelijk vermogen, wordt hij gelijkgesteld met een echtgenoot die dat meerdere erft.

  1. Wij veronderstellen dat het nog altijd de bedoeling is om dat artikel enkel toe te passen als die verkrijging bij overlijden gebeurt, want dat staat er niet letterlijk, maar anders zou er successierecht verschuldigd zijn bij nagenoeg elke echtscheiding, en dat kan uiteraard moeilijk de bedoeling geweest zijn.
  1. In zekere zin is de wijziging logisch. Wanneer toebedelingen aan de langstlevende belast worden, als ze gebeuren op voorwaarde van overleven (de eerste clausule hierboven), dan is het merkwaardig dat ze niet belast worden als ze niet onder die voorwaarde gebeuren (de tweede clausule hierboven). De gelijkheid is hier dus hersteld.

En anders?

  1. Men had zich bovendien al kunnen afvragen of ook een verkrijging op grond van de sterfhuisclausule al niet belastbaar kon zijn, als ze betrekking had op sommen, renten of waarden. Het gaat hier immers om een beding voor zichzelf, dat uitwerking heeft bij het overlijden van de andere echtgenoot. Welnu, kan men niet stellen dat 2.7.1.0.6. § 1. (derde lid) hier toepasselijk is? Neen, kan men zeggen, want het betreft hier geen ‘kosteloze’ verkrijging, maar om een huwelijksvoordeel. Maar het is niet uitgesloten dat de fiscus hierover anders zou denken.

Hoe dan ook, nu is het opgelost, althans als de tekst van het artikel goedgekeurd wordt.

Verrekenbeding

  1. Een andere mogelijke clausule in het huwelijkscontract is het verrekenbeding. Dat is een clausule in een huwelijkscontract waarbij de ‘armste’ echtgenoot van de ‘rijkste’ een vergoeding in geld krijgt bij de ontbinding van het stelsel. Het gaat dus om een soort gemeenschap in waarde, niet met zakelijke rechten: elke echtgenoot blijft eigenaar van de goederen die hij verwerft, maar enkel op het einde van het stelsel gebeurt er een gelijkschakeling.

De clausule luidt dan ongeveer als volgt:

“Zijn voor mij, notaris, verschenen: A en B, die verklaren te trouwen onder scheiding van goederen. Bij overlijden zal de echtgenoot die het minste vermogen heeft een vordering hebben op de echtgenoot die het grootste vermogen heeft, ten belope van de helft van het verschil”.

Uiteraard worden die clausules dan veel nauwkeuriger uitgewerkt [2], maar dat is de idee.

Als de armste echtgenoot eerst overlijdt, maakt die vordering deel uit van zijn nalatenschap, en zal zij ook belastbaar zijn met successierecht. Daar is weinig discussie over.

Als de rijkste echtgenoot echter eerst overlijdt, heeft de overlevende echtgenoot een vordering op de armste, en die komt in mindering van de nalatenschap. Is die vordering belastbaar bij de overlevende echtgenoot? Neen, besliste het hof van beroep te Antwerpen. Ook bij het verrekenbeding is er immers geen gemeenschappelijk vermogen, althans niet in de traditionele zakenrechtelijke betekenis. Een verrekenbeding creëert immers alleen een vordering. Als de langstlevende echtgenoot zo een vordering krijgt, kan deze dus ook niet belast worden onder artikel 5, thans art. 2.7.1.0.4, volgens het Hof, in zijn arrest van 5 oktober 2004 [3].

  1. Verandert er nu iets door de voorgestelde wijziging? M.i. niet. De langstlevende echtgenoot moet namelijk nog altijd “meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgen”, en dat is duidelijk bedoeld als een verkrijging uit dat gemeenschappelijk vermogen.

