In een vonnis van 3 mei 2024 benadrukte de (correctionele) rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (32ste kamer), het onderscheid tussen een strafrechtelijke verbeurdverklaring ten aanzien van een beklaagde en een schadevergoeding ten voordele van een slachtoffer van een misdrijf, om te besluiten tot een integrale schadeloosstelling.[1]
Achtergrond en standpunten
Een beklaagde werd door het Openbaar Ministerie vervolgd voor het als muilezel (“money mule”) bewust in ontvangst nemen van 7.500 euro die uit een misdrijf waren verkregen.[2] De beklaagde had deze gelden op zijn rekening ontvangen en deze vervolgens verder doorgestort of afgehaald. Om deze reden werd de beklaagde voor de rechtbank gebracht wegens het verwerven van criminele vermogensvoordelen (in de zin van artikel 505, lid 1, 2° Strafwetboek) (hierna: Sw.). De correctionele rechtbank veroordeelde de beklaagde en sprak een bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent uit, ten bedrage van 7.500 euro.[3]
De beklaagde tekende tegen het vonnis echter hoger beroep aan bij het hof van beroep te Gent. Met betrekking tot de eerder opgelegde verbeurdverklaring overwoog het hof dat het bedrag van 7.500 euro eerst passeerde via een rekening van een andere persoon, alvorens op een rekening van de beklaagde te worden gestort. Om die reden oordeelde het hof dat een herleiding van de verbeurdverklaring tot 3.750 euro diende te gebeuren in toepassing van artikel 505, lid 7 Sw., wat neerkwam op een herleiding overeenkomstig de mate van de betrokkenheid van deze beklaagde bij het witwasmisdrijf.
In het kader van een procedure tot afhandeling van burgerlijke belangen[4] diende de eerste rechter zich vervolgens uit te spreken over de eis tot schadevergoeding van het slachtoffer (zijnde de persoon die initieel 7.500 euro afhandig werd gemaakt). Dit slachtoffer wenste een schadevergoeding van 7.500 euro, terwijl de beklaagde op zijn beurt verwees naar het arrest van het hof van beroep om te stellen dat hij hoogstens 3.750 euro diende te betalen als schadevergoeding. Het slachtoffer betwistte dit. De rechtbank moest erover oordelen.
Rechterlijke beoordeling
De rechtbank benadrukte dat een verbeurdverklaring een straf is met persoonlijk karakter, en om deze reden individueel moet worden bepaald. Dit doet volgens de rechtbank echter geen afbreuk aan de inhoud van artikel 50 Sw., waaruit blijkt dat het slachtoffer recht heeft op integraal herstel van zijn geleden schade, ongeacht het aandeel/belang van de schuld van de veroordeelde[5]. Anders oordelen, zou volgens de rechtbank immers geen passend herstel voor het slachtoffer betekenen aangezien dit slachtoffer voor een deel de gevolgen van andermans daad zou moeten dragen. De beklaagde werd bijgevolg veroordeeld tot de betaling van een schadevergoeding van 7.500 euro aan het slachtoffer.
Conclusie
De correctionele rechtbank bevestigde de zelfstandigheid van de burgerlijke vordering tot schadevergoeding, die een ander doel dient dan, en losstaat van, een verbeurdverklaring als straf. Het persoonlijke karakter van de straf heeft bijgevolg geen impact op het principe van het integraal herstel van de schade toegebracht aan het slachtoffer.
De vordering tot een schadevergoeding volgt het bewijs van fout, werkelijke schade en het causaal verband tussen beide. Een schadevergoeding voor het slachtoffer moet integraal zijn. Zij kan enkel worden herleid indien het slachtoffer reeds gedeeltelijke vergoeding zou hebben gekregen[6] (bijvoorbeeld uitbetaling na verbeurdverklaring). Een loutere herleiding van de strafrechtelijke verbeurdverklaring kan dus niet leiden tot automatische herleiding van de (burgerlijke) schadevergoeding.
Bas Schuermans, advocaat bij Bricks Advocaten




0 reacties