Expertise Nieuws

Elektronisch toezicht: geen beroepsmogelijkheid voor openbaar ministerie

Avatar
Geschreven door Studio Legale
De feitelijkheden die aanleiding gaven tot de beslissing

De aangehoudene zat gedurende het ganse strafonderzoek in voorlopige hechtenis in de gevangenis. Bij afsluiting van het dossier voor de raadkamer, de zogenaamde regeling van de rechtspleging, besloot de raadkamer dat de inverdenkinggestelde zijn proces mocht afwachten onder de modaliteit van het elektronisch toezicht.

Het openbaar ministerie tekende hoger beroep aan tegen deze wijziging van modaliteit van de hechtenis.

Het standpunt dat door onze advocaten voor de KI te Antwerpen werd verdedigd

Artikel 26, § 4 van de Wet Voorlopige Hechtenis bepaalt het volgende:

  • 4. In geval uit de beschikking van de raadkamer de invrijheidstelling van de verdachte volgt, kan de procureur des Konings hiertegen, wat de voorlopige hechtenis betreft, hoger beroep aantekenen binnen vierentwintig uren; in de gevallen bedoeld in de bovenstaande §§ 1 en 2, kan hij dit slechts doen na hoger beroep ingesteld te hebben tegen de beslissing in zoverre zij de regeling van de rechtspleging betreft.

De verdachte blijft aangehouden tot na verloop van de voormelde termijn.

Het hoger beroep heeft schorsende werking.

Het artikel stelt dus, expressis verbis, dat er enkel een mogelijkheid is tot beroep door het openbaar ministerie voor zover er een invrijheidstelling zou zijn bevolen in de beschikking van de raadkamer.

De voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht is geen invrijheidstelling. Artikel 16, §1, 2de alinea bepaalt uitdrukkelijk dat een bevel tot aanhouding kan uitgevoerd worden in de gevangenis of onder het elektronisch toezicht. Het elektronisch toezicht is met andere woorden een modaliteit van de aanhouding en geenszins een invrijheidstelling.

Het legaliteitsbeginsel houdt in dat er geen beroep kan ingesteld worden dat niet voorzien wordt bij wet. Bij een onduidelijke wet zou er eventueel kunnen geïnterpreteerd worden buiten de wet om, maar dit mag nooit in het nadeel spelen van de verdachte. Een beroep toelaten dat niet voorzien is bij wet en die een negatieve impact kan hebben op de situatie van de aangehoudene, is zonder meer een interpretatie van de wet in het nadeel van de verdachte.

Bovendien vereist artikel 5,1 EVRM dat elke vrijheidsbeneming een wettelijke basis heeft. Door het ontbreken van een beroepsmogelijkheid in de wet voor het openbaar ministerie, is deze vereiste wettelijke basis conform artikel 5,1 EVRM niet voorhanden. Elke rechter moet zodoende voorzichtig en beperkend omgaan met de interpretatie of analogietoepassing van een nationale wetgeving die enige beperking op dit recht op vrijheid inhoudt.

De uitspraak van de KI (klik hier en bekijk)

De KI te Antwerpen besliste dat het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen een beschikking van de raadkamer die, bij het regelen van de rechtspleging, beslist dat hij aangehouden blijft doch onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, niet bij wet voorzien is in artikel 26 Wet Voorlopige Hechtenis en bijgevolg onontvankelijk is.

Het standpunt van onze strafrechtadvocaten werd dus bijgetreden. Aldus werd klaarheid geschapen en werd er komaf gemaakt met eerdere andersluidende visies en rechtspraak.[1]

U kan steeds contact opnemen met ons kantoor voor meer informatie.

Studio Legale

Voetnoten

[1] Bij arrest van 23 november 2018 besliste de KI Antwerpen nog dat het beroep moest geïnterpreteerd worden ‘naar analogie’ en dat dit geen nadelige interpretatie van de wet zou inhouden ten aanzien van de inverdenkinggestelde (KI Antwerpen 23 november 2018, AR K/2543/2018, niet gepubliceerd).

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.