Advocaten Bedrijfsjuristen Boekhouders Fiscalisten Magistratuur

Geen aansprakelijkheid voor sociale schulden aannemer bij privéwerken

Geschreven door Stappers Advocaten

In een arrest van 9 oktober 2017 verduidelijkt het Hof van Cassatie wat moet verstaan worden onder privéwerken waarvoor de hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale schulden niet geldt.

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale schulden

De hoofdelijke aansprakelijkheid van de opdrachtgever voor sociale schulden van de aannemer is geregeld in het complex artikel 30 bis RSZ-wet van 27 juni 1969. Het gaat daarbij om de uitvoering van werken in onroerende staat, hetgeen een ruim begrip is, omschreven in artikel 20, §2 BTW-KB nummer 1 van 29 december 1992, waaronder zelfs schilder- of schoonmaakwerken vallen.

De belangrijkste verplichting in hoofde van de opdrachtgever van dergelijke werken in onroerende staat is de controle- en eventuele inhoudingsplicht. De opdrachtgever moet op het ogenblik van de betaling van de factuur nakijken of de aannemer niet is gemeld met sociale schulden op de website https://www.checkinhoudingsplicht.be. Wanneer blijkt dat er sociale schulden zijn in hoofde van de aannemer moet de opdrachtgever 35% van de factuur inhouden en doorstorten aan de RSZ. Doet de opdrachtgever dit niet, dan is hij hoofdelijk aansprakelijk voor de sociale schulden van de aannemer, doch met een maximum gelijk aan de prijs van de aanneming. Een soortgelijke regeling bestaat met betrekking tot de fiscale schulden van de aannemer (artikel 400 e.v. WIB92).

Deze verplichtingen en het risico op hoofdelijke aansprakelijkheid bestaan niet wanneer de opdrachtgever een natuurlijke persoon is die de werkzaamheden uitsluitend voor privédoeleinden laat uitvoeren (artikel 30bis, §10 RSZ-wet).

Het Hof van Cassatie heeft met een arrest S.16.0092.N van 9 oktober 2017 verduidelijkt wat moet worden verstaan onder dergelijke privé-werken:

“De privé-werken moeten kaderen in het gewone beheer van het eigen bezit van de opdrachtgever – natuurlijke persoon zonder dat hij het onroerend goed, waaraan de werken plaatsvinden, geheel of gedeeltelijk aanwendt in de uitoefening van zijn beroepsactiviteit. De omstandigheid dat het onroerend goed niet enkel als woongelegenheid dient, maar deels ook voor handelsdoeleinden is bestemd, is zonder belang.”

Het betekent dat de opdrachtgever-natuurlijke persoon die aannemingswerken laat uitvoeren aan een winkel waarvan hij eigenaar is en deze verhuurt aan een handelaar die er zijn zaak in uitbaat, zich kan beroepen op deze uitzondering van artikel 30bis, §10 RSZ-wet (Arbh.Gent (afd.Brugge) 24 juni 2016, JTT 2016, 393).

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor onbetaalde lonen

Een soortgelijke uitzondering is voorzien ingeval van hoofdelijke aansprakelijkheid van de opdrachtgever voor onbetaalde lonen bij de aannemer in bepaalde sectoren na voorafgaand bericht van de sociale inspectie (artikel 35/1 loonbeschermingswet van 12 april 1965) of voor onbetaalde lonen bij de aannemer in geval van activiteiten in de bouwsector (artikel 35/6/1 loonbeschermingswet) of voor onbetaalde lonen van illegaal verblijvende derdelanders in dienst van de aannemer (artikel 35/9 loonbeschermingswet).

Wanneer de opdrachtgever een natuurlijke persoon is die uitsluitend de activiteiten voor privédoeleinden laat uitvoeren, kan hij de hoofdelijke loonaansprakelijkheid niet oplopen. In het kader van deze andere regelingen kan een analoge toepassing worden gemaakt van het cassatiearrest van 9 oktober 2017 om uit te maken of de activiteiten het vereiste privékarakter hebben.

Luc Eliaerts, advocaat

Stappers Advocaten

Meer nieuwsberichten lezen van deze auteur?

Opmerking plaatsen

X