Het begint vaak veelbelovend. Twee of meer ondernemers bundelen hun krachten, richten samen een vennootschap op en dromen van groei en succes. Maar de praktijk leert dat niet elke samenwerking de tand des tijds doorstaat. Visies groeien uiteen, belangen botsen, en wat ooit een gedeelde ambitie was, mondt uit in een patstelling. De vraag dringt zich dan op: hoe verder wanneer samenwerken onmogelijk is geworden, maar de vennootschap wél levensvatbaar blijft? Het Belgische vennootschapsrecht biedt voor deze situaties een wettelijk instrumentarium: de geschillenregeling.
De geschillenregeling, opgenomen in Boek II, Titel 7 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV), werd grondig hervormd bij de inwerkingtreding van het WVV in 2019. De wetgever heeft het toepassingsgebied verduidelijkt, de procedureregels verfijnd en de rechter ruimere beoordelingsbevoegdheden toegekend. Het resultaat is een evenwichtiger kader dat aandeelhouders toelaat om definitief afscheid van elkaar te nemen, zonder daarbij de continuïteit van de onderneming op het spel te zetten.
Voor wie is de geschillenregeling bedoeld?
De regeling richt zich uitsluitend tot niet-genoteerde besloten vennootschappen (bv's) en naamloze vennootschappen (nv's) met statutaire zetel in België. De vordering kan betrekking hebben op diverse effecten, waaronder niet alleen klassieke aandelen maar ook inschrijvingsrechten en converteerbare obligaties. Een belangrijke beperking is dat elke vordering tot uitsluiting of uittreding steeds alle effecten van de betrokken aandeelhouder moet omvatten. Gedeeltelijke uitstap is niet mogelijk, wat logisch is gezien de finaliteit van de regeling: het definitief beëindigen van een onhoudbare situatie.
Twee wegen naar de exit
De geschillenregeling kent twee complementaire actiemiddelen die elk vanuit een andere positie worden ingeroepen. Bij de vordering tot uitsluiting nemen een of meerdere aandeelhouders het initiatief om een medeaandeelhouder uit de vennootschap te dwingen. Dit instrument is echter niet voor iedereen toegankelijk. De wetgever heeft kwantitatieve drempels ingebouwd: wie een uitsluiting wil vorderen, moet individueel of samen met andere eisers minstens dertig procent van de stemrechten bezitten. Deze drempel voorkomt dat minderheidsaandeelhouders lichtvaardig een uitsluitingsprocedure opstarten.
De vordering tot uittreding werkt in omgekeerde richting. Hier vraagt een aandeelhouder zelf om de vennootschap te mogen verlaten, waarbij de overige aandeelhouders verplicht worden zijn effecten over te nemen. Voor deze vordering geldt geen participatiedrempel – elke aandeelhouder, ongeacht de omvang van zijn deelneming, kan uittreding vorderen wanneer hij meent dat zijn aandeelhouderschap onhoudbaar is geworden.
De gegronde reden als poortwachter
Noch uitsluiting noch uittreding wordt zomaar toegekend. Centraal in beide procedures staat het vereiste van een gegronde reden. Dit begrip vormt een open norm die de rechter een ruime beoordelingsmarge geeft. In essentie gaat het om een feitelijke situatie die verantwoordt waarom het verderzetten van het aandeelhouderschap niet langer redelijkerwijs kan worden verwacht.
De invulling van dit begrip verdient nuancering. Ten eerste hoeft de gegronde reden niet uitsluitend aan de verwerende aandeelhouder te wijten zijn. Ook omstandigheden die geen van beide partijen kunnen worden verweten, kunnen volstaan. Ten tweede is foutief gedrag geen vereiste – de vraag is niet wie schuld treft, maar of het aandeelhouderschap nog houdbaar is. Ten derde moet de gegronde reden actueel zijn, zowel op het moment dat de vordering wordt ingesteld als op het ogenblik van de rechterlijke uitspraak. Een conflict dat inmiddels is bijgelegd, kan geen grondslag meer bieden. Tot slot kan zowel het vennootschapsbelang als het persoonlijk belang van de aandeelhouder relevant zijn bij de beoordeling.

De procedure van de geschillenregeling: snel maar niet oppervlakkig
De wetgever heeft gekozen voor een gestroomlijnde procedure. Vorderingen tot uitsluiting of uittreding worden gebracht voor de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de plaats waar de vennootschap haar zetel heeft. De voorzitter zetelt daarbij ‘zoals in kort geding’, wat betekent dat de procedure de snelheid en flexibiliteit van het kort geding benut, maar wel een uitspraak ten gronde oplevert.
