‘Rechtspreken’ is de moeilijke, maar uiterst eervolle en waardevolle taak die weggelegd is voor magistraten. Zij hebben daarvoor een specifieke, juridische opleiding genoten. Magistraten zijn aldus bekwaam in het recht en in het rechtspreken. De laatste decennia zijn de verwachtingen van de samenleving ten aanzien van het recht, en bijgevolg ook ten aanzien van de daarop gebaseerde rechtspraak, echter danig toegenomen. Van de strafrechtspraak wordt verwacht dat het criminaliteit bestrijdt. Het is maar zeer de vraag of personen die louter zijn opgeleid in het recht opgewassen zijn tegen deze taak.
Het onderscheid tussen rechtspreken en criminaliteit bestrijden
Rechtspreken is immers iets gans anders dan criminaliteit bestrijden. Daar waar voor het eerste een gedegen kennis van het recht onontbeerlijk is, is dit voor het tweede veel minder het geval. Met criminaliteitsbestrijding beoogt men immers in de eerste plaats het gedrag van mensen bij te sturen of te wijzigen. Het gedrag van mensen beïnvloeden vormt echter steeds een buitengewoon moeilijke aangelegenheid en vereist een aparte deskundigheid. Dit blijkt evenzeer uit gans andere levensdomeinen. Zo is het een taaie, niet aflatende opdracht gebleken om mensen ertoe aan te zetten om geen alcohol te gebruiken in het verkeer, om meer te gaan sporten, om meer het openbaar vervoer te gebruiken, etc. Criminaliteit is bovendien een uitermate complex samenlevingsfenomeen met tal van uiteenlopende oorzaken, onder meer op economisch, sociologisch en psychologisch vlak. Het doeltreffend bestrijden van criminaliteit overstijgt de deskundigheid van een jurist dan ook vele malen.
Het moge alleszins duidelijk zijn dat de tot op heden gegeven reactie, die erin bestaat strenger te straffen en hogere gevangenisstraffen op te leggen, ontoereikend en zelfs contraproductief is gebleken
Nood aan een import van deskundigheid
Het valt dan ook opmerkelijk te noemen dat men inzake criminaliteit blind vertrouwen heeft gehad in juristen, die niet per definitie deskundig zijn in het onderwerp criminaliteit zelf. Vele juristen hebben er geen zicht op wat criminogene factoren zijn en hoe hieraan desgevallend te remediëren. Evenmin behoort penologie, waar onder meer de effectiviteit van strafrechtelijke sancties wordt bestudeerd, tot de standaard opleiding rechten. Het is dan ook niet verantwoord om juristen in hun eentje de strijd tegen criminaliteit te laten aangaan: zij zijn eenvoudigweg onvoldoende bewapend om deze strijd te kunnen winnen.
Het moge alleszins duidelijk zijn dat de tot op heden gegeven reactie, die erin bestaat strenger te straffen en hogere gevangenisstraffen op te leggen, ontoereikend en zelfs contraproductief is gebleken. Getuige hiervan de overvolle gevangenissen en de torenhoge recidivecijfers. De almaar langere detenties lezen als een wanhoopskreet: men weet niet meer wat gedaan. Men blijft dan maar steeds opnieuw teruggrijpen naar wat men kent, ondanks het feit dat men eigenlijk goed beseft dat het weinig zin heeft. De rechtspraak tast in het duister naar mogelijke oplossingen, maar lijkt deze niet te vinden. Voorgaande hoeft ook niet te verbazen: juristen zijn niet opgewassen tegen het probleem. Wanneer men een chemicus een mathematisch vraagstuk voorlegt, hoeft het evenmin te verbazen dat hij de oplossing niet vindt. Men kan het hem ook moeilijk kwalijk nemen.
Het is dan ook hoog tijd om de rechtspraak te hulp te snellen met bijkomende deskundigheid op het vlak van criminaliteit en op het vlak van kennis over de mogelijkheden en de beperkingen van straffen. Om gedrag te wijzigen, moet men bovendien niet uitsluitend straffen. Vaak moet men in tegendeel ook helpen, opleiden, begeleiden, etc., allemaal zaken die zich niet in de standaard gereedschapskist van de jurist bevinden. Laat ons de rechtscolleges versterken met een ruimer arsenaal aan kennis en vaardigheden.