Is artikel 2.7.1.0.6 § 1, 3e lid hierop toepasselijk, als het om sommen, renten of waarden gaat? Het gaat immers over een contract dat door de langstlevende echtgenoot gesloten is, en die hem toekomen bij het overlijden van de andere echtgenoot. Dat is zo, maar de overledene moet ook gehuwd zijn onder een stelsel van gemeenschap. En wat als ze getrouwd zijn onder scheiding van goederen met een zogenaamd ‘toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen’? Dan is er al meer twijfel, maar dan nog kan men stellen dat dat geen ‘stelsel van gemeenschap’ is.

Door een cassatiearrest van 31 oktober 2014 moet licht voorbehoud gemaakt worden voor het optioneel 100% verrekeningsbeding, waarbij de langstlevende het recht had (doch niet de plicht) om ten aanzien van het vermogen van de eerststervende echtgenoot een vordering te laten gelden ten bedrage van maximaal de netto-waarde van alle goederen van dit vermogen op datum van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door het overlijden. Het Hof van beroep had beslist dat de verrekenschuld pas ontstond op het moment dat de verweerder na de ontbinding van het huwelijk door overlijden van zijn echtgenote besliste om de vordering voortkomende uit het verrekeningsbeding te laten gelden “en niet eerder”. Het is dan ook onlogisch dat deze schuld nog op te nemen in het passief van de nalatenschap, aldus het Hof van Cassatie.

Het ging hier, formeel, louter om een probleem van tegenstrijdige motivering, maar bij een facultatief verrekenbeding is er nu toch minder zekerheid over de aftrekbaarheid van de vordering, tot de rechtspraak duidelijk gevestigd zal zijn.

  1. De inwerkingtreding van de nieuwe maatregel is voorzien voor 1 juli 2015 [4].
  2. Praktisch:
    1. Als dit ontwerp erdoor komt, en dat is waarschijnlijk, is de onvoorwaardelijke toebedeling van het gemeenschappelijk vermogen vanaf 1 juli 2015 belastbaar met successierecht, althans bij overlijden;
    2. Tussen 1 januari 2015 en 1 juli 2015 is dat niet het geval, tenzij (i) toepassing van de anti-misbruikbepaling en (ii) misschien, als het om sommen, renten of waarden gaat, en de echtgenoot geacht kan worden ‘kosteloos te hebben verkregen’;
    3. De vordering uit het verrekenbeding blijft, volgens de heersende rechtspraak en rechtsleer, vrij van successierecht, zeker (i) als de echtgenoten getrouwd zijn met scheiding van goederen zonder toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, en (ii) als het beding niet optioneel is.

Deze tekst werd eerder gepubliceerd op www.lexfin.be en is een aanvulling op de “Inleiding tot de Vlaamse Erfbelasting

[1] Document 333 (2014-2015) – Nr. 1, p. 10

[2] Een zeer uitgewerkt voorbeeld vindt men in Geelhand, Clausules inzake huwelijkscontracten en schenkingen, Knops Publishing, 2014, p. 58.

[3]           Antwerpen, 5 oktober 2004, T.F.R. 2005, nr. 279, p. 379-380, nt Delboo en Deknudt, en Rep. RJ S 2/08-01.

[4] Art. 61, 4° van het ontwerp van decreet.

Rik Deblauwe

Vroeger advocaat en nu wetenschappelijk adviseur bij Tiberghien Advocaten.

Auteur van o.a. Inleiding tot de Successierechten (2013), Het Recht van terugkeer of de anomale erfopvolging (2014), Inleiding tot de Vlaamse Registratiebelasting (2017) en 'Inleiding tot de Vlaamse Erfbelasting, 3de editie (2021') en 'Het erfrecht praktisch toegelicht – Modellen van brieven en akten – 2de editie, 2021 - alle uitgegeven bij KnopsPublishing.

Vakgebieden: Vlaamse registratie- en successiebelasting, erfrecht.

Rik Deblauwe is lid van de redactiecomités van diverse wetenschappelijke tijdschriften en veelgevraagd spreker.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.