Location meublée à l’étranger : une « singularité belge » susceptible d’engendrer une double imposition cover
Gemeubelde verhuur in het buitenland: Een Belgisch ‘unicum’ met mogelijke dubbele belasting tot gevolg

Door ITAA

Recente Jobs

Adjunct-kabinetschef
Management
3 - 7 jaar
Antwerpen
Advocaat
Burgerlijk recht Strafrecht Familierecht
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Office Manager
Administratie
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen

​Het is een steeds vaker voorkomende situatie: Belgische rijksinwoners verhuren hun buitenlandse vakantiewoning (doorgaans gemeubelde verhuur) via online platforms zoals Airbnb of Booking.com wanneer ze er zelf niet verblijven. De juiste aangifte van dergelijke huurinkomsten in de Belgische personenbelasting is echter geen sinecure.

De belastingplichtige wordt immers niet alleen geconfronteerd met een complexe Belgische interne wetgeving, maar dient (indien de woning ligt in een land waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft gesloten) het respectieve verdrag correct te interpreteren en toe te passen om dubbele belasting te vermijden.

Hierbij rijst de vraag wat moet worden begrepen onder ‘inkomsten uit onroerende goederen’ in het relevante verdrag (autonome verdragsinterpretatie), hoe deze notie gedefinieerd wordt onder het interne recht van de liggingsstaat en hoe verdragen in het algemeen moeten worden toegepast (relatieve werking, te goeder trouw-interpretatie, e.d.).
Bovendien zijn deze huurinkomsten sinds 1 januari 2023 (ingevolge de Belgische implementatie van de Europese DAC 7-richtlijn) veel zichtbaarder voor de fiscus, die met behulp van datamining eenvoudig controleacties kan opzetten. Hieronder volgt een samenvatting van de voornaamste principes.

Inleiding: nieuwe realiteit – DAC 7

Op 22 maart 2021 nam de Europese Unie de 'DAC 7-richtlijn' aan om de transparantie over inkomsten op online platforms te verhogen.[1] Deze richtlijn verplicht platformaanbieders om persoonsgegevens en inkomsten van gebruikers te rapporteren aan de belastingdienst van hun eigen lidstaat, die deze informatie vervolgens efficiënt uitwisselt met de andere lidstaten.

De Belgische implementatie volgde in december 2022 (inwerkingtreding vanaf 1 januari 2023) met de invoering van artikelen 321quater tot en met 321decies in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (verder WIB92) en de wijziging van artikel 338 WIB92.[2] In tegenstelling tot de reeds bestaande rapportageverplichting (‘DAC 7-light’), werden de DAC 7-verplichtingen voortaan ook van toepassing op de verhuur van onroerende goederen.[3]

Aldus ontvangt de Belgische belastingdienst sinds 1 januari 2023 automatisch gegevens van digitale platforms als Airbnb wanneer er Belgische belastingplichtigen betrokken zijn. In de praktijk bleek de verhuur van buitenlandse onroerende goederen in 2024 al een specifiek controleactiepunt van de fiscus te zijn.[4]

Belgische personenbelasting: principes belasting buitenlandse huurinkomsten

Voor gemeubelde verhuur kent het Belgisch fiscaal recht een uniek taxatieregime, waarbij 60% van de totale huurprijs wordt geacht te slaan op het onroerend goed, terwijl de overige 40% het meubilair vertegenwoordigt.[5] Het staat partijen evenwel vrij hier expliciet van af te wijken en een andere opsplitsing overeen te komen.[6] De toepasbaarheid van deze fictie op verhuur via online platforms werd reeds bevestigd in verscheidene rulings.[7]

In de mate dat de huurprijs wordt geacht een inkomen uit onroerende goederen te zijn (verhuurd aan een natuurlijke persoon die deze niet beroepsmatig aanwendt), wordt dit in België thans nog gunstig belast. De belastinggrondslag is gelijk aan het geïndexeerde kadastraal inkomen vermeerderd met 40%, waarop de progressieve tarieven van de personenbelasting van toepassing zijn.[8]

Het deel dat betrekking heeft op de verhuur van het meubilair (het roerend inkomen), wordt netto belast tegen een afzonderlijk tarief van 30%.[9] Onder netto-opbrengst verstaat men het brutobedrag verminderd met uitgaven en lasten (waarbij een bijzonder kostenforfait van 50% geldt bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens).[10]

In een grensoverschrijdende context dient men fiscaal een onderscheid te maken tussen situaties met of zonder dubbelbelastingverdrag (DBV). Zonder verdrag is er geen enkele beperking in de Belgische heffingsbevoegdheid en is de Belgische fiscale wetgeving onverkort van toepassing, ongeacht of de inkomsten ook in de bronstaat worden belast. Bij aanwezigheid van een DBV moet worden onderzocht welk land heffingsbevoegd is en hoe de woonstaat dubbele belasting dient te vermijden.

