De hetze die in de politiek wordt gevoerd tegen managementvennootschappen, die beweerdelijk quasi alleen zouden zijn opgezet door schijnzelfstandigen, met het oogmerk RSZ-bijdragen en loonbelasting te ontwijken gaat bewust uit van een foutieve analyse van het fenomeen.
De ‘managementvennootschap’ bestaat in het Belgische vennootschapsrecht niet als een onderscheiden rechtsvorm.
Het gaat in werkelijkheid om kleine vennootschappen, die op het gebied van de vennootschapsbelasting en de roerende voorheffing op dividenden, van een gunstregime genieten in vergelijking met grotere vennootschappen.
In de omgangstaal wordt onder managementvennootschap begrepen, de vennootschap die door een zelfstandige dienstverlener uitsluitend wordt opgericht om daarmee zijn diensten te vermarkten. Deze vennootschap heeft doorgaans geen ander personeel in dienst.
De diensten die binnen dergelijke managementvennootschap worden vermarkt, kunnen van diverse aard zijn. Zo kan de bestuurder van een bedrijf zijn bestuursmandaat uitoefenen vanuit dergelijke vennootschap. De bestuurder is bij wet verplicht een zelfstandige te zijn, zodat voor hem het argument van de schijnzelfstandigheid zeker niet opgaat.
Een tweede categorie dienstverleners die vaak hun diensten vermarkten via een vennootschap, zijn de vrije beroepen. Ook voor deze categorie geldt het argument van de schijnzelfstandigheid niet, nu zij veelal vanuit de aard van hun activiteit wettelijk of deontologisch zelfstandig moeten zijn.
De derde categorie dienstverleners, die vaak opereren via een managementvennootschap, zijn veelal hooggeschoolden, die hun intellectuele of technische diensten verhuren aan bedrijven. Tot op heden wordt voor geen van deze categorieën betwist dat zij als zelfstandige dienstverlener de rechtsvorm van een kleine vennootschap kunnen aannemen.
Enige voorwaarde is dat zij een echte zelfstandige moeten zijn en geen werknemer- schijnzelfstandige. Het onderscheid tussen een werknemer en een zelfstandige wordt in België bepaald op grond van de Arbeidsrelatiewet.
De werknemer wordt geacht onder het juridisch gezag van de werkgever te werken en dat juridisch gezag wordt getoetst aan de vier basiscriteria van deze wet, te weten: de kwalificatie door de partijen zelf, de vrijheid in de organisatie van de werktijd, de vrijheid in de organisatie van het werk en de mogelijkheid van hiërarchische controle.
Deze criteria zijn zeer ruim en dermate in verschillende richtingen interpreteerbaar dat actueel zelfs de Inspectie van het Toezicht op de Sociale Wetten, noch de RSZ-Inspectie er helemaal geen prioriteit van maakt om schijnzelfstandigheid binnen managementvennootschappen te onderzoeken.
De sociale inspecties treden enkel op wanneer misbruik van het zelfstandigenstatuut blijkt uit de financiële uitbuiting door de economisch sterkere opdrachtgever van de economisch zwakkere dienstverlener aan wie deze werkwijze is opgedrongen door de opdrachtgever, louter uit financieel gewin en met miskenning van de realiteit dat de dienstverlener een eenvoudige arbeider of bediende is.
Maar dat laatste is in het allergrootste deel van de gevallen niet de realiteit van de managementvennootschappen, ook niet van de derde categorie dienstverleners, hogervermeld.
Intellectuele en technisch hooggeschoolden kunnen in de actuele dienstenmaatschappij, waarbinnen het onderscheid tussen werknemers, bedienden en arbeiders en zelfstandigen meer en meer vervaagt, in vele gevallen perfect hun diensten als zelfstandige verlenen.
In de praktijk vullen zij heel vaak de organisatie van hun arbeid en arbeidstijd vrij in en beschikt de werkgever zelf niet over de competenties om een hiërarchische controle uit te oefenen of is daarin ook niet geïnteresseerd.
Enkel prijs en resultaat van de geleverde diensten tellen dan.
Indien om historische redenen of om te genieten van het meer beschermde statuut van werknemer, deze hooggeschoolde dienstverleners nog vaak als werknemer worden tewerkgesteld, ook indien zij niet beantwoorden aan het werknemersstatuut of wanneer hierover zeer gegronde twijfel kan bestaan, dan betekent dit nog niet dat zij, die voor het zelfstandig statuut kozen, dan maar als schijnzelfstandigen moeten worden beschouwd.
Het weze hierbij dus duidelijk dat het amalgaam dat gemaakt wordt tussen managementvennootschappen en schijnzelfstandigen steunt op foutieve aannames.
Diegenen die beweren dat gekozen wordt voor de managementvennootschap om RSZ-bijdragen uit te sparen, miskennen het bestaan en de realiteit van zelfstandige prestaties en miskennen bovendien dat de sociale zekerheid voor zelfstandigen, weliswaar goedkoper is dan de RSZ voor de werknemers, maar ook fundamenteel lagere uitkeringen met zich meebrengt.
Zij verliezen verder uit het oog dat de zelfstandige moet instaan voor zijn eigen bedrijfsmiddelen, aanvullende pensioenvoorzieningen en arbeidsongeschiktheidsverzekering, burgerlijke aansprakelijkheid, boekhouding, enz.
Zelfstandigen dragen het volledige bedrijfsrisico en kunnen bij mislukking of tegenslag geen beroep doen op het sociale vangnet van de werknemer.
De vraagt rijst dan of het gunstige fiscaal regime dat de wetgever nog niet zo heel lang geleden heeft ingevoerd om het ondernemerschap te stimuleren voor kleine vennootschappen, maatschappelijk of moreel onverantwoord zou zijn.
De populistische verantwoording dat alle managementvennootschappen profiteurs zijn, is op los zand gebouwd.
De bittere werkelijkheid is dat onze regering bij haar amechtige zoektocht naar bijkomende middelen, in de hogervermelde foutieve aanname een manier meent te hebben gevonden om deze belastingverhoging voor de burger verteerbaar te maken.
Of de zelfstandigen met managementvennootschappen in onze hedendaagse maatschappij “sterkere schouders” uitmaken in verhouding tot vele kaderleden met een bediendenstatuut is maar zeer de vraag. De hypotheek van hun privéwoning (met of zonder zwembad) kunnen ze in elk geval niet financieren vanuit een mobiliteitsplan.
Herman Buyssens, advocaat, Buyssens Advocaten Sociaal Recht



0 reacties