Op een moment waarop LGBTQI+-rechten wereldwijd steeds vaker onderwerp worden van politieke polarisatie, blijft de rechtspraak een cruciale motor voor de bescherming van fundamentele rechten. Zowel binnen de Europese Unie als in de Verenigde Staten bepalen rechtbanken vandaag in belangrijke mate hoe gelijkheid, menselijke waardigheid en non-discriminatie in de praktijk worden ingevuld.
Tijdens het LDIA-evenement Championing LGBTQI-Rights in a Changing Legal Landscape, dat op 18 juni plaatsvond bij Herbert Smith Freehills Kramer in Brussel, stonden precies die juridische evoluties centraal. Het debat maakte duidelijk dat de strijd voor gelijke rechten allerminst gestreden is en dat advocaten, rechters en het maatschappelijk middenveld daarin een onmisbare rol blijven spelen.
Europa kiest steeds nadrukkelijker voor bescherming
De Europese Commissie zet de komende jaren verder in op een versterking van het gelijkheidsbeleid. Naar aanleiding van een Europees burgerinitiatief met meer dan één miljoen geldige handtekeningen bereidt zij een aanbeveling voor die de lidstaten moet aanzetten conversiepraktijken te verbieden. Tegelijk onderzoekt de Commissie bijkomende maatregelen tegen online haatgedreven geweld en intimidatie, en wil zij via het voorgestelde AgoraEU-programma meer middelen vrijmaken voor gelijkheid, fundamentele rechten, democratie en de civiele samenleving. Die beleidsinitiatieven sluiten aan bij rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die steeds nadrukkelijker fundamentele waarden centraal stelt.
Een bijzonder belangrijk voorbeeld is het recente arrest over de Hongaarse “Child Protection Law”. Het Hof oordeelde dat Hongarije onder meer het verbod op discriminatie, de menselijke waardigheid, de vrijheid van meningsuiting en het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven had geschonden. Opmerkelijk was bovendien dat het Hof ook een schending vaststelde van artikel 2 van het Verdrag van de Europese Unie, waarin de fundamentele waarden van de Unie zijn verankerd. Daarmee onderstreepte het Hof dat gelijke behandeling van LGBTQI+-personen geen beleidskeuze is, maar raakt aan de kernwaarden waarop de Europese Unie is gebouwd. Het arrest bleef bovendien niet beperkt tot juridische principes. Kort na de uitspraak werden in Hongarije verschillende Pride-gerelateerde vervolgingen stopgezet, waaronder die tegen de burgemeester van Boedapest.
Rechtspraak die stap voor stap bescherming uitbreidt
De Europese rechtspraak toont hoe fundamentele rechten geleidelijk worden uitgebreid naar nieuwe maatschappelijke situaties.
Op de werkvloer betekende het arrest Maruko uit 2008 een belangrijke stap door te erkennen dat partners in een geregistreerde relatie onder bepaalde omstandigheden recht kunnen hebben op een nabestaandenpensioen. Later volgde onder meer de zaak ACCEPT, waarin homofobe publieke uitspraken van een invloedrijke voetbalbestuurder voldoende konden zijn om een vermoeden van discriminatie bij aanwervingen te doen ontstaan, zelfs zonder een concreet slachtoffer.
Ook het vrije verkeer binnen de Europese Unie heeft geleid tot baanbrekende rechtspraak. In Coman moest Roemenië voor verblijfsdoeleinden het huwelijk erkennen tussen een Roemeense burger en zijn Amerikaanse echtgenoot. Recentere arresten zoals Mirin en Shipov bevestigen dat lidstaten ook rekening moeten houden met een in een andere lidstaat rechtsgeldig verkregen wijziging van naam of genderidentiteit wanneer burgers gebruikmaken van hun recht op vrij verkeer.
Deze rechtspraak illustreert hoe het Europese recht niet alleen discriminatie bestrijdt, maar ook de praktische uitoefening van fundamentele rechten mogelijk maakt.
Strategische procedures blijven maatschappelijke verandering stimuleren
Opvallend is ook de steeds grotere rol van strategische procedures. Niet-gouvernementele organisaties en advocaten gebruiken bestaande rechtsregels steeds creatiever om nieuwe bescherming van LGBTQI+-personen af te dwingen. Dat blijkt onder meer uit de zaak Baby Sara (V.M.A.), waarin de erkenning centraal stond van een kind geboren in Spanje binnen een gezin met twee moeders, maar waarvan Bulgarije de afstamming niet wilde erkennen.
Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijft een belangrijke rol spelen. Reeds in Dudgeon t. Verenigd Koninkrijk (1981) besliste het Hof dat de strafbaarstelling van homoseksuele relaties tussen volwassenen in strijd was met het recht op privéleven. Sindsdien bouwde het Hof die bescherming verder uit, onder meer door te oordelen dat verplichte sterilisatie als voorwaarde voor wettelijke gendererkenning onverenigbaar is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Interessant is bovendien de toenemende wisselwerking tussen het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie. Beide hoven verwijzen steeds vaker naar elkaars rechtspraak, onder meer in dossiers over asiel, ouderschap en genderidentiteit. Daardoor ontstaat geleidelijk een meer samenhangend Europees beschermingskader.
Ook bestaande regelgeving krijgt soms een verrassende toepassing. In de Hongaarse zaak Deldits werd bijvoorbeeld met succes een beroep gedaan op het AVG-beginsel van correcte persoonsgegevens om de genderregistratie van een transpersoon met vluchtelingenstatus te laten aanpassen.
Daarnaast evolueert ook de juridische terminologie. Waar vroeger vooral werd gesproken over “gender reassignment”, verschuift de aandacht steeds meer naar het bredere begrip “lived gender identity”, dat beter aansluit bij de realiteit van trans- en non-binaire personen.
Ook in de Verenigde Staten blijft de rechtsstrijd voortduren
Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan blijft het juridische landschap bijzonder dynamisch. Zo besliste de Social Security Administration recent om eerdere dossiers opnieuw te beoordelen waarbij partners van hetzelfde geslacht mogelijk onterecht nabestaandenuitkeringen waren geweigerd. Die evolutie bouwt voort op de historische overwinning van Edith Windsor, wier zaak in 2013 leidde tot de vernietiging van de federale niet-erkenning van huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht.
Tegelijk verschuift de aandacht naar nieuwe juridische discussies rond genderidentiteit. In United States v. Skrmetti (2025) bevestigde het Amerikaanse Hooggerechtshof de grondwettigheid van een Tennessee-wet die genderbevestigende zorg voor minderjarigen beperkt. In Chiles v. Salazar (2026) werd geoordeeld dat Colorado’s verbod op conversietherapie, voor zover het betrekking heeft op gesprekstherapie, onderworpen moet worden aan een strikte toetsing onder het First Amendment.
Ook de aanwezigheid van transgenderpersonen in het Amerikaanse leger blijft aanleiding geven tot complexe procedures. Recente uitspraken beschermen bepaalde militairen tegen ontslag, terwijl beperkingen op nieuwe aanwervingen voorlopig overeind blijven.
Hoewel na het arrest Dobbs de vrees ontstond dat ook het homohuwelijk opnieuw ter discussie zou komen, lijkt een terugdraaiing daarvan voorlopig minder waarschijnlijk door procedurele drempels en de brede maatschappelijke steun voor het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht.
De rol van de advocatuur blijft essentieel
De juridische uitdagingen rondom LGBTQI+-rechten zijn verre van voorbij. Binnen Europa zullen onder meer de erkenning van non-binaire genderidentiteiten en de bescherming van intersekse personen steeds vaker aanleiding geven tot procedures. In de Verenigde Staten zullen discussies over transgenderjongeren, sport en onderwijs ongetwijfeld nog jarenlang de rechtbanken bezighouden.
Opvallend is dat achter veel van de besproken mijlpaalarresten een nauwe samenwerking schuilgaat tussen advocaten, ngo’s en maatschappelijke organisaties. Strategische procedures vragen immers niet alleen juridische expertise, maar ook een langetermijnvisie, doorzettingsvermogen en de bereidheid om fundamentele rechten consequent te blijven verdedigen.
Juist daarin ligt misschien de belangrijkste les. Rechten zijn nooit definitief verworven. Zij moeten voortdurend worden beschermd, verduidelijkt en soms opnieuw bevochten. In een tijd waarin polarisering en desinformatie steeds vaker de bovenhand dreigen te nemen, blijft een onafhankelijke rechtspraak een onmisbare waarborg voor de rechtsstaat.
Voor de advocatuur ligt daarin een bijzondere verantwoordelijkheid. Via pro bono werk, strategische procedures en een blijvende inzet voor mensenrechten kan zij meebouwen aan een samenleving waarin gelijkheid geen abstract beginsel is, maar een dagelijkse juridische realiteit. De besproken arresten tonen dat rechtspraak voor LGBTQI+-personen daadwerkelijk levens verandert. Precies daarom blijft deze inzet vandaag broodnodiger dan ooit.
Kat Van Nuffel, Chair Legal Diversity & Inclusion Alliance en Cédric Bruyninckx, advocaat, Younity




0 reacties