Gemeubelde verhuur in een land waarmee België geen DBV heeft afgesloten

Bij afwezigheid van een DBV worden noch de woonstaat, noch de liggingsstaat beperkt in hun heffingsbevoegdheid. Het Belgisch fiscaal recht kan onverkort worden toegepast (zoals hierboven beschreven).[11] Verder kan ook de liggingsstaat de(zelfde) inkomsten zonder enige beperking belasten op basis van haar intern recht.

Om deze dubbele belasting enigszins te beperken, voorziet het Belgisch fiscaal recht in een 50%-belastingvermindering voor de onroerende inkomsten (het deel van de inkomsten dat naar Belgisch recht als ‘onroerend’ wordt aangemerkt).[12]

Gemeubelde verhuur in een land waarmee België een DBV heeft afgesloten

Artikel 6 (1) van het OESO-modelverdrag bepaalt dat inkomsten uit de verhuur of exploitatie van onroerende goederen mogen worden belast in het land waar het goed gelegen is. De woonstaat dient deze inkomsten in principe volledig vrij te stellen (met progressievoorbehoud), dan wel een tax credit te verlenen (afhankelijk van het concrete verdrag). Doorgaans opteert België in haar verdragen voor de vrijstellingsmethode.

gemeubelde verhuur
Gemeubelde verhuur in het buitenland

Bij gemeubelde verhuur poneert de Belgische fiscus (o.i. verkeerdelijk) dat de artificiële 60/40-opsplitsing op dezelfde manier van toepassing blijft. Door eerst de uitsplitsing te maken conform het intern recht en pas daarna het DBV toe te passen, acht de fiscus zich bevoegd om de roerende component (het meubilair) te belasten. Aangezien de verhuur van roerende goederen in nagenoeg geen enkel verdrag specifiek wordt behandeld, past de administratie het restartikel toe, dat de heffingsbevoegdheid steeds aan de woonstaat toewijst.

Concreet wordt het aandeel ‘onroerend inkomen’ in België vrijgesteld (met progressievoorbehoud) via toepassing van het DBV.[13] Voor het aandeel ‘roerend inkomen’ wordt nagegaan wie heffingsbevoegd is. Kent het verdrag de bevoegdheid toe aan de bronstaat met een verplichte vrijstelling door de woonstaat, dan geldt in België een bijzonder belastingtarief van 0%.[14] Doorgaans wordt de heffingsbevoegdheid voor roerende inkomsten volgens de fiscus echter aan de woonstaat toegekend, waardoor België deze inkomsten onbeperkt belast tegen 30% (zoals bepaald onder het Belgisch fiscaal recht, cf. supra).

In veel gevallen leidt dit tot dubbele belasting. Andere landen kennen deze fictieve opsplitsing immers niet, achten zich als bronstaat integraal heffingsbevoegd over de volledige (netto)huur als ‘onroerend inkomen’ en belasten de belastingplichtige bijgevolg over het geheel.

De Belgische belastingadministratie is op de hoogte van deze problematiek. Als reactie op een parlementaire vraag stelde de minister van Financiën dat de heffingsbevoegdheid voor grensoverschrijdende roerende inkomsten doorgaans toekomt aan de woonstaat (via het restartikel), waardoor de bronstaat deze niet mag belasten.[15] Dit antwoord berust naar onze mening op een verkeerde verdragsinterpretatie, omdat het uitgaat van de veronderstelling dat er consensus bestaat tussen de verdragspartijen over de opdeling. De minister gaat eraan voorbij dat de Belgische opdeling een interne fiscale fictie is die in nagenoeg geen enkel ander land (voor zover ons bekend) wordt gehanteerd.

Principes inzake de toepassing en interpretatie van dubbelbelastingverdragen bij gemeubelde verhuur

Om de heffingsbevoegdheid te bepalen, moet men in eerste instantie nagaan wat via een autonome verdragsinterpretatie in het concrete verdrag wordt bepaald over begrippen zoals ‘onroerende goederen’ en ‘onroerende inkomsten’, zonder eerst rekening te houden met het intern recht. Men moet onderzoeken of de totale huursom onder het verdrag kwalificeert als onroerend inkomen. Pas in de tweede fase, bij de effectieve Belgische belastingheffing, kan rekening worden gehouden met het internrechtelijke onderscheid voor de belastbare grondslag en het tarief.