De exclusieve bevoegdheid van de voorzitter brengt een keerzijde mee. Niet elk geschil tussen aandeelhouders kan via deze procedure worden beslecht. De geschillenregeling is nadrukkelijk geen one-stop-shop. De voorzitter kan weliswaar samenhangende geschillen mee behandelen, maar enkel indien aan strikte voorwaarden is voldaan. Het moet gaan om daadwerkelijk bestaande geschillen die betrekking hebben op financiële betrekkingen tussen de partijen en de vennootschap – denk aan leningen, rekeningen-courant en zekerheden – of op concurrentieverbintenissen, en die samenhangen met de beëindiging van het aandeelhouderschap.
Vorderingen tot nietigverklaring van besluiten van vennootschapsorganen, teruggave van materiaal of aanstelling van een voorlopig bewindvoerder vallen buiten deze bevoegdheid en moeten via de reguliere rechtsgang worden behandeld. De voorzitter interpreteert zijn bevoegdheid restrictief, zoals past bij een uitzonderingsprocedure.
De geschillenregeling: dwingend recht met een subsidiair karakter
De geschillenregeling bevindt zich in een merkwaardig spanningsveld. Enerzijds is zij van dwingend recht: aandeelhouders kunnen hun recht om er beroep op te doen niet contractueel of statutair uitsluiten of beperken. Bepalingen die dit toch proberen, zijn nietig. Dit dwingende karakter beschermt aandeelhouders tegen afspraken die hen in geval van conflict zouden klemzetten.
Anderzijds beschouwt de wetgever de geschillenregeling als een ultimum remedium – een laatste redmiddel dat pas in beeld komt wanneer andere oplossingen hebben gefaald. De parlementaire voorbereiding is hierover ondubbelzinnig: de regeling is "slechts als techniek aan te bieden wanneer tegenstellingen tussen aandeelhouders niet in der minne op te lossen zijn." Dit subsidiaire karakter vindt zijn grondslag in de goede trouw die partijen jegens elkaar verschuldigd zijn en in het ingrijpende karakter van een gedwongen uitstap. Een aandeelhouder die te snel naar de geschillenregeling grijpt zonder eerst alternatieve oplossingen te verkennen, riskeert dat zijn vordering als ongegrond wordt afgewezen.
De mogelijkheid van arbitrage
Een belangrijke nuance betreft de verhouding met arbitrage. Hoewel de geschillenregeling dwingend recht is, kunnen partijen overeenkomen om geschillen over uitsluiting of uittreding aan een arbitrageprocedure te onderwerpen. De wetgever erkent deze mogelijkheid uitdrukkelijk. Twee voorwaarden moeten daarbij vervuld zijn: alle bij de geschillenregeling betrokken partijen moeten partij zijn bij het arbitragebeding, en de bedoeling moet zijn om de geschillenregeling exclusief via arbitrage te beslechten. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan mist de voorzitter van de ondernemingsrechtbank rechtsmacht en is het arbitragetribunaal bevoegd. De rechtspraak interpreteert arbitragebedingen in deze context restrictief, zodat twijfel in het voordeel van de gewone rechter wordt beslecht.
Statutaire en conventionele exit-mechanismen
Naast de wettelijke geschillenregeling bestaan in de praktijk vaak statutaire of contractuele mechanismen die voorzien in een exit bij bepaalde gebeurtenissen. Denk aan good leaver- en bad leaver-bepalingen in aandeelhoudersovereenkomsten, of aan statutaire uittredingsregelingen in de bv. De vraag rijst hoe deze zich verhouden tot de wettelijke regeling.
Het antwoord is genuanceerd. Dergelijke mechanismen kunnen naast de wettelijke regeling bestaan, maar kunnen deze niet uitsluiten. Een aandeelhouder die statutair wordt uitgenodigd eerst de conventionele regeling te doorlopen, behoudt het recht om zich rechtstreeks tot de rechter te wenden. De dwingendrechtelijke bescherming kan niet worden omzeild door contractuele voorwaarden of vertragingsmanoeuvres. Dat neemt niet weg dat het bestaan van werkbare conventionele mechanismen relevant kan zijn bij de beoordeling of de wettelijke regeling als ultimum remedium wel aan de orde is.
Waardering op het juiste moment
Wanneer de rechter beslist dat uitsluiting of uittreding gerechtvaardigd is, rijst onvermijdelijk de vraag naar de prijs. Het WVV hanteert als uitgangspunt dat de waarde van de effecten wordt geraamd op het tijdstip waarop de rechter de overdracht beveelt. Dit principe sluit aan bij de realiteit dat het recht op betaling van de prijs ontstaat op het moment van eigendomsoverdracht.
De wetgever heeft echter erkend dat strikte toepassing van dit beginsel in bepaalde gevallen tot onbillijke resultaten kan leiden. Wanneer de omstandigheden die tot de vordering hebben geleid, of het gedrag van partijen naar aanleiding van de procedure, de waarde van de effecten hebben beïnvloed, kan een correctie noodzakelijk zijn. Het WVV geeft de rechter daarom uitdrukkelijk de bevoegdheid om, wanneer de standaardwaardering tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, een billijke prijsverhoging of -vermindering toe te passen.
De toolbox van de rechter
De rechter beschikt over diverse instrumenten om tot een billijke prijs te komen. Een eerste mogelijkheid is het verschuiven van de peildatum naar een vroeger tijdstip, bijvoorbeeld naar het moment vóór de escalatie van het conflict of vóór bepaald schadelijk gedrag van een partij. Het Hof van Cassatie heeft bevestigd dat een dergelijke verschuiving mogelijk is wanneer de rechter concreet vaststelt dat de omstandigheden of het gedrag een invloed hebben gehad op de waarde. De rechter moet zijn keuze wel motiveren.
Daarnaast kan de rechter een voorlopige prijs toekennen in afwachting van definitieve vaststelling, bijvoorbeeld wanneer onzekerheid bestaat over de impact van bepaalde elementen op de waarde. Hij kan ook correctiemechanismen inbouwen voor risico's die op de peildatum gekend zijn, maar waarvan de omvang nog moet blijken. Om de belangen van de partijen te beschermen, kan de rechter zekerheden opleggen voor het nog te betalen bedrag, zoals een pand op de overgedragen effecten, een bankgarantie of een storting op een geblokkeerde rekening.
Concurrentieverbintenissen als prijselement
Een bijzonder aspect van de prijsbepaling betreft concurrentieverbintenissen. De rechter kan de prijs koppelen aan de instemming van de vertrekkende aandeelhouder met een niet-concurrentiebeding of aan de versterking van een bestaand beding. Omgekeerd kan hij een bestaand concurrentieverbod opheffen of beperken, met een overeenkomstige prijsvermindering. Deze bevoegdheid erkent dat de waarde van een participatie mede wordt bepaald door de vraag of de vertrekkende aandeelhouder nadien als concurrent kan optreden.
Er geldt echter een belangrijke beperking: de rechter kan geen nieuw concurrentiebeding opleggen wanneer er geen bestaat. De partijautonomie blijft op dit punt gerespecteerd. Wie een concurrentieverbod wil afdwingen, moet dit contractueel hebben bedongen.
Wanneer een aandeelhouder wegvalt
De dynamiek van een geschillenprocedure kan ingrijpend veranderen wanneer een aandeelhouder tijdens de procedure komt te overlijden, failliet wordt verklaard of wordt ontbonden. Deze gebeurtenissen hebben zowel procedurele als materiële gevolgen.
Op procedureel vlak kunnen erfgenamen of curatoren de procedure voortzetten. De vraag of erfgenamen überhaupt aandeelhouder kunnen worden, hangt af van eventuele statutaire beperkingen. In een BV kunnen statuten bepalen dat erfgenamen niet automatisch worden toegelaten, met een van rechtswege uittreding tot gevolg. Materieel gezien worden de gegronde redenen na gedinghervatting beoordeeld in hoofde van de rechtsopvolger. Dit kan de situatie wezenlijk wijzigen, zeker wanneer de oorspronkelijke gegronde redenen nauw verbonden waren met de persoon van de overleden of failliete aandeelhouder.
Wanneer de vennootschap zelf verdwijnt
Complexer wordt het wanneer niet een aandeelhouder, maar de vennootschap zelf wordt ontbonden of failliet verklaard. De rechtspraak is hier verdeeld. Eén stroming stelt dat de geschillenregeling in dat geval niet langer mogelijk is, of dat een lopende procedure zonder voorwerp wordt. De redenering is dat de finaliteit van de regeling – het verzekeren van continuïteit – vervalt wanneer de vennootschap ophoudt te bestaan.
Een andere stroming nuanceert dit en aanvaardt dat de geschillenregeling onder bepaalde voorwaarden toch kan worden voortgezet, met name wanneer het faillissement of de ontbinding kunstmatig tot stand is gebracht om de regeling te omzeilen. Een absolute uitsluiting zou immers de deur openzetten voor kunstmatige of kwaadwillige ontbindingen, louter bedoeld om een dreigende of ingestelde geschillenregeling te frustreren. De rechter beoordeelt dit geval per geval.
Na de geschillenregeling: geen weg terug
Wie overweegt een geschillenprocedure te starten, moet zich bewust zijn van een fundamenteel gegeven: er bestaat geen recht op inkeer. Zodra de rechter in een (tussen)vonnis heeft beslist over de gegrondheid van de uitsluiting of uittreding, is die beslissing definitief. De eiser kan nadien niet meer terugkrabbelen, ook niet wanneer de prijs lager of hoger uitvalt dan verwacht.
De rechtspraak is hierover bijzonder duidelijk. In een zaak waar de eiser jarenlang procedure had gevoerd en na kennisname van het deskundigenverslag plots afstand wilde doen van zijn vordering, oordeelde de rechtbank dat de wet geen recht op inkeer voorziet voor de partij die aanzet tot uitkoop en vervolgens vaststelt dat het resultaat minder gunstig uitvalt dan verwacht. Dit behoort tot het procesrisico. Een poging om na een ongunstig deskundigenverslag een nieuwe, gewijzigde vordering in te stellen, werd evenmin aanvaard wegens strijdigheid met de procedureregels.
De kostprijs van het gelijk
De financiële implicaties van een geschillenprocedure reiken verder dan de aandelenprijs. De gerechtskosten kunnen aanzienlijk oplopen, zeker wanneer een deskundigenonderzoek naar de waarde van de effecten wordt bevolen. De in het ongelijk gestelde partij draagt in principe de kosten, waarbij de rechtspraak vaak kijkt naar de aandeelhouder die aan de oorzaak ligt van de gegronde redenen. Bij meerdere partijen en vorderingen kunnen meerdere rechtsplegingsvergoedingen verschuldigd zijn, wat de rekening snel doet oplopen.
Partijen kunnen in statuten of aandeelhoudersovereenkomsten afwijkende afspraken maken over de verdeling van procedure- en expertisekosten. Dergelijke afspraken kunnen door de rechter worden bekrachtigd en bieden partijen vooraf meer zekerheid over de kostenverdeling. Het verdient aanbeveling om bij het opstellen van aandeelhoudersovereenkomsten ook aan dit aspect aandacht te besteden.
Besluit: geschillenregeling is delicate evenwichtsoefening
De geschillenregeling in de BV en NV belichaamt een delicate evenwichtsoefening. Zij biedt aandeelhouders die gevangen zitten in een onwerkbare situatie een wettelijk gewaarborgde uitweg, zonder dat de vennootschap zelf daarvan het slachtoffer moet worden. Tegelijkertijd plaatst zij hoge drempels: een gegronde reden is vereist, de regeling geldt als ultimum remedium, en wie de procedure start moet bereid zijn de consequenties te dragen.
De hervorming in het WVV heeft de regeling verfijnd en de rechter meer instrumenten gegeven om tot een billijke uitkomst te komen. De ruimere mogelijkheden voor prijscorrectie, het behandelen van samenhangende geschillen en het opleggen van zekerheden dragen bij aan een evenwichtiger kader. Maar de kern blijft ongewijzigd: de geschillenregeling is een zwaarwichtig instrument dat met de nodige omzichtigheid moet worden gehanteerd.
Voor aandeelhouders die zich in een conflictsituatie bevinden, is het zaak om de opties zorgvuldig af te wegen. Onderhandeling, bemiddeling en statutaire of conventionele mechanismen verdienen voorrang. Pas wanneer deze wegen doodlopen, komt de wettelijke geschillenregeling in beeld. En wie die stap zet, doet er goed aan de procedure grondig voor te bereiden, de financiële risico's in kaart te brengen en zich te laten bijstaan door gespecialiseerde raadgevers. Want in de geschillenregeling geldt meer dan elders: bezint eer ge begint.
Wordt u geconfronteerd met een aandeelhoudersconflict en vraagt u zich af welke opties u heeft? Onze specialisten vennootschapsrecht staan klaar om u te begeleiden naar een duurzame oplossing.
Meester Joost Peeters en meester Yannick Lauwers – Studio Legale



0 reacties