Voor de concrete invulling van deze bijkomende deskundigheid komen criminologen logischerwijze als eersten in beeld. Maar ook gedragswetenschappers komen in aanmerking voor verdere aanvulling en ondersteuning. De denkoefening op dit vlak kan beginnen. Alleszins is de naam ‘lekenrechters’ – zoals bekend uit andere rechtstakken – hier onjuist. Het betreft immers geen leken, doch in tegendeel deskundigen, maar dan in andere vakgebieden dan het juridische.
Rechtspraak vereist wel recht
Niettemin spreekt het voor zich dat juristen steeds deel zullen moeten uitmaken van de rechtsprekende colleges. Uiteindelijk zal rechtspraak in de eerste plaats altijd een juridische uitspraak blijven, zodat juristen onontbeerlijk zijn. Maar net zoals in andere rechtstakken zullen deze rechtsprekende colleges – om effectief te zijn – niet uitsluitend door juristen bevolkt kunnen worden.
Vandaar het voorstel om de strafrechtscolleges, naar het evenbeeld van de strafuitvoeringsrechtbanken, multidisciplinair samen te stellen. Zo zou de rechtbank kunnen voorgezeten worden door een jurist die bijgestaan wordt door een criminoloog en een gedragswetenschapper. Voor complexe juridische dossiers, zou kunnen voorzien worden in de verdere bijstand van de voorzitter door juristen. Op deze manier zal het een veel volwaardiger rechtscollege zijn dat een oordeel velt over de vraag wat de maatschappelijk gepaste reactie op gepleegde criminaliteit moet zijn.
In de lijn van het bovenstaande kan tevens nagedacht worden over de vraag of het niet zinvol zou zijn om het debat over de schuld en dat over de straftoemeting uit elkaar te trekken
Een opsplitsing van de schuldvraag en de straftoemeting?
In de lijn van het bovenstaande kan tevens nagedacht worden over de vraag of het niet zinvol zou zijn om het debat over de schuld en dat over de straftoemeting uit elkaar te trekken. In de praktijk ziet men dat de gelijktijdige behandeling van beide vaak aanleiding geeft tot kunstmatige situaties. Advocaten bevinden zich soms in de ongemakkelijke spreidstand om in hoofdorde resoluut voor de vrijspraak te gaan, doch ondergeschikt toch een aantal suggesties te doen inzake straftoemeting. In het debat over de straftoemeting zijn spijt en schuldinzicht evenwel niet onbelangrijk, hetgeen doorgaans haaks staat op een pleidooi waar de vrijspraak wordt gevraagd. Hoewel voorgaande in de praktijk volstrekt courant is, blijft de situatie licht schizofreen.
Zou het niet veel zuiverder zijn om eerst het debat over de schuldvraag te voeren, en pas nadien een apart debat over de straftoemeting? Zulks zou alleszins de kwaliteit van het debat over de straftoemeting ten goede komen. Daar waar dit soms eerder stiefmoederlijk wordt behandeld op het einde van de debatten, zou een opsplitsing met zich meebrengen dat het debat over de straftoemeting op een meer volwassen manier gevoerd zal worden, als een volwaardig apart en tweede deel van het debat.
Besluit
De hierboven geformuleerde voorstellen zijn uiteraard nog prematuur. Zij vergen diepgaandere reflectie en verdere uitwerking. Bovendien zullen zij evenmin zaligmakend zijn: ook de toevoeging van criminologen en gedragswetenschappers zal niet leiden tot een wonderoplossing in de strijd tegen criminaliteit. In welke mate overigens de verwachtingen van de samenleving ten aanzien van het strafrecht realistisch zijn, vormt voer voor een ander, evenzeer boeiend debat. Alleszins zal criminaliteit, hoe performant Justitie ook moge worden, steeds deel blijven uitmaken van onze samenleving.
Maar een aantal pistes lijken wel duidelijk: de huidige praktijk van steeds strenger straffen kan niet worden verdergezet. De samenstelling van onze strafrechtscolleges ontbeert thans de nodige deskundigheid om een adequaat antwoord te formuleren op de maatschappelijke vraag naar criminaliteitsbestrijding, zeker op het vlak van de straftoemeting. Laat ons dit denkwerk en deze zoektocht samen met open vizier, zonder rancune en met frisse moed aanvatten! Het moet beter kunnen. De samenleving verwacht dit.
Philip Daeninck – Delbrouck & Daeninck Advocaten
Lees hier andere opiniestukken van Philip Daeninck over het strafrecht.



0 reacties