Hoewel artikel 6 van het OESO-modelverdrag inkomsten uit meubilair niet expliciet vermeldt, vallen deze o.i. onder dit artikel op grond van het adagium ‘accessorium sequitur principale’. Artikel 6 (2) van het OESO-modelverdrag (en het Belgische standaardmodel) licht immers toe dat ‘onroerende goederen’ ook de goederen omvatten die hierbij ‘accessoir’ zijn of in ieder geval de goederen betreffen die ‘bij deze onroerende goederen behoren’.[16] Rekening houdend met een verplichte te goeder trouw-interpretatie,[17] moet een vergoeding voor de verhuur van meubilair samen met het onroerend goed (als één geheel) in haar totaliteit als ‘onroerend inkomen’ onder het verdrag worden beschouwd.

Vanzelfsprekend moeten in elk geval steeds de specifieke bewoordingen van het concrete verdrag worden nagegaan, alsook de bijhorende interpretatieve documenten. Zo lezen we (bijvoorbeeld) in het thans van kracht zijnde Frans-Belgisch dubbelbelastingverdrag dat “inkomsten uit onroerende goederen, met inbegrip van hun toebehoren, (…)” uitsluitend belastbaar zijn in de liggingsstaat.[18] In de doctrine (eveneens op basis van de verplichte te goeder trouw-interpretatie) werd reeds gesteld dat verhuurd meubilair binnen de gewone betekenis van dit ‘toebehoren’ valt.[19]

Verder bepaalt artikel 6 (2) van het OESO-modelverdrag dat het begrip ‘onroerende goederen’ de betekenis heeft die daaraan wordt gegeven door de wetgeving van de liggingsstaat (en dus niet de woonstaat). Dit punt werd expliciet bevestigd in een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (Belgisch-Griekse context). Omdat Griekenland de gemeubelde verhuur als onroerend inkomen beschouwde, werd België als woonstaat verplicht om ook het (naar Belgisch recht) roerende deel vrij te stellen op basis van het verdrag.[20]

Bij een correcte toepassing van het DBV wordt de volledige heffingsbevoegdheid o.i. dus doorgaans aan de bronstaat toegewezen. Dubbele belasting dient te worden vermeden door een te goeder trouw-interpretatie van de woonstaat (België), die de inkomsten dan volledig dient vrij te stellen (al dan niet met progressievoorbehoud), al blijft een in concreto lezing van het relevante verdrag noodzakelijk.

Praktische implicaties: aangifte personenbelasting

Ondanks bovenstaande wordt de Belgische fiscale fictie/opdeling opnieuw relevant voor de belastingplichtige in België in het kader van zijn/haar aangifte personenbelasting.
Ingevolge de relatieve werking van dubbelbelastingverdragen zijn verdragsdefinities uitsluitend bedoeld om de heffingsbevoegdheid te verdelen. Zodra deze is toegewezen, verloopt de daadwerkelijke belastingheffing volgens de nationale wetgeving van het betreffende land.[21]

Hoewel de inkomsten onder het DBV dus als zuiver onroerend kwalificeren, vereist de Belgische aangifte personenbelasting toch de fictieve opsplitsing, waardoor de inkomsten op twee verschillende plaatsen moeten worden aangegeven om vrijstelling te claimen:

  1. Met DBV (vrijstelling): Het onroerende deel in Vak III (rubriek A, resp. B(1) voor de vrijstelling); het roerende deel in Vak VII (rubriek B, resp. F voor het bijzonder 0%-tarief).
  2. Zonder DBV (geen verdragsvrijstelling): Uitsplitsing op dezelfde manier (Vak III rubriek A, resp. Vak VII rubriek B), waarbij voor het onroerend inkomen wel de 50%-belastingvermindering kan worden aangevraagd in Vak III rubriek B(2).

Conclusie

Het Belgisch fiscaal recht kent een unieke 60/40-fictie bij gemeubelde verhuur. In een grensoverschrijdende context waarbij wél een DBV voorhanden is, zorgt deze fictie voor discussie en veelal voor dubbele belasting. De Belgische fiscus bekijkt de situatie o.i. verkeerdelijk eerst vanuit een internrechtelijk standpunt. Bij toepassing van een DBV moet via een autonome verdragsinterpretatie en conform de kwalificatie in de liggingsstaat worden geoordeeld. Dit leidt er o.i. in nagenoeg alle gevallen toe dat de liggingsstaat heffingsbevoegd is voor het volledige huurinkomen.

Hoewel onze visie al in een eerste vonnis werd bekrachtigd, zal de fiscale administratie haar zienswijze de komende periode wellicht niet zomaar wijzigen. Het is voor de belastingplichtige dan ook aangewezen enige voorzichtigheid aan de dag te leggen. Men kan overwegen de toepassing van de fictie voor te zijn door in de huurovereenkomst of rechtstreeks op het digitale verhuurplatform zelf een expliciete, gunstigere opdeling te maken tussen de vergoeding voor het vastgoed en het meubilair dan deze die het KB/WIB 92 van rechtswege voorschrijft (bijvoorbeeld een verhouding van 90/10 in plaats van de wettelijke 60/40).

Wim Vermeulen, Rosanne Van Gael, Mirte Cammaert – Cazimir

​​Dit artikel verscheen eerder ook in het ITAAzine van het ITAA.

Lees hier ook andere artikels van deze auteurs.


Voetnoten

[1] Richtlijn (EU) 2021/514 van de raad van 22 maart 2021 tot wijziging van richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van belastingen.

[2] Wet van 21 december 2022 tot omzetting van richtlijn (EU) 2021/514 van de raad van 22 maart 2021 tot wijziging van richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, BS 30 december 2022.

[3] FAQ: DAC 7 – Verplichtingen van exploitanten van digitale platforms, www.minfin.fgov.be, 56.

[4] ONGENAERT B. en VAN EENHOOGE E., ‘Internationale aandachtspunten bij de aangifte personenbelasting’, taxTODAY Artikelen, www.monkey.be.

[5] Artikel 4, 1°, b Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992, BS 13 september 1993 (verder “KB/WIB 92”).

[6] THYS S. en JACOBS A. ‘Inkomsten van onroerende goederen en onroerende voorheffing’ in MAES L. (ed.) en PLETS N. (ed.), Handboek Personenbelasting 2025, Wolters Kluwer, 227.

[7] Voorafgaande beslissing nr. 2023.0222 van 15 juni 2023; Voorafgaande beslissing nr. 2023.0451 van 10 november 2023; Voorafgaande beslissing nr. 2023.0630 van 23 november 2023; Voorafgaande beslissing nr. 2024.0181 van 24 mei 2024.

[8] Artikel 7, §1, 2°, a) tweede gedachtestreepje WIB92.

[9] Artikel 17, §1, 3° jo. artikel 171, 3° WIB92.

[10] Artikel 22, §3 WIB92 en artikel 4 KB/WIB92.

[11] Dit kan tevens het geval zijn indien er wel een dubbelbelastingverdrag voorhanden is, maar dit niet van toepassing is in de concrete casus en / of de heffingsbevoegdheid aan België wordt toegewezen.

[12] Artikel 156 WIB92.

[13] Artikel 23 OESO-modelverdrag juncto artikel 155 WIB92.

[14] Artikel 171, 8° WIB92.

[15] Vraag nr. 15 van de heer Crucke, KAMER, 2024-2025, 4 september 2024, nr. 56/2, 174-176.

[16] Artikel 6 (2) Belgisch standaardmodel overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het voorkomen van het ontduiken van belasting, www.minfin.fgov.be.

[17] Artikel 31 (1) Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht, BS 25 december 1993.

[18] Artikel 3 (1) Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, www.minfin.fgov.be.

[19] DE BROE L., ‘Cassatie over de relatieve werking van verdragen bij gemeubelde verhuur van vastgoed’, Fiscale Actualiteit nr. 2025/26, 12.

[20] Rb. Brussel (Nl.) (7e k.) nr. 2020/2652/A, 14 maart 2022. We begrijpen dat de fiscale administratie hoger beroep heeft aangetekend tegen dit vonnis.

[21] DE BROE L., ‘Cassatie over de relatieve werking van verdragen bij gemeubelde verhuur van vastgoed’, Fiscale Actualiteit nr. 2025/26, 7.

Recente Jobs

Adjunct-kabinetschef
Management
3 - 7 jaar
Antwerpen
Advocaat
Burgerlijk recht Strafrecht Familierecht
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Office Manager
Administratie